John Prine is dood, maar Lieven Tavernier oogst nog: een nieuwe plaat en een verhalenbundel, die naar slechte gewoonte weer eens door bijna iedereen genegeerd zullen worden. Ze zeggen dat het virus de smaak aantast en ze hebben gelijk.
...

John Prine is dood, maar Lieven Tavernier oogst nog: een nieuwe plaat en een verhalenbundel, die naar slechte gewoonte weer eens door bijna iedereen genegeerd zullen worden. Ze zeggen dat het virus de smaak aantast en ze hebben gelijk. Ook ik heb lang gedacht dat De Fanfare van Honger en Dorst geschreven was door Jan De Wilde. Tot een vriend me vroeg of ik niet meeging naar een optreden van Lieven Tavernier. Nooit zag ik een artiest zo ongemakkelijk op een podium schuifelen als hij, die avond in café Boekowski op de Bolivarplaats in Antwerpen. Maar toen plugde hij zijn gitaar in. Buiten donderde het, binnen zong een man over zijn eigen autobiografische bliksems. Het klonk toverachtig mooi. Ik ging helemaal overstag toen bleek dat we dezelfde vrouw aanbeden hebben: Laura Gemser. Ooit mijn eerste platonische liefde, nadat ik tijdens een eenzame avond zappen op de film Emanuelle and the Last Cannibals was gebotst en niet wist wat ik zag. Lieven Tavernier heeft haar ook vaak gezien, toen hij op zijn negentiende aan de Lievekaai in Gent woonde. In die tijd was daar een modellenbureau, waar ze lid van was. Telkens als Laura passeerde, verstopte Lieven zich achter zijn gitaar. Jaren later, in de Boekowski, zong hij over haar: 'Altijd negentien, altijd de Lievekaai, en altijd zal ik wachten daar, tot Laura Gemser komt.'Lieven Tavernier zal altijd een jongen van de Lievekaai blijven. In zijn nieuwe boek Tlieverdje schrijft hij: 'Ik wil naar Amsterdam alleen omdat Nescio er samen met Bavink en Koekebakker 's nachts van de Grote Dingen droomde. Parijs is voor mij een filmdecor van Truffaut. Berlijn is van Alfred Döblin. Badenweiler zonder Tsjechov, Sète zonder Brassens, Sint-Petersburg zonder Gogol, Dublin zonder James Joyce, L.A. zonder John Fante, Alexandrië zonder Kavàfis: breng me er niet heen.' Zo hoort Lieven Tavernier ook bij Gent. Elke keer dat ik over het Emile Braunplein slenter, ben ik wat ontgoocheld omdat het in zijn song mooier is. In zijn verhalenbundel heeft hij het vaak over Eddy's Drankwinkel. Hij bedoelt Eddy Tanghe van 't Keetje, de legendarische kroeg in de Sint-Pietersnieuwstraat die aan de vooruitgang werd opgeofferd. Daar waar De Fanfare van Honger en Dorst 'voor het slapengaan de laatste vijf kwartjes in Eddy's jukebox stak en ze allemaal samen A Hard Rain's a-Gonna Fall zongen'. In die dagen kruiste hij geregeld het pad van mijn collega Jan Braet. 'Lieven was de zoon van middenstanders', vertelt Jan. 'Zijn ouders hadden speciaalzaak, Eigen Schoon in de Mageleinstraat in Gent, waar ze snuisterijen, oude kerststallen en meisjeshoofden in keramiek verkochten.' Jan en Lieven studeerden allebei Germaanse filologie op de Blandijnberg. Hij noemde zich toen al Tlieverdje, zegt Jan. Zoals het standbeeld op het Spui in Amsterdam, waar de provo's veel lawaai maakten. Allebei waren ze kinderen van die vroege jaren zeventig, gesteld op hun vrijheid, maar geen grote revolutionairen. Ze speelden liever minivoetbal. Of 'liepen met hun hoofd door de wolken' door Gent. 'We deelden dezelfde filmhelden', zegt Jan. 'Bernard Tavernier, François Truffaut, Charlotte Rampling... En in Saint-Point brachten we hulde aan het graf van de Franse romantische dichter Alphonse de Lamartine.' Maar ook in eigen stad hadden ze een held. 'Op zaterdagmiddag gingen we koffiedrinken met Frans Sierens, de vader van Arne, in het koffiehuis Mokabon. Hij was zeker twintig jaar ouder dan wij. Geen rebel, maar een bankbediende die altijd heel conventioneel gekleed was. Na zijn uren bij de bank schreef hij prachtige romans, in de stijl van Ernest Hemingway. Hij was ook een fantastisch verteller. Uren konden we met hem praten over literatuur en film. Hij moedigde ons aan om zelf te schrijven. Toen onze oude vriend in 1981 stierf aan longkanker, was dat voor Lieven en mij een zware klap.' Daarna ging het ook bij ons zoals in De Fanfare van Honger en Dorst gaat, zegt Jan. Er kwam een vrouw, een baan, een kind. 'De band werd losser, maar werd nooit helemaal verbroken.' Jan ging in de journalistiek. Lieven werd leraar Nederlands aan de kunstschool Sint-Lucas. Zo'n leraar die gevolgen had, zeggen zijn ex-leerlingen, van Stephan Vanfleteren tot Bent Van Looy of Benoît van Innis. En Bart Moeyaert noteerde ooit: 'Lieven leerde me om op mijn tenen te staan.' Na zijn uren schreef de leraar soms zelf een lied. Op zijn achtenveertigste bracht hij zijn eerste plaat uit, met de klassieker Eerste Sneeuw erop. De radio merkte de late debutant amper op. 'Terwijl we in onze studententijd allebei nog radio gemaakt hebben', zegt Jan Braet. 'Dat medium heeft Lieven weinig wederdiensten geschonken. Dat ligt niet aan de kwaliteit van zijn werk. Lieven schrijft de meest poëtische liedteksten van Vlaanderen, maar hij kan zichzelf niet verkopen. Zijn podiumangst is bekend. Zijn entourage moet hem bijna de bühne op duwen. Tegelijkertijd is zijn onbeholpenheid op het podium ook zijn charme. Hij heeft veel ironie en vooral zelfironie, waarmee hij zich verweert als hij weer eens sterft van de plankenkoorts.' Fotografe Christina Coene vereeuwigde de zanger ooit treffend in de mist van Saint-Sauveur: in gewone kleren, zoals Frans Sierens, en met zijn hand voor zijn gezicht. Ook op de hoes van zijn nieuwe plaat staat hij met zijn rug naar het publiek. 'Ik heb er opnieuw heel graag naar geluisterd', zegt Jan. Nog altijd herkent hij zijn oude vriend. De zoon van de winkel Eigen Schoon, een ambachtsman die zijn woorden diep in het papier etst. Het is ook geen toeval dat hij Marcel Proust citeert. 'Nostalgie is Lievens stof. Hoe ouder je wordt, hoe groter de verleiding om daarover te schrijven. Maar hij doet er prachtige dingen mee.' Zoals een song maken over een lang verloren vriend, met wie hij weer door de stad loopt 'die ooit van ons was'. Maar zijn mooiste nieuwe nummer gaat over zijn eerste lief, dat hij met de hele klas deelde en dat ze aanbaden 'alsof ze Venus was'. Ooit gaat hij met zijn oude klasgenoten op zoek naar haar. 'Noem ons maar dromers, noem ons maar naïef.' Net zoals hij ook nog altijd op Laura Gemser wacht op de Lievekaai. Op die avond in de Boekowski vertelde hij dat de Nederlands-Indonesische actrice nu in Toscane woont. Een kennis van hem had zijn liedtekst naar alle mensen met die achternaam daar gestuurd. Eén vrouw stuurde iets geheimzinnigs terug: 'Een Nederlandse vriendin heeft de tekst voor mij vertaald. Denk vooral niet dat ik Laura Gemser ben, maar ik had ze wel willen zijn.' Toen moest Lieven van de Lievekaai grijnzen en zette hij een ander nummer in.