De klimaatverstoring is een prangende kwestie. Verschillende technologische oplossingen zijn bekend en het draagvlak om deze toe te passen is groot. Waarom is een afdoende reactie dan toch zo moeilijk? Historisch onderzoek wijst in de richting van ongelijkheid. Ecologische uitdagingen en sociale structuren worden nochtans niet vaak aan elkaar gelinkt. Zo wordt vanuit een zeer pragmatische en technocratische houding een vermindering van de CO2-uitstoot als oplossing voor de opwarming van de aarde naar voren geschoven.

'Waarom ongelijkheid het klimaat bedreigt'

De praktijk is echter weerbarstiger. Het doorvoeren van maatregelen kan immers worden verhinderd door obstructies zoals ongelijkheid. Zolang de ongelijkheid niet wordt aangepakt, zullen ook technocratische oplossingen weinig worden toegepast. Onderzoekers hebben er reeds meermaals op gewezen dat ecologische problemen niet enkel een natuurlijke oorsprong hebben, maar eveneens direct verbonden zijn met de sociale structuur van onze samenleving. Dat armere groepen of landen kwetsbaarder zijn is reeds langer bekend. Een dramatische illustratie van dit verband is het buitensporige aantal slachtoffers bij armere groepen en minderheden na Orkaan Katrina in 2005. De link tussen ongelijkheid en ecologische kwetsbaarheid is echter nog fundamenteler. Ongelijkheid heeft een grote impact op onze mogelijkheid om ecologische problemen te voorzien, juist in te schatten en er effectief op te reageren.

Geschiedenis als laboratorium om de impact van sociale structuren op ecologische kwetsbaarheid te bestuderen

Deze stelling wordt duidelijk als we een blik werpen op het verleden. De geschiedenis dient als laboratorium om de impact van sociale structuren op ecologische kwetsbaarheid te bestuderen. Door een langetermijnperspectief kunnen de gevolgen van ongelijkheid zorgvuldig worden geanalyseerd. Ecologische problemen zijn geen modern fenomeen. Het is daarom relevant om te kijken hoe historische maatschappijen omgingen met gelijkaardige ecologische problemen.

Een van de sluipende ecologische bedreigingen waar grote delen van Europa en Amerika eeuwen mee kampten, waren zandverstuivingen. Dankzij John Steinbeck zijn de zandstormen van de American Dust bowl bekend geraakt bij het grote publiek. Het fenomeen -weliswaar op kleinere schaal- was echter ook bekend in Europa vóór de 20ste eeuw. Net zoals bij onze klimaatcrisis zijn zandverstuivingen het gevolg van maatschappelijke keuzes en menselijk handelen en zijn de effecten niet meteen voelbaar. Zonder preventieve maatregelen kunnen deze kleinschalige verstuivingen uitgroeien tot stofstormen die het productieve land vernielen.

Eenzelfde ecologische bedreiging leidt niet noodzakelijk tot dezelfde rampspoed

Een vergelijking van onze Antwerpse Kempen met de Brecklands in East Anglia (Engeland), toont dat eenzelfde ecologische bedreiging niet tot dezelfde rampspoed leidt. In de Kempen wisten de lokale gemeenschappen zich te beschermen tegen zandverstuivingen (dankzij windbrekers, beplantingen en randwalduinen). Als gevolg hiervan bleven desastreuze zandverstuivingen tussen 1300 en 1700 beperkt. De Brecklands werden daarentegen getroffen door opeenvolgende periodes van zandverstuivingen, met de beruchtste in 1668 die Downham van de kaart veegde en transformeerde in Santon (Sandy) Downham. Nochtans hadden beide gebieden dezelfde technologische oplossingen tot hun beschikking.

Wat kan de verschillende respons verklaren? Het verschil tussen de Kempen en de Brecklands is niet terug te voeren op bodemcapaciteit, klimaat of bevolkingsdruk, maar is een gevolg van de ongelijkheid en sociale structuur van de verschillende maatschappijen. Dankzij hertooglijke privileges en sterke bezitsrechten bleven de Kempen uitzonderlijk egalitair op vlak van welvaartsongelijkheid en inspraak in het lokale bestuur. De Brecklands werden door feodale overmacht en zwakke bezitsclaims van de lokale boeren, sterk gepolariseerd. Tijdens de 17de eeuw bezat het rijkste deciel van de bevolking 72% van de totale rijkdom, en de elite domineerde het politieke leven. Zij introduceerden grootschalige konijnenkwekerijen en schaapskuddes die het landschap kaal graasden en degradeerden.

Ongelijkheid verhinderde een adequaat antwoord op ecologische uitdagingen

Het machtsevenwicht in de Kempen creëerde een collectief beheer van het landschap, een proto-democratisch debat en een duurzaam beheer van de heide doordat alle belangengroepen in de maatschappij konden wegen op het beleid. De landbouwers die volledig afhankelijk waren van een ecologisch divers en duurzaam beheerd landschap, konden onduurzame praktijken afweren dankzij hun sterke sociale, economische en politieke situatie.

In de Brecklands was de sociaaleconomische en politieke ongelijkheid uitgegroeid tot zulke proporties, dat de belangen van de lokale landbouwers genegeerd konden worden. De voortschrijdende ecologische degradatie op zich was geen hindernis voor de elites, aangezien hun winsten op peil bleven. De verstuivende heidevelden vormden een ideale habitat voor de konijnen en pels was het pluizige goud van East Anglia. Kortom, waar ongelijkheid in de Brecklands een adequaat antwoord op een ecologische uitdaging verhinderde, slaagden de meer egalitaire Kempen erin om een ecologische ramp te vermijden.

Eenzelfde dynamiek zien we dankzij het onderzoek van Tim Soens (UA) terug in de Vlaamse kuststreek en Antwerpse polders. In deze amfibische maatschappijen werd het middeleeuwse poldersysteem van collectief en efficiënt waterbeheer uitgehold door de komst van stedelijke investeerders en grootgrondbezitters. Deze elites konden hun winsten verhogen door niet te investeren in het duurzame beheer. De hoge kortetermijnwinsten waren voldoende om daarna een nieuwe investering uit te kiezen. Als gevolg daarvan werden deze gebieden steeds meer geteisterd door desastreuze overstromingen.

Ongelijkheid verdient meer aandacht bij de aanpak van ecologische problemen in de toekomst

Hoe zit het met de ongelijkheid vandaag? Volgens Thomas Piketty, auteur van 'Kapitaal in de 21ste eeuw', evolueert de welvaartsongelijkheid terug richting het niveau van de 18de en 19de eeuw. Dit beeld wordt kracht bijgezet door wetenschappers zoals Branko Milanovic, auteur van 'Wereldwijde Ongelijkheid', die de stijgende sociaaleconomische en politieke ongelijkheid onderzoekt. Na een periode van dalende ongelijkheid, neemt de positie van de middenklasse weer af. Kapitaal wordt geconcentreerd in de handen van een elite en de politieke slagkracht van de middenklasse en armere groepen in de maatschappij gaat geleidelijk achteruit. Volgens Branko Milanovic leidt deze groeiende ongelijkheid tot een plutocratie, waarbij het beleid afgestemd wordt op de zorgen en belangen van de elite. De wereld lijkt elke dag meer op de vroegmoderne Brecklands in plaats van de vroegmoderne Kempen.

Deze evolutie kan een fundamentele impact hebben op onze mogelijkheid om adequaat te reageren op ecologische uitdagingen, zoals de klimaatcrisis. Technologische oplossingen zijn niet voldoende, zoals het verleden toont. Zowel in de Kempen als Brecklands was de technologie beschikbaar om de ecologische dreiging af te wenden. Maar het inschakelen van preventieve maatregelen, technologische oplossingen en duurzame strategieën kan worden tegengehouden wanneer dit niet in het belang is van een elitegroep die voor zijn economische positie afhankelijk is van onduurzame maatregelen en productiemethoden. Deze destructieve houding wordt eveneens beschreven door Wilkinson & Pickett. Volgens deze auteurs gaan egalitaire maatschappen beter om met duurzaamheidkwesties omdat ze minder statusdwang en ongebreidelde consumptiedrift hebben. Enkel wanneer de kloof tussen de elite en de andere belangengroepen klein genoeg is, kunnen andere belangen sterk genoeg doorwegen om een evenwichtig en duurzaam beleid vorm te geven. Net daarom verdient ongelijkheid meer aandacht bij de aanpak van ecologische problemen in de toekomst.

Maïka De Keyzer is Post doc aan de Universiteit Utrecht en kernlid van denktank Minerva.

De klimaatverstoring is een prangende kwestie. Verschillende technologische oplossingen zijn bekend en het draagvlak om deze toe te passen is groot. Waarom is een afdoende reactie dan toch zo moeilijk? Historisch onderzoek wijst in de richting van ongelijkheid. Ecologische uitdagingen en sociale structuren worden nochtans niet vaak aan elkaar gelinkt. Zo wordt vanuit een zeer pragmatische en technocratische houding een vermindering van de CO2-uitstoot als oplossing voor de opwarming van de aarde naar voren geschoven. De praktijk is echter weerbarstiger. Het doorvoeren van maatregelen kan immers worden verhinderd door obstructies zoals ongelijkheid. Zolang de ongelijkheid niet wordt aangepakt, zullen ook technocratische oplossingen weinig worden toegepast. Onderzoekers hebben er reeds meermaals op gewezen dat ecologische problemen niet enkel een natuurlijke oorsprong hebben, maar eveneens direct verbonden zijn met de sociale structuur van onze samenleving. Dat armere groepen of landen kwetsbaarder zijn is reeds langer bekend. Een dramatische illustratie van dit verband is het buitensporige aantal slachtoffers bij armere groepen en minderheden na Orkaan Katrina in 2005. De link tussen ongelijkheid en ecologische kwetsbaarheid is echter nog fundamenteler. Ongelijkheid heeft een grote impact op onze mogelijkheid om ecologische problemen te voorzien, juist in te schatten en er effectief op te reageren. Deze stelling wordt duidelijk als we een blik werpen op het verleden. De geschiedenis dient als laboratorium om de impact van sociale structuren op ecologische kwetsbaarheid te bestuderen. Door een langetermijnperspectief kunnen de gevolgen van ongelijkheid zorgvuldig worden geanalyseerd. Ecologische problemen zijn geen modern fenomeen. Het is daarom relevant om te kijken hoe historische maatschappijen omgingen met gelijkaardige ecologische problemen. Een van de sluipende ecologische bedreigingen waar grote delen van Europa en Amerika eeuwen mee kampten, waren zandverstuivingen. Dankzij John Steinbeck zijn de zandstormen van de American Dust bowl bekend geraakt bij het grote publiek. Het fenomeen -weliswaar op kleinere schaal- was echter ook bekend in Europa vóór de 20ste eeuw. Net zoals bij onze klimaatcrisis zijn zandverstuivingen het gevolg van maatschappelijke keuzes en menselijk handelen en zijn de effecten niet meteen voelbaar. Zonder preventieve maatregelen kunnen deze kleinschalige verstuivingen uitgroeien tot stofstormen die het productieve land vernielen. Een vergelijking van onze Antwerpse Kempen met de Brecklands in East Anglia (Engeland), toont dat eenzelfde ecologische bedreiging niet tot dezelfde rampspoed leidt. In de Kempen wisten de lokale gemeenschappen zich te beschermen tegen zandverstuivingen (dankzij windbrekers, beplantingen en randwalduinen). Als gevolg hiervan bleven desastreuze zandverstuivingen tussen 1300 en 1700 beperkt. De Brecklands werden daarentegen getroffen door opeenvolgende periodes van zandverstuivingen, met de beruchtste in 1668 die Downham van de kaart veegde en transformeerde in Santon (Sandy) Downham. Nochtans hadden beide gebieden dezelfde technologische oplossingen tot hun beschikking.Wat kan de verschillende respons verklaren? Het verschil tussen de Kempen en de Brecklands is niet terug te voeren op bodemcapaciteit, klimaat of bevolkingsdruk, maar is een gevolg van de ongelijkheid en sociale structuur van de verschillende maatschappijen. Dankzij hertooglijke privileges en sterke bezitsrechten bleven de Kempen uitzonderlijk egalitair op vlak van welvaartsongelijkheid en inspraak in het lokale bestuur. De Brecklands werden door feodale overmacht en zwakke bezitsclaims van de lokale boeren, sterk gepolariseerd. Tijdens de 17de eeuw bezat het rijkste deciel van de bevolking 72% van de totale rijkdom, en de elite domineerde het politieke leven. Zij introduceerden grootschalige konijnenkwekerijen en schaapskuddes die het landschap kaal graasden en degradeerden. Het machtsevenwicht in de Kempen creëerde een collectief beheer van het landschap, een proto-democratisch debat en een duurzaam beheer van de heide doordat alle belangengroepen in de maatschappij konden wegen op het beleid. De landbouwers die volledig afhankelijk waren van een ecologisch divers en duurzaam beheerd landschap, konden onduurzame praktijken afweren dankzij hun sterke sociale, economische en politieke situatie. In de Brecklands was de sociaaleconomische en politieke ongelijkheid uitgegroeid tot zulke proporties, dat de belangen van de lokale landbouwers genegeerd konden worden. De voortschrijdende ecologische degradatie op zich was geen hindernis voor de elites, aangezien hun winsten op peil bleven. De verstuivende heidevelden vormden een ideale habitat voor de konijnen en pels was het pluizige goud van East Anglia. Kortom, waar ongelijkheid in de Brecklands een adequaat antwoord op een ecologische uitdaging verhinderde, slaagden de meer egalitaire Kempen erin om een ecologische ramp te vermijden.Eenzelfde dynamiek zien we dankzij het onderzoek van Tim Soens (UA) terug in de Vlaamse kuststreek en Antwerpse polders. In deze amfibische maatschappijen werd het middeleeuwse poldersysteem van collectief en efficiënt waterbeheer uitgehold door de komst van stedelijke investeerders en grootgrondbezitters. Deze elites konden hun winsten verhogen door niet te investeren in het duurzame beheer. De hoge kortetermijnwinsten waren voldoende om daarna een nieuwe investering uit te kiezen. Als gevolg daarvan werden deze gebieden steeds meer geteisterd door desastreuze overstromingen.Hoe zit het met de ongelijkheid vandaag? Volgens Thomas Piketty, auteur van 'Kapitaal in de 21ste eeuw', evolueert de welvaartsongelijkheid terug richting het niveau van de 18de en 19de eeuw. Dit beeld wordt kracht bijgezet door wetenschappers zoals Branko Milanovic, auteur van 'Wereldwijde Ongelijkheid', die de stijgende sociaaleconomische en politieke ongelijkheid onderzoekt. Na een periode van dalende ongelijkheid, neemt de positie van de middenklasse weer af. Kapitaal wordt geconcentreerd in de handen van een elite en de politieke slagkracht van de middenklasse en armere groepen in de maatschappij gaat geleidelijk achteruit. Volgens Branko Milanovic leidt deze groeiende ongelijkheid tot een plutocratie, waarbij het beleid afgestemd wordt op de zorgen en belangen van de elite. De wereld lijkt elke dag meer op de vroegmoderne Brecklands in plaats van de vroegmoderne Kempen. Deze evolutie kan een fundamentele impact hebben op onze mogelijkheid om adequaat te reageren op ecologische uitdagingen, zoals de klimaatcrisis. Technologische oplossingen zijn niet voldoende, zoals het verleden toont. Zowel in de Kempen als Brecklands was de technologie beschikbaar om de ecologische dreiging af te wenden. Maar het inschakelen van preventieve maatregelen, technologische oplossingen en duurzame strategieën kan worden tegengehouden wanneer dit niet in het belang is van een elitegroep die voor zijn economische positie afhankelijk is van onduurzame maatregelen en productiemethoden. Deze destructieve houding wordt eveneens beschreven door Wilkinson & Pickett. Volgens deze auteurs gaan egalitaire maatschappen beter om met duurzaamheidkwesties omdat ze minder statusdwang en ongebreidelde consumptiedrift hebben. Enkel wanneer de kloof tussen de elite en de andere belangengroepen klein genoeg is, kunnen andere belangen sterk genoeg doorwegen om een evenwichtig en duurzaam beleid vorm te geven. Net daarom verdient ongelijkheid meer aandacht bij de aanpak van ecologische problemen in de toekomst.Maïka De Keyzer is Post doc aan de Universiteit Utrecht en kernlid van denktank Minerva.