Ik was de afgelopen week op uitnodiging in Spanje. Het was de week van 11 maart, de dag waarop nu alweer dertien jaar terug het Jihadistisch terrorisme in Europa werd geïntroduceerd. Toen ik langs Atocha liep, het station waar de meeste slachtoffers waren gevallen, deed niets meer vermoeden aan de angst, en later de onzekerheid en politieke onenigheid over de oorsprong van de aanslagen.

Toch hebben de aanslagen in Madrid veel losgemaakt, in Spanje en in Europa, ten goede en ten kwade. Het betekende onder meer het begin van vele nationale initiatieven om vanuit overheidswege terrorisme aan te pakken, en het versterkte het bewustzijn van het belang van Europese samenwerking om terrorisme te bestrijden. Maar juist in Spanje betekende het ook een bron van politieke meningsverschillen.

Het is deze maand niet alleen dertien jaar Once de Marzo. Het is natuurlijk ook de maand van een jaar geleden, van de aanslagen op Zaventum en het metrostation Maalbeek in Brussel, van 22/3. Ondanks alle pogingen om terrorisme uit te bannen sinds die verschrikkelijke dag in Madrid, bleek het voor de Jihadisten, nu in naam van de "Islamitische Staat", toch weer mogelijk om Europa in het hart te kunnen treffen.

Twee dagen in maart, met twaalf jaar ertussen. Er lijkt welhaast hetzelfde te zijn gebeurd. Nog altijd blijkt ook in Europa de Jihadistische strijd te woeden; ondanks al die nieuwe bestuurlijke eenheden en Europese samenwerkingsverbanden die hier een einde aan zouden moeten maken. En de doelwitten die ze daarbij uitkozen, lijken nog altijd hetzelfde. Treinen, stations, en luchthavens: Openbaar vervoer blijkt nog steeds bij uitstek een doelwit.

'Waarom terrorisme bovenal psychologische oorlogsvoering is'

Bij stations of luchthavens gaat het om plaatsen waar veel mensen vluchtig samenkomen, bepakt en bezakt, soms rennend om de trein of het vliegtuig te halen. Hier is het heel makkelijk om ergens een bom te verstoppen, en is het veelal moeilijker om wel dan niet op te vallen. Bovendien, een aanslag kan het verkeer voor weken en veelal maanden ontregelen, waardoor er in deze periode voortdurende herinnering is aan de gebeurtenissen. En wie met regelmaat het openbaar vervoer neemt kan makkelijk het psychologische effect van een aanslag in een metro, trein, of op een vliegveld inleven. Iedere vreemde die tegenover je zit, kan in zijn koffer een bom hebben, en waarom verbergt de reiziger naast mij zijn gezicht met een capuchon?

Effect over een lange tijd

Zo ontvouwt het effect van een aanslag zoals die op Zaventem en Maalbeek, of op Atocha en omliggende stations, zich over een langere tijd, en het ontvouwt zich over een langere tijd om het effect psychologisch is. Het is juist dit psychologische aspect dat van groot belang is voor het begrip van terrorisme, en waarom het de werking heeft die het heeft.

Terroristische aanslagen nestelen zich in ons hoofd. Terrorisme is bovenal psychologische oorlogsvoering. Terroristische aanslagen vormen in het oog springende gebeurtenissen, die veel moeilijke vragen aan ons opdringen. Waarom zou iemand zichzelf willen opblazen om het eigen gelijk te krijgen? En waarom zijn het nu juist deze slachtoffers die dodelijk getroffen zijn? Terroristische aanslagen zijn gemaakt om angst op ter roepen. Ze tonen aan dat op een gewone werkdag, in een van de meest ontwikkelde en beveiligde gebieden ter wereld, het leven zomaar een dramatische wending kan nemen, zo niet kan eindigen.

Uit de psychologie is veel bekend over de werking van angst, en de gedragingen die het kan oproepen. Angst is vooral een reactie op een bedreiging waarvan de precieze aard moeilijk kan worden ingeschat. We ervaren vrees als we weten waar we bang voor moeten zijn, maar angst als we de dreiging niet direct kunnen waarnemen of voorstellen maar toch voelbaar is. Angst zet ons aan tot voortdurende waakzaamheid, en leidt ertoe dat we met grotere haast inschattingen maken of iets een gevaar vormt of niet, en bij het zien van gevaar moeten we beslissen of zullen vechten of vluchten. Bij het maken van inschatting van gevaar is overschatting van het gevaar veiliger dan het onderschatting, better safe than sorry.

Maar daarmee kan angst ook zijn eigen werkelijkheid scheppen. Omdat angst het signaal vormt om vast te stellen of we gevaar lopen, kijken we ook meer naar gevaarlijke situaties. Omdat we meer naar gevaarlijke situaties kijken, zien we vervolgens meer dreiging, en ervaren we meer angst.

Zo brengt ook terrorisme het risico met zich mee dat het een eigen, angstige werkelijkheid wordt geschapen. En daarin schuilt de belangrijkste angel van het terrorisme. Er hoeven helemaal geen aanslagen te worden gepleegd om toch het gewenste effect te hebben op de samenleving. Zolang de angst voor een terroristische aanslag er maar is, is er een maatschappelijke werkelijkheid waarin het vermogen van de overheid om iets aan terrorisme te doen voortdurend ter discussie staat, en waarin bevolkingsgroepen uiteen worden gedreven. De "ander" kan ieder moment een aanslag plegen.

De aanslagen in Madrid waren de aanleiding om omvangrijke nationale en Europese samenwerkingsverbanden op het gebied van terrorismebestrijding op te zetten, en de aanslagen in Brussel van een jaar geleden weer een herinnering van het belang hiervan. Maar bij die initiatieven ligt de nadruk vooralsnog op het bestrijden van de daders, en wordt nog weinig gedaan het psychologische effect van terrorisme.

En dat is een gemis. Terrorisme is een vorm van psychologische oorlogsvoering, en de psyche van de slachtoffers van terroristische aanslagen kan het belangrijkste wapen vormen tegen radicaal politiek geweld. Een gesterkte, weerbare geest kan ervoor zorgen dat aanslagen niet een nieuwe sociale werkelijkheid betekent, waarbij een aanslag overal op de loer ligt en waarbij achter ieder andersdenkende en anders uitziende een aanslagpleger kan worden vermoed. Daarmee mag natuurlijk nooit voorbij worden gegaan aan het leed van de naasten van overledenen en van gewonden bij een terroristische aanslag. Maar effectieve, inclusieve communicatie, de manier waarop de verantwoordelijke veiligheidsinstanties hun werk uitvoeren en naar buiten uitdragen, en de wijze waarop in de media over aanslagen verslag wordt gedaan, kunnen in belangrijke mate ertoe bijdragen dat terroristische aanslagen niet de door de terroristen beoogde beklemmende werking hebben op de samenleving en op individuele burgers.

Omgaan met aanslagen

Uit de psychologie is bekend dat vooral de vermogens om kalmte te bewaren, om een veilig heenkomen te vinden, om je te verbinden met lotgenoten, om zelfvertrouwen te behouden, en optimistisch te blijven, bijdragen aan een snel mentaal herstel na confrontatie met rampen en andere traumatische gebeurtenissen. Deze elementen lijken ook essentieel om terroristische aanslagen om te gaan. Het kan het verschil maken of iemand steeds banger wordt na iedere aanslag, of dat er juist een bepaalde gevoel van berusting optreedt (de kans op een aanslag blijft immers vooralsnog erg klein).

Dertien jaar na Madrid, en een jaar na Brussel, is het wellicht de tijd om meer dan nu te erkennen dat we bij terrorisme te maken hebben met een in belangrijke mate psychologisch verschijnsel. Terrorismebestrijding kan hier nog belangrijke stappen in zetten.

Dr. Mark Dechesne is als Universitair Hoofddocent verbonden aan de Universiteit Leiden - Faculty of Governance and Global Affairs. Hij begint vanaf mei als teamleider aan het Europese Horizon 2020 project "Dialogue about Radicalization and Equality" (DARE) om de effecten van maatschappelijke polarisatie op radicalisering te bestuderen.

Ik was de afgelopen week op uitnodiging in Spanje. Het was de week van 11 maart, de dag waarop nu alweer dertien jaar terug het Jihadistisch terrorisme in Europa werd geïntroduceerd. Toen ik langs Atocha liep, het station waar de meeste slachtoffers waren gevallen, deed niets meer vermoeden aan de angst, en later de onzekerheid en politieke onenigheid over de oorsprong van de aanslagen. Toch hebben de aanslagen in Madrid veel losgemaakt, in Spanje en in Europa, ten goede en ten kwade. Het betekende onder meer het begin van vele nationale initiatieven om vanuit overheidswege terrorisme aan te pakken, en het versterkte het bewustzijn van het belang van Europese samenwerking om terrorisme te bestrijden. Maar juist in Spanje betekende het ook een bron van politieke meningsverschillen.Het is deze maand niet alleen dertien jaar Once de Marzo. Het is natuurlijk ook de maand van een jaar geleden, van de aanslagen op Zaventum en het metrostation Maalbeek in Brussel, van 22/3. Ondanks alle pogingen om terrorisme uit te bannen sinds die verschrikkelijke dag in Madrid, bleek het voor de Jihadisten, nu in naam van de "Islamitische Staat", toch weer mogelijk om Europa in het hart te kunnen treffen. Twee dagen in maart, met twaalf jaar ertussen. Er lijkt welhaast hetzelfde te zijn gebeurd. Nog altijd blijkt ook in Europa de Jihadistische strijd te woeden; ondanks al die nieuwe bestuurlijke eenheden en Europese samenwerkingsverbanden die hier een einde aan zouden moeten maken. En de doelwitten die ze daarbij uitkozen, lijken nog altijd hetzelfde. Treinen, stations, en luchthavens: Openbaar vervoer blijkt nog steeds bij uitstek een doelwit. Bij stations of luchthavens gaat het om plaatsen waar veel mensen vluchtig samenkomen, bepakt en bezakt, soms rennend om de trein of het vliegtuig te halen. Hier is het heel makkelijk om ergens een bom te verstoppen, en is het veelal moeilijker om wel dan niet op te vallen. Bovendien, een aanslag kan het verkeer voor weken en veelal maanden ontregelen, waardoor er in deze periode voortdurende herinnering is aan de gebeurtenissen. En wie met regelmaat het openbaar vervoer neemt kan makkelijk het psychologische effect van een aanslag in een metro, trein, of op een vliegveld inleven. Iedere vreemde die tegenover je zit, kan in zijn koffer een bom hebben, en waarom verbergt de reiziger naast mij zijn gezicht met een capuchon? Zo ontvouwt het effect van een aanslag zoals die op Zaventem en Maalbeek, of op Atocha en omliggende stations, zich over een langere tijd, en het ontvouwt zich over een langere tijd om het effect psychologisch is. Het is juist dit psychologische aspect dat van groot belang is voor het begrip van terrorisme, en waarom het de werking heeft die het heeft. Terroristische aanslagen nestelen zich in ons hoofd. Terrorisme is bovenal psychologische oorlogsvoering. Terroristische aanslagen vormen in het oog springende gebeurtenissen, die veel moeilijke vragen aan ons opdringen. Waarom zou iemand zichzelf willen opblazen om het eigen gelijk te krijgen? En waarom zijn het nu juist deze slachtoffers die dodelijk getroffen zijn? Terroristische aanslagen zijn gemaakt om angst op ter roepen. Ze tonen aan dat op een gewone werkdag, in een van de meest ontwikkelde en beveiligde gebieden ter wereld, het leven zomaar een dramatische wending kan nemen, zo niet kan eindigen.Uit de psychologie is veel bekend over de werking van angst, en de gedragingen die het kan oproepen. Angst is vooral een reactie op een bedreiging waarvan de precieze aard moeilijk kan worden ingeschat. We ervaren vrees als we weten waar we bang voor moeten zijn, maar angst als we de dreiging niet direct kunnen waarnemen of voorstellen maar toch voelbaar is. Angst zet ons aan tot voortdurende waakzaamheid, en leidt ertoe dat we met grotere haast inschattingen maken of iets een gevaar vormt of niet, en bij het zien van gevaar moeten we beslissen of zullen vechten of vluchten. Bij het maken van inschatting van gevaar is overschatting van het gevaar veiliger dan het onderschatting, better safe than sorry. Maar daarmee kan angst ook zijn eigen werkelijkheid scheppen. Omdat angst het signaal vormt om vast te stellen of we gevaar lopen, kijken we ook meer naar gevaarlijke situaties. Omdat we meer naar gevaarlijke situaties kijken, zien we vervolgens meer dreiging, en ervaren we meer angst. Zo brengt ook terrorisme het risico met zich mee dat het een eigen, angstige werkelijkheid wordt geschapen. En daarin schuilt de belangrijkste angel van het terrorisme. Er hoeven helemaal geen aanslagen te worden gepleegd om toch het gewenste effect te hebben op de samenleving. Zolang de angst voor een terroristische aanslag er maar is, is er een maatschappelijke werkelijkheid waarin het vermogen van de overheid om iets aan terrorisme te doen voortdurend ter discussie staat, en waarin bevolkingsgroepen uiteen worden gedreven. De "ander" kan ieder moment een aanslag plegen. De aanslagen in Madrid waren de aanleiding om omvangrijke nationale en Europese samenwerkingsverbanden op het gebied van terrorismebestrijding op te zetten, en de aanslagen in Brussel van een jaar geleden weer een herinnering van het belang hiervan. Maar bij die initiatieven ligt de nadruk vooralsnog op het bestrijden van de daders, en wordt nog weinig gedaan het psychologische effect van terrorisme. En dat is een gemis. Terrorisme is een vorm van psychologische oorlogsvoering, en de psyche van de slachtoffers van terroristische aanslagen kan het belangrijkste wapen vormen tegen radicaal politiek geweld. Een gesterkte, weerbare geest kan ervoor zorgen dat aanslagen niet een nieuwe sociale werkelijkheid betekent, waarbij een aanslag overal op de loer ligt en waarbij achter ieder andersdenkende en anders uitziende een aanslagpleger kan worden vermoed. Daarmee mag natuurlijk nooit voorbij worden gegaan aan het leed van de naasten van overledenen en van gewonden bij een terroristische aanslag. Maar effectieve, inclusieve communicatie, de manier waarop de verantwoordelijke veiligheidsinstanties hun werk uitvoeren en naar buiten uitdragen, en de wijze waarop in de media over aanslagen verslag wordt gedaan, kunnen in belangrijke mate ertoe bijdragen dat terroristische aanslagen niet de door de terroristen beoogde beklemmende werking hebben op de samenleving en op individuele burgers. Uit de psychologie is bekend dat vooral de vermogens om kalmte te bewaren, om een veilig heenkomen te vinden, om je te verbinden met lotgenoten, om zelfvertrouwen te behouden, en optimistisch te blijven, bijdragen aan een snel mentaal herstel na confrontatie met rampen en andere traumatische gebeurtenissen. Deze elementen lijken ook essentieel om terroristische aanslagen om te gaan. Het kan het verschil maken of iemand steeds banger wordt na iedere aanslag, of dat er juist een bepaalde gevoel van berusting optreedt (de kans op een aanslag blijft immers vooralsnog erg klein). Dertien jaar na Madrid, en een jaar na Brussel, is het wellicht de tijd om meer dan nu te erkennen dat we bij terrorisme te maken hebben met een in belangrijke mate psychologisch verschijnsel. Terrorismebestrijding kan hier nog belangrijke stappen in zetten.Dr. Mark Dechesne is als Universitair Hoofddocent verbonden aan de Universiteit Leiden - Faculty of Governance and Global Affairs. Hij begint vanaf mei als teamleider aan het Europese Horizon 2020 project "Dialogue about Radicalization and Equality" (DARE) om de effecten van maatschappelijke polarisatie op radicalisering te bestuderen.