Vergiffenis schenken vind ik een moeilijke morele taak. Niet dat ik wraakzuchtig rondloop wanneer iemand me onrecht aandoet. Maar ik organiseer mijn leven zo dat ik die persoon kan negeren. Die reactie is ongetwijfeld beter dan wrok of haat, maar ze is minder grootmoedig dan echte vergeving.
...

Vergiffenis schenken vind ik een moeilijke morele taak. Niet dat ik wraakzuchtig rondloop wanneer iemand me onrecht aandoet. Maar ik organiseer mijn leven zo dat ik die persoon kan negeren. Die reactie is ongetwijfeld beter dan wrok of haat, maar ze is minder grootmoedig dan echte vergeving. Want vergeven doe je met heel je hart, niet met een deeltje, aldus Vladimir Jankélévitch in Le Pardon. Vergiffenis noemt hij zelfs het sublieme van het dagelijkse leven, ze verschijnt wanneer het laatste greintje laagheid is verdwenen. Jankélévitch (1903-1985) inspireerde zich op het christelijke evangelie, hoewel hijzelf een Frans-Russisch-Joodse filosoof was. Vergiffenis noemt hij pure generositeit, die je ervaart omdat je weet dat elke mens gebreken heeft. Precies die onvolmaaktheid deel je met anderen. Elke mens verdient dus mildheid. Daarom vergeef je de ander: vanwege de wandaad, want die toont het menselijke tekort. Je vergeeft iemand dus niet ondanks wat die fout heeft gedaan. Je wilt de ander niet in een perfectie herstellen die hij nooit heeft gehad. Toch blijft vergiffenis een vrije keuze voor Jankélévitch. Want sommige daden kunnen onvergeeflijk zijn. Dat is voor hem de nazistische Jodenvervolging: Joden werden opgepakt, niet voor wat ze deden of dachten, maar voor wie ze waren. Hun essentie zelf werd hen fataal, aan raciale vooroordelen konden ze niet ontkomen. Daarbij hebben de nazi's de essentiële voorwaarden voor vergeving nooit vervuld: ze hebben nooit vergiffenis gevraagd. Ze kunnen hun miljoenen vermoorde slachtoffers ook niet meer ontmoeten en een gesprek voeren. In Jankélévitchs werk bestaat dus een spanning tussen de vergiffenis als sublieme deugd en de onmogelijkheid om die te verlenen bij ongehoorde misdaden. Mijn aarzeling om te vergeven betreft natuurlijk nooit zulke buitensporige vergrijpen, maar alledaagse misslagen, zoals leugens of veinzerij. En ik vraag me af hoe belangrijk de smeekbede om vergiffenis is. Voor Martha Nussbaum lijkt dat proces te veel op een transactie: wie zich onterecht behandeld voelt, eist dat de ander door het stof gaat. Volgens Nussbaum is een alwetende God daarvoor het model: Hij registreert alle menselijke fouten en vergeeft zodra de zondaar erom vraagt. Elke mens moet dus andermans schulden kwijtschelden, zoals de Heer de zonden van de verzoekende mens opheft. Maar dat scenario van boetedoening weerspiegelt een hiërarchie, een machtsstrijd. Daarin speelt opnieuw wat ressentiment mee, aldus Nussbaum. Dat bezoedelt het gebod tot onvoorwaardelijke naastenliefde, waarvan de vergeving een teken is. Zulke generositeit klinkt aantrekkelijk. Toch kan ik alleen vaststellen dat het hart zich niet laat gebieden. Vergiffenis kan ik niet afdwingen, ook niet van mezelf. Als je trouwens meteen na een voorval zou eisen dat de benadeelde elke zweem van woede of rancune loslaat, dan stimuleer je veeleer hypocrisie of zelfontkenning. Een helende vergiffenis vergt tijd en inzicht. Uit Seneca's politieke werk over barmhartigheid haal ik indirect een suggestie: vergeving heeft ook met de sterkte van je positie te maken. Volgens Seneca moet een wijze keizer barmhartig zijn. Maar die deugd is vooral relevant voor wie kan kiezen tussen pardonneren of straffen (zoals de toenmalige keizer Nero alle macht had om te beslissen). Als je die gedachte uit de politieke context tilt, blijft dat macht of kracht een rol spelen. Juister gezegd: moeizaam vergeven heeft misschien niet alleen met sluimerende boosheid of ressentiment te maken. Je gevoelens van kwetsbaarheid of onmacht kunnen ook een obstakel zijn. Pas wanneer je die overwint, kan vergeving een geschenk worden. Aan jezelf en aan de ander.