Er bestaat in België een absolute ondergrens, dit is het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI), dat wettelijk is vastgelegd door de Nationale Arbeidsraad (NAR). Dat ligt momenteel op € 1625,72 bruto. Wanneer we dit vergelijken met andere Europese landen met een wettelijk minimumloon, staat België relatief hoog in de ranking. België zakt echter naar de onderkant in deze vergelijking wanneer we de koopkracht mee in rekening brengen. Het minimumloon in België bedraagt 39,7 procent van het gemiddelde Belgische loon en 46,6 procent van het mediaanloon. Bovendien is België het enige land in Europa waar het minimumloon gradueel in waarde is gedaald. De minimumlonen in België liggen echter gewoonlijk hoger dan het GGMMI. Zij worden traditioneel onderhandeld tussen vakbonden en werknemers op sector- of bedrijfsniveau en vastgelegd in zogenaamde collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's). Daarmee worden bijna alle werknemers in België gedekt. Het aandeel werknemers in werkplaatsen die vallen onder collectieve overeenkomsten is namelijk 93 procent. Dan is (bijna) iedereen beschermd, toch?

Waarom de minimumlonen wel omhoog moeten, zelfs in België.

Dat hangt ervan af. De collectieve onderhandelingen zijn de laatste jaren namelijk onder druk komen te staan, wat heeft geleid tot een grotere ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Aan de ene kant beperkt een strikte loonnorm de rol van de sociale partners in het onderhandelingsproces, aan de andere kant zorgt een grotere decentralisatie naar bedrijfsniveau ervoor dat werkgevers steeds meer unilaterale beslissingsmacht krijgen. In deze context is het steeds moeilijker geworden voor vakbonden en werkgevers om een compromis te vinden tussen meer flexibiliteit enerzijds en adequate sociale bescherming voor alle werknemers anderzijds. Sinds 2008 heeft een blokkering van sociale onderhandelingen zelfs al meermaals geleid tot een tussenkomst van de regering. Zo werd er ook tegen de deadline van 1 mei geen akkoord bereikt en heeft de regering de loonmarge vastgelegd op 0,4 procent voor 2021-2022 en een coronapremie van maximaal 500 euro netto per werknemer, in de vorm van een consumptiecheque die op bedrijfsniveau moet worden toegekend. Hoe deze herverdeling er zal uitzien, zal in grote mate afhangen van de sterkte van de vakbond en de economische situatie van de bedrijven en van de productmarkt waarin zij opereren.

Decentralisatie vs. herverdeling

Dit past in de decentraliseringstrend van de voorbije jaren waarbij steeds meer zaken waaronder ook welvaart naar het bedrijfsniveau worden overgeheveld. Hiermee staat echter het herverdelend vermogen van het collectieve onderhandelingssysteem op de helling. Bedrijven hanteren namelijk andere herverdelingsprincipes die gelinkt zijn aan de financiële en economische situatie van het bedrijf zelf en de productmarkt met als objectief om economische groei te realiseren en niet om een billijke herverdeling van de middelen te bewerkstelligen. Bovendien verliezen sectorale akkoorden die minimumstandaarden opleggen aan alle werknemers binnen de sector aan belang, waardoor het risico op een toenemende fragmentatie op het niveau van bedrijven groter wordt daar vakbonden er niet aanwezig zijn of onvoldoende macht hebben om een tegengewicht te bieden tegen praktijken van werkgevers die verschillen creëren tussen werknemers, zoals het gebruik van flexibele arbeidscontracten en geïndividualiseerde beloningssystemen. Dit dreigt vooral werknemers die zich reeds in precaire arbeidsmarktposities bevinden negatief te treffen.

'Met de decentralisatie staat het herverdelend vermogen van het collectieve onderhandelingssysteem op de helling'

Om de groeiende polarisatie van inkomens en de groei van werkende armen tegen te gaan, zijn ze op het Europese niveau steeds meer overtuigd van het belang van adequate minimumlonen. De Europese Commissie heeft daarvoor berekend dat een minimumloon van 60 procent van het mediaanloon en/of 50 procent van het gemiddeld loon een substantiële verbetering zou betekenen voor vele Europese werknemers. Om deze doelstelling te bereiken, zou het minimumloon in België moeten stijgen met 19,2 procent. Ook in België zal een aangepast minimumloon een steun zijn voor de onderkant van de arbeidsmarkt alsook voor vakbonden in de onderhandelingen.

Dorien Frans en Prof. Valeria Pulignanozijn verbonden aan het Centre for Sociological Research van de KU Leuven

Er bestaat in België een absolute ondergrens, dit is het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI), dat wettelijk is vastgelegd door de Nationale Arbeidsraad (NAR). Dat ligt momenteel op € 1625,72 bruto. Wanneer we dit vergelijken met andere Europese landen met een wettelijk minimumloon, staat België relatief hoog in de ranking. België zakt echter naar de onderkant in deze vergelijking wanneer we de koopkracht mee in rekening brengen. Het minimumloon in België bedraagt 39,7 procent van het gemiddelde Belgische loon en 46,6 procent van het mediaanloon. Bovendien is België het enige land in Europa waar het minimumloon gradueel in waarde is gedaald. De minimumlonen in België liggen echter gewoonlijk hoger dan het GGMMI. Zij worden traditioneel onderhandeld tussen vakbonden en werknemers op sector- of bedrijfsniveau en vastgelegd in zogenaamde collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's). Daarmee worden bijna alle werknemers in België gedekt. Het aandeel werknemers in werkplaatsen die vallen onder collectieve overeenkomsten is namelijk 93 procent. Dan is (bijna) iedereen beschermd, toch?Dat hangt ervan af. De collectieve onderhandelingen zijn de laatste jaren namelijk onder druk komen te staan, wat heeft geleid tot een grotere ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Aan de ene kant beperkt een strikte loonnorm de rol van de sociale partners in het onderhandelingsproces, aan de andere kant zorgt een grotere decentralisatie naar bedrijfsniveau ervoor dat werkgevers steeds meer unilaterale beslissingsmacht krijgen. In deze context is het steeds moeilijker geworden voor vakbonden en werkgevers om een compromis te vinden tussen meer flexibiliteit enerzijds en adequate sociale bescherming voor alle werknemers anderzijds. Sinds 2008 heeft een blokkering van sociale onderhandelingen zelfs al meermaals geleid tot een tussenkomst van de regering. Zo werd er ook tegen de deadline van 1 mei geen akkoord bereikt en heeft de regering de loonmarge vastgelegd op 0,4 procent voor 2021-2022 en een coronapremie van maximaal 500 euro netto per werknemer, in de vorm van een consumptiecheque die op bedrijfsniveau moet worden toegekend. Hoe deze herverdeling er zal uitzien, zal in grote mate afhangen van de sterkte van de vakbond en de economische situatie van de bedrijven en van de productmarkt waarin zij opereren.Dit past in de decentraliseringstrend van de voorbije jaren waarbij steeds meer zaken waaronder ook welvaart naar het bedrijfsniveau worden overgeheveld. Hiermee staat echter het herverdelend vermogen van het collectieve onderhandelingssysteem op de helling. Bedrijven hanteren namelijk andere herverdelingsprincipes die gelinkt zijn aan de financiële en economische situatie van het bedrijf zelf en de productmarkt met als objectief om economische groei te realiseren en niet om een billijke herverdeling van de middelen te bewerkstelligen. Bovendien verliezen sectorale akkoorden die minimumstandaarden opleggen aan alle werknemers binnen de sector aan belang, waardoor het risico op een toenemende fragmentatie op het niveau van bedrijven groter wordt daar vakbonden er niet aanwezig zijn of onvoldoende macht hebben om een tegengewicht te bieden tegen praktijken van werkgevers die verschillen creëren tussen werknemers, zoals het gebruik van flexibele arbeidscontracten en geïndividualiseerde beloningssystemen. Dit dreigt vooral werknemers die zich reeds in precaire arbeidsmarktposities bevinden negatief te treffen. Om de groeiende polarisatie van inkomens en de groei van werkende armen tegen te gaan, zijn ze op het Europese niveau steeds meer overtuigd van het belang van adequate minimumlonen. De Europese Commissie heeft daarvoor berekend dat een minimumloon van 60 procent van het mediaanloon en/of 50 procent van het gemiddeld loon een substantiële verbetering zou betekenen voor vele Europese werknemers. Om deze doelstelling te bereiken, zou het minimumloon in België moeten stijgen met 19,2 procent. Ook in België zal een aangepast minimumloon een steun zijn voor de onderkant van de arbeidsmarkt alsook voor vakbonden in de onderhandelingen.Dorien Frans en Prof. Valeria Pulignanozijn verbonden aan het Centre for Sociological Research van de KU Leuven