Van alle gevoelens is jaloezie misschien het meest onbehaaglijke. Ze voelt altijd als een nederlaag. Als je jaloers bent, vrees je iemands genegenheid te verliezen. Achterdochtig kwel je jezelf met een vreemd soort nieuwsgierigheid, die geen rust brengt.
...

Van alle gevoelens is jaloezie misschien het meest onbehaaglijke. Ze voelt altijd als een nederlaag. Als je jaloers bent, vrees je iemands genegenheid te verliezen. Achterdochtig kwel je jezelf met een vreemd soort nieuwsgierigheid, die geen rust brengt. Jaloezie wordt soms met afgunst verward. Maar bij afgunst misgun je de ander een geluk dat je zelf niet hebt, hoewel dat geluk jou geen enkele schade berokkent. Je verbeeldt je dat je pas tevreden zou zijn als jij zou bezitten wat de ander heeft. Afgunst kan de vorm van ergernis of boosheid aannemen. Cicero geeft de beste remedie: kies voor de nobele afgunst, die je verheft waardoor je meer uit jezelf haalt. Jaloezie ligt complexer. De courante opvatting luidt dat jaloezie een teken van liefde is: wie liefheeft, is jaloers, en omgekeerd. Dat klopt slechts gedeeltelijk. Scherpzinnige observatoren zoals Marcel Proust, Sigmund Freud en René Girard leggen een diepere waarheid bloot: buitensporige jaloezie leert dat de liefde niet altijd centraal staat. Een eerste inzicht is dat er bij elke liefdesrelatie eigenlijk drie personen betrokken zijn: de geliefde, de minnaar en de rivaal. Jaloezie kan dan ook op drie manieren ontsporen. Voor Proust is jaloezie een demon, die opduikt voordat de liefde arriveert. Hij typeert deze emotie in À la recherche du temps perdu. Een jongen ligt doodongelukkig in bed omdat zijn geliefde moeder hem niet komt onderstoppen; ze neemt deel aan een soiree. De jongen voelt zich uitgesloten van een genot waarover hij blijft fantaseren; hij denkt aan 'de plaats waar zij ver weg is', dat zij 'er niet is voor hem en gelukkiger is met anderen dan met hem'. Deze scène wordt de blauwdruk voor alle liefdesrelaties, waarin jaloezie, angst, zelfkwelling en genot samengaan. De jaloerse personages hechten zich aan onbereikbare geliefden. Een liefdevolle, wederzijdse liefde verveelt. Meer nog, de personages vallen voor ' amants' die niet bij hen passen. Ze fantaseren eindeloos over de ontrouw van partners waar ze niet van houden. Zelfs met de dood van de geliefde eindigt de jaloerse verbeelding niet. Bij Proust verhindert jaloezie dus ware liefde: de minnaar verliest zich in fantasieën zonder genegenheid voor die ander te voelen. Freud ontmaskert felle jaloezie vanuit het verlangen van de minnaar. Hij onderscheidt naast een normale jaloezie een geprojecteerde en een pathologische vorm. Bij die twee laatste gevallen vreest de jaloerse partner bedrogen te worden, omdat hij zelf niet te vertrouwen valt. Hij projecteert zijn eigen seksuele verlangens op de ander. Tegelijkertijd beseft hij niet dat hij zelf het idee van overspel genereert. Hij is blind voor zijn eigen verlangens. Hij probeert die innerlijke conflicten op te lossen door de ander obsessief te controleren. Dat leidt tot intense emoties, maar die hebben weinig met liefde te maken. Bij René Girard ontspoort de jaloezie door de obsessie met de rivaal. Girard noemt het verlangen mimetisch: je verlangen ontspringt niet uit je oorspronkelijke bewondering voor de geliefde. Nee, als je verlangt, imiteer je vooral het verlangen van je rivaal. In romantische voorstellingen staat de liefde tussen twee mensen voorop. Maar dat is een leugen. De waarheid over liefde vind je in literaire meesterwerken. Pavel Pavlovitch, bijvoorbeeld, begeert uitgerekend die vrouw die ook door een andere man wordt begeerd. Dostojevski beschrijft deze driehoeksrelatie in De eeuwige echtgenoot. Die jaloezie kan in waanzin uitmonden. Bij jaloezie vrees je genegenheid te moeten delen. Daarmee lijkt jaloezie altijd van liefde te getuigen. Maar jaloerse excessen tonen dat de moralist La Rochefoucauld al gelijk had: 'In de jaloezie is meer eigenliefde dan liefde.' Misschien is die emotie daarom zo ongemakkelijk.