Als tiener was ik vatbaar voor een ontroostbaarheid die ik nu niet meer voel, al heb ik er nu meer reden toe. Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik met een vriend in een restaurant zat. Buiten was het koud en donker. Aan een andere tafel zag ik een oude vrouw alleen eten. Een diep gevoel van droefheid overviel me. Ik had zin om te huilen.
...

Als tiener was ik vatbaar voor een ontroostbaarheid die ik nu niet meer voel, al heb ik er nu meer reden toe. Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik met een vriend in een restaurant zat. Buiten was het koud en donker. Aan een andere tafel zag ik een oude vrouw alleen eten. Een diep gevoel van droefheid overviel me. Ik had zin om te huilen. In Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling (1819) vond ik een mogelijke uitleg voor mijn droefheid: in je medelijden voor de ander, beween je je eigen lot. Als je zelf huilt, voel je niet zozeer een rechtstreekse weerslag van pijn. Je huilt eerder omdat je jezelf ziet lijden. En ik, in dit geval, huilde bijna, omdat ik vermoedde dat de vrouw eenzaam en ongelukkig was, toen ik haar zag zitten. Schopenhauer zou me geprezen hebben: al ween ik niet omwille van de ander, maar uit zelfmedelijden, toch word ik op zo'n moment overvallen door het droeve lot van de mensheid als geheel. En dat is een goede zaak, meent de filosoof: door de kennis van andermans lijden ben je in staat tot goede daden, tot onbaatzuchtige liefde ( agapè). Zuivere liefde, medelijden en een gevoel van ontroostbaarheid gaan dus samen. Schopenhauers uitleg hield steek voor mij tot ik in Aldous Huxleys Island (1962) een radicaal andere visie op (zelf)medelijden, troost en lijden aantrof. De roman is Huxleys optimistische tegenhanger van zijn dystopische roman, Brave New World (1932). Huxley verwerkt er zijn kijk in op de oosterse filosofie. Op het eiland Pala leven mensen wel gelukkig dankzij filosofie, wetenschap en techniek, want ze passen een soort levenswijsheid toe. Maar de gestrande, Engelse journalist Will Farnaby geeft daar niets om. Hij is een cynicus, en in Pala wil hij grof geld verdienen door oliebronnen te ontginnen. Het boek opent met een scène die Huxleys afkeer van de westerse visie op (zelf)medelijden illustreert. Farnaby maakt een lelijke val uit een boom. Terwijl hij kermend op de grond ligt, overdenkt hij zijn ongelukkige leven: zijn harde job, zijn mislukte huwelijk, zijn vreselijke jeugd. Hij doet wat Schopenhauer beschrijft: hij huilt niet zozeer door de fysieke pijn, maar omdat hij zichzelf ziet lijden, in een aaneenschakeling van erbarmelijke levensmomenten. Farnaby lijkt ontroostbaar, tot een jong, oosters meisje hem vindt. 'Wat zou je moeder gedaan hebben om je te troosten?', vraagt ze. 'Ze zou me in haar armen hebben genomen en "jij, arme, kleine baby hebben gezegd'", antwoordt Farnaby. Het meisje reageert met afschuw: 'Dat maakt het alleen erger! Want als je moeder je een arm kind noemt, blijft de pijn uren duren.' Geen enkel leed mag voorwendsel zijn voor zelfmedelijden, zegt een wijze vrouw, wat verder in de roman. Je moet je pijn wel eerlijk aan jezelf toegeven, maar je mag jezelf niet bejammeren. Want zelfbeklag vergroot de ellende. Daarbij helpt meditatie om troost en verzoening te brengen. Tijdens een meeslepende oefening gidst deze wijze vrouw Farnaby doorheen zijn fysieke pijn. Ze leidt hem weg van zijn bekrompen perspectief. Ze laat hem in zijn verbeelding meedrijven op de rivier van het altijd veranderende leven. Langzaam voelt Farnaby een diepe rust over zich heen komen. Want het enige wat telt, is wat er op het moment zelf gebeurt. Op Pala worden vogels getraind om 'hier en nu' te roepen. Zo helpen ze de bewoners om hun aandacht op de realiteit te houden. Meditatie remt een overactieve verbeelding, want die kan het (zelf)medelijden juist aanwakkeren. Toen ik die oudere dame in het restaurant aankeek, had ik me ook door mijn eigen verbeelding laten meeslepen, besefte ik. Maar dat is niet noodzakelijk diepzinnig of nobel, leert Huxley. Het is ongetwijfeld menselijk om je eigen lot via een omweg te bewenen. Maar van wijsheid getuigt het niet.