Wetenschappelijk onderzoek naar terrorisme kwam eind jaren zestig van de vorige eeuw van de grond. Van meet af aan heeft het veld een grote interesse getoond in de psychologische karakteristieken en persoonskenmerken van aanslagplegers. Zijn terroristen gewetenloze psychopaten? Ligt de oorzaak van hun gewelddadige gedrag in ego-schade die ze tijdens hun jeugd hebben opgelopen? Zijn aanslagen zoals die door de Duitse Rote Armee Fraktion of de Italiaanse Brigate Rosse werden gepleegd de externe projectie van een generatieconflict?

Decennia later zijn veel van deze theorieën gedateerd. Maar het idee dat terroristen wezenlijk anders zijn dan 'wij' blijft in trek. Dat biedt de geruststellende gedachte dat extreem geweld, zoals we dat recent weer in Spanje hebben gezien, voorbehouden blijft aan een kleine groep inherent slechte mensen. Bovendien moet die veronderstelde 'andersheid' het mogelijk maken om een profiel van de terrorist op te stellen dat gebruikt kan worden om toekomstig geweld te voorkomen. Beide punten berusten echter op het hardnekkige misverstand dat terroristen een categorie aparte vormen.

'Waarom terroristen geen (bruikbaar) profiel hebben'

Psychologisch onderzoek naar terrorisme levert een complex en genuanceerd beeld op van de rol die mentale gezondheidsproblemen kunnen spelen. Zo lijkt het erop dat terroristen die in groepen opereren (de meerderheid) aanzienlijk mínder vaak dan de rest van de bevolking te kampen hebben met dergelijke klachten. Dat is ook logisch; het laatste wat je als terroristische groep kunt gebruiken zijn mensen die labiel of onberekenbaar zijn. Om uit handen van politie- en veiligheidsdiensten te blijven en ondertussen aanslagen te regisseren zijn juist uiterst stressbestendige, capabele en betrouwbare personen vereist. Omgekeerd blijkt dat juist 'eenlingen' veel vaker dan gemiddeld lijden aan psychologische stoornissen.

Wat psychologisch onderzoek niét heeft aangetoond, is dat terroristen door psychopathische neigingen worden gedreven, of een specifiek 'psychologisch profiel' hebben. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar door de bank genomen vertonen terroristen een grote verscheidenheid aan achtergronden en persoonskenmerken. Dat maakt de zoektocht naar een profiel ook zo misleidend. Onder de terroristen die zich de laatste decennia hebben geopenbaard zien we uiteenlopende sociaaleconomische achtergronden, een verscheidenheid aan opleidingsniveaus en mensen mét en zonder relaties of kinderen.

Uiteraard is er onderscheid tussen de verschillende tijdsgewrichten en soort groeperingen; het linkse terrorisme uit de jaren 1960-1980 kende veel studenten, mensen met een middenklasse achtergrond die het in hun optiek opnamen voor wat 'de arbeiders' wilden. Al-Qaeda ontpopte zich als een organisatie waarbinnen hoogopgeleide individuen op verschillende niveaus belangrijke rollen vervulden. IS heeft zich daarentegen meer een populistische terroristische organisatie getoond. Veel van de personen die in naam van deze organisatie aanslagen plegen of naar het zogenaamde kalifaat afreizen, lijken juist uit de lagere sociaaleconomische segmenten van Europese samenlevingen te komen.

Speld in een hooiberg

Deze verscheidenheid aan achtergronden onderstreept hoe onwaarschijnlijk het is dat er ooit een praktisch toepasbaar profiel van 'de' terrorist wordt gevonden. Wat we van de doorsnee terrorist kunnen zeggen is zo algemeen dat het feitelijk onbruikbaar is; de meesten zijn man en de meesten zijn jong. Dat is uiteraard van geen enkele waarde om bijvoorbeeld veiligheidscontroles op luchthavens effectiever te maken of om politiediensten beter in staat te stellen om mogelijke terroristen op te sporen voordat ze kunnen toeslaan. We mogen ook niet vergeten dat terrorisme in feite zeer weinig voorkomt en dat profielen een groot risico van stigmatisering met zich meebrengen. Er zou beargumenteerd kunnen worden dat we in het huidige tijdgewricht ook 'moslim' aan deze kenmerken kunnen toevoegen, maar dan gaan we eraan voorbij dat juist moslims de grootste aantallen slachtoffers vormen van groepen als IS en ook met die toevoeging het nog steeds zoeken is naar een speld in een hooiberg.

Moeilijk verteerbare boodschap

Ten grondslag aan deze zoektocht naar een profiel ligt de dubieuze veronderstelling dat alleen een bepaald 'type' persoon tot geweld in staat is. Als de verschrikkingen van de Twintigste Eeuw één ding hebben duidelijk gemaakt, dan is het dat geweld een vorm van gedrag is waar vrijwel iedereen toe in staat is. Terrorisme is in die zin geen pathologische afwijking maar een herinnering aan de inherente menselijke capaciteit tot wreedheid. Dat dit een moeilijk verteerbare boodschap is valt af te leiden uit de manier waarop regelmatig over de drijfveren van terroristen wordt gerapporteerd. Achterstelling, uitsluiting en een nadruk op geestelijke problemen voeren nog te vaak de boventoon. Kijken we voorbij deze clichés, dan moeten we wellicht erkennen dat deelname aan terrorisme vaker het resultaat is van een bewuste keuze voor een wereldbeeld of ideaal.

Terroristische aanslagen zoals die zich de afgelopen jaren in Europa hebben voorgedaan zijn relatief eenvoudig voor te bereiden maar kunnen groot destructief effect sorteren. Deels daarom blijft de aantrekkingskracht van profileren zo groot; áls we nu eindelijk scherp krijgen wat deze personen onderscheidt, kunnen we zelfs individuen die met simpele middelen zoals personenwagens amok willen maken detecteren en verhinderen. Maar in plaats van een ongrijpbaar profiel na te jagen, zouden we ons moeten richten op gedragingen. Niet zoeken naar wat 'de terrorist' als persoon anders maakt, maar hoe, waar en wanneer hij of zij het pad naar deelname bewandelt. Feitelijke informatie, niet veronderstellingen, moet een rol spelen in de detectie, preventie en reactie op terroristisch geweld.

Wetenschappelijk onderzoek naar terrorisme kwam eind jaren zestig van de vorige eeuw van de grond. Van meet af aan heeft het veld een grote interesse getoond in de psychologische karakteristieken en persoonskenmerken van aanslagplegers. Zijn terroristen gewetenloze psychopaten? Ligt de oorzaak van hun gewelddadige gedrag in ego-schade die ze tijdens hun jeugd hebben opgelopen? Zijn aanslagen zoals die door de Duitse Rote Armee Fraktion of de Italiaanse Brigate Rosse werden gepleegd de externe projectie van een generatieconflict? Decennia later zijn veel van deze theorieën gedateerd. Maar het idee dat terroristen wezenlijk anders zijn dan 'wij' blijft in trek. Dat biedt de geruststellende gedachte dat extreem geweld, zoals we dat recent weer in Spanje hebben gezien, voorbehouden blijft aan een kleine groep inherent slechte mensen. Bovendien moet die veronderstelde 'andersheid' het mogelijk maken om een profiel van de terrorist op te stellen dat gebruikt kan worden om toekomstig geweld te voorkomen. Beide punten berusten echter op het hardnekkige misverstand dat terroristen een categorie aparte vormen.Psychologisch onderzoek naar terrorisme levert een complex en genuanceerd beeld op van de rol die mentale gezondheidsproblemen kunnen spelen. Zo lijkt het erop dat terroristen die in groepen opereren (de meerderheid) aanzienlijk mínder vaak dan de rest van de bevolking te kampen hebben met dergelijke klachten. Dat is ook logisch; het laatste wat je als terroristische groep kunt gebruiken zijn mensen die labiel of onberekenbaar zijn. Om uit handen van politie- en veiligheidsdiensten te blijven en ondertussen aanslagen te regisseren zijn juist uiterst stressbestendige, capabele en betrouwbare personen vereist. Omgekeerd blijkt dat juist 'eenlingen' veel vaker dan gemiddeld lijden aan psychologische stoornissen.Wat psychologisch onderzoek niét heeft aangetoond, is dat terroristen door psychopathische neigingen worden gedreven, of een specifiek 'psychologisch profiel' hebben. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar door de bank genomen vertonen terroristen een grote verscheidenheid aan achtergronden en persoonskenmerken. Dat maakt de zoektocht naar een profiel ook zo misleidend. Onder de terroristen die zich de laatste decennia hebben geopenbaard zien we uiteenlopende sociaaleconomische achtergronden, een verscheidenheid aan opleidingsniveaus en mensen mét en zonder relaties of kinderen. Uiteraard is er onderscheid tussen de verschillende tijdsgewrichten en soort groeperingen; het linkse terrorisme uit de jaren 1960-1980 kende veel studenten, mensen met een middenklasse achtergrond die het in hun optiek opnamen voor wat 'de arbeiders' wilden. Al-Qaeda ontpopte zich als een organisatie waarbinnen hoogopgeleide individuen op verschillende niveaus belangrijke rollen vervulden. IS heeft zich daarentegen meer een populistische terroristische organisatie getoond. Veel van de personen die in naam van deze organisatie aanslagen plegen of naar het zogenaamde kalifaat afreizen, lijken juist uit de lagere sociaaleconomische segmenten van Europese samenlevingen te komen. Deze verscheidenheid aan achtergronden onderstreept hoe onwaarschijnlijk het is dat er ooit een praktisch toepasbaar profiel van 'de' terrorist wordt gevonden. Wat we van de doorsnee terrorist kunnen zeggen is zo algemeen dat het feitelijk onbruikbaar is; de meesten zijn man en de meesten zijn jong. Dat is uiteraard van geen enkele waarde om bijvoorbeeld veiligheidscontroles op luchthavens effectiever te maken of om politiediensten beter in staat te stellen om mogelijke terroristen op te sporen voordat ze kunnen toeslaan. We mogen ook niet vergeten dat terrorisme in feite zeer weinig voorkomt en dat profielen een groot risico van stigmatisering met zich meebrengen. Er zou beargumenteerd kunnen worden dat we in het huidige tijdgewricht ook 'moslim' aan deze kenmerken kunnen toevoegen, maar dan gaan we eraan voorbij dat juist moslims de grootste aantallen slachtoffers vormen van groepen als IS en ook met die toevoeging het nog steeds zoeken is naar een speld in een hooiberg.Ten grondslag aan deze zoektocht naar een profiel ligt de dubieuze veronderstelling dat alleen een bepaald 'type' persoon tot geweld in staat is. Als de verschrikkingen van de Twintigste Eeuw één ding hebben duidelijk gemaakt, dan is het dat geweld een vorm van gedrag is waar vrijwel iedereen toe in staat is. Terrorisme is in die zin geen pathologische afwijking maar een herinnering aan de inherente menselijke capaciteit tot wreedheid. Dat dit een moeilijk verteerbare boodschap is valt af te leiden uit de manier waarop regelmatig over de drijfveren van terroristen wordt gerapporteerd. Achterstelling, uitsluiting en een nadruk op geestelijke problemen voeren nog te vaak de boventoon. Kijken we voorbij deze clichés, dan moeten we wellicht erkennen dat deelname aan terrorisme vaker het resultaat is van een bewuste keuze voor een wereldbeeld of ideaal.Terroristische aanslagen zoals die zich de afgelopen jaren in Europa hebben voorgedaan zijn relatief eenvoudig voor te bereiden maar kunnen groot destructief effect sorteren. Deels daarom blijft de aantrekkingskracht van profileren zo groot; áls we nu eindelijk scherp krijgen wat deze personen onderscheidt, kunnen we zelfs individuen die met simpele middelen zoals personenwagens amok willen maken detecteren en verhinderen. Maar in plaats van een ongrijpbaar profiel na te jagen, zouden we ons moeten richten op gedragingen. Niet zoeken naar wat 'de terrorist' als persoon anders maakt, maar hoe, waar en wanneer hij of zij het pad naar deelname bewandelt. Feitelijke informatie, niet veronderstellingen, moet een rol spelen in de detectie, preventie en reactie op terroristisch geweld.