Sinds 2009 is er in Vlaanderen een debat aan de gang over de invoering van een onafhankelijk, algemeen vormend vak over Levensbeschouwing, Ethiek, Filosofie en burgerschap (LEF) voor alle jaren van het Vlaamse leerplichtonderwijs.

Dit voorstel wil maximaal tegemoetkomen aan de noden van de leerlingen vandaag, rekening houdend met de maatschappelijke realiteit die gekenmerkt wordt door pluralisering, secularisering, detraditionalisering en (mentale) ontzuiling.

Hiertoe breekt het LEF-voorstel met de verzuilde uitgangspunten van het schoolpact, dat het levensbeschouwelijk onderwijs tot op de dag van vandaag kleurt. Binnen het huidige verzuilde model is het in België mogelijk om 12 jaar lang door de overheid gesubsidieerd (maar niet door de overheid gecontroleerd) godsdienstonderwijs te volgen, zonder correct en genuanceerd geïnformeerd te worden over diverse levensbeschouwelijke tradities. En wie gedurende zijn of haar schoolloopbaan consistent om een vrijstelling vraagt, krijgt zelfs helemaal géén levensbeschouwelijke vorming.

Een vorm van levensbeschouwelijke geletterdheid is dan ook een vorm van elementaire basiskennis.

Zo een systeem, waarin leerlingen in officiële scholen apart gezet worden volgens levensbeschouwing en in confessionele scholen enkel onderwijs in één levensbeschouwing kunnen volgen, is niet meer aangepast aan onze geseculariseerde en religieus gediversifieerde samenleving. Het gaat ervan uit dat leerlingen vooral nood hebben aan informatie en verdieping van hun eigen levensbeschouwing, maar we kunnen ons de vraag stellen of dit de meest zinvolle strategie is, gelet op het feit dat heel wat leerlingen levensbeschouwelijk onverschillig zijn en de leerlingenpopulatie in een klas dikwijls levensbeschouwelijk gedifferentieerd is - ook in het katholieke onderwijs. Sommige leerplannen (bijvoorbeeld dat voor de katholieke godsdienstlessen) willen wel rekening houden met de aanwezige pluraliteit in de samenleving en in de klas, maar uiteindelijk blijft men vasthouden aan één levensbeschouwelijke voorkeurstraditie als referentiepunt.

Hoewel soms beweerd wordt dat noch de huidige levensbeschouwelijke vakken, noch een vak LEF op hun plaats zijn in het reguliere onderwijs, zou een evolutie naar een anti-religieus of secularistisch systeem, waarin levensbeschouwingen op geen enkele door de overheid gesubsidieerde school ter sprake mogen komen, een verarming zijn.

Wie aan het begin van de eenentwintigste eeuw onze cultuur en samenleving wil begrijpen, kan niet om enkele levensbeschouwelijke tradities heen. Een vorm van levensbeschouwelijke geletterdheid is dan ook een vorm van elementaire basiskennis. Naast het leren over levensbeschouwing, valt er trouwens nog heel wat van de (geschiedenis van) levensbeschouwingen te leren.

Het is daarom belangrijk dat er binnen het regulier onderwijs ruimte bestaat om 'de grote vragen' over leven, dood en zingeving te thematiseren. Jongeren worden tijdens het opgroeien immers met deze vragen geconfronteerd en het zou niet verstandig zijn dat in het onderwijs te negeren.

Een vak over levensbeschouwing komt ook tegemoet aan een vorm van religieuze nieuwsgierigheid die bij veel mensen, in het bijzonder ook jonge mensen, bestaat. Ondanks de terugval van geïnstitutionaliseerde religies, blijven levensbeschouwingen mensen fascineren.

Ook de levensbeschouwelijke diversiteit en de uitdagingen die deze met zich meebrengt, zijn valabele redenen om te pleiten voor een inclusief vak over levensbeschouwing. De jongeren komen immers terecht in een samenleving waarin religie, levensbeschouwingen en diversiteit een rol spelen. Kennis en informatie over levensbeschouwingen, maar ook contact en dialoog met andere levensbeschouwingen zijn een minimumvereiste om tolerantie, begrip en vertrouwen te ontwikkelen. Een inclusief, pluralistisch vak over levensbeschouwingen, waarin ook aandacht is voor filosofie, ethiek en burgerschapseducatie, biedt op al deze punten tal van mogelijkheden.

Verschillende landen en internationale instanties hebben al langer begrepen dat een paradigmawissel in het levensbeschouwelijk onderwijs vandaag de dag noodzakelijk is.

Natuurlijk moet men realistisch blijven en kan men van een vak zoals LEF geen wonderen verwachten. Wel biedt het meer mogelijkheden dan het huidige model en dit precies omdat het jongeren op een open manier correct en genuanceerd wil informeren over diverse levensbeschouwingen en omdat het hen op een kritische manier wil leren omgaan met grote levensvragen, maar ook met het diverse pallet aan antwoorden op deze vragen.

Verschillende landen en internationale instanties hebben al langer begrepen dat een paradigmawissel in het levensbeschouwelijk onderwijs vandaag de dag noodzakelijk is. Zo is onder meer in Noorwegen, Zweden, Denemarken, Engeland/Wales en in Brandenburg (Duitsland) en Québec (Canada) het confessioneel levensbeschouwelijk onderwijs in openbare scholen (en soms ook in gesubsidieerde confessionele scholen) de voorbije jaren geëvolueerd naar inclusief pluralistisch onderwijs over levensbeschouwing.

Willen we echt vooruit met ons onderwijs en onze leerlingen vormen tot goed geïnformeerde, kritische burgers, dan mag België niet achterop blijven hinken en moeten ook wij de bestaande structuren en systemen, hoe vastgeroest ze ook mogen zijn, durven hervormen.

Waarom LEF-critici de bal misslaan

Hoewel er heel wat te zeggen valt voor een vak over levensbeschouwing, ethiek, filosofie en burgerschapseducatie, heeft het voorstel om LEF in te voeren al heel wat kritiek moeten doorstaan.

Deze kritiek komt voornamelijk uit katholieke en vrijzinnige hoek, wat niet zo verwonderlijk is: van katholieke zijde vreest men dat een vak LEF de huidige Rooms-katholieke godsdienstlessen, en hiermee misschien ook heel wat katholieke scholen, op termijn overbodig zal maken.

Vaak staat of valt de katholieke identiteit van een katholieke school immers met het vak Rooms-katholieke godsdienst, maar vraag is of zo een vak nog op alle scholen zinvol en wenselijk is als leerlingen sowieso al een vak LEF zouden volgen.

Vanuit vrijzinnige zijde is er dan weer de terechte vrees dat een vak LEF het huidige vak niet-confessionele zedenleer overbodig zou maken. Vaak is de 'keuze' voor zedenleer immers geen positieve, maar een negatieve keuze: ouders kiezen niet zozeer voor zedenleer omdat ze vrijzinnig-humanistisch zijn, maar omdat de andere levensbeschouwelijke vakken al helemaal niet aansluiten bij hun levensbeschouwelijke identiteit en omdat ze hun kind niet met een vrijstelling willen opzadelen.

Maar ook de andere erkende levensbeschouwingen bekijken het LEF-voorstel met argusogen. Getuige hiervan is onder meer de verklaring van de erkende levensbeschouwelijke instanties om gezamenlijk aan de interlevensbeschouwelijke competenties te werken. Deze verklaring is echter ruim onvoldoende om aan de hedendaagse levensbeschouwelijke noden tegemoet te komen en blijft netjes in het verzuilde keurslijf zitten, terwijl nu net dat keurslijf het grote probleem is.

Neutraliteit: een onmogelijk ideaal

Vaak wordt LEF bekritiseerd omdat het vak een onmogelijk ideaal zou nastreven: neutraliteit. Deze neutraliteit wordt vervolgens opgevat als 'een gevaarlijke ideologie' die 'de onderscheidingen in en tussen levensbeschouwingen versluiert'.

Een dergelijke vorm van neutraliteit opleggen als 'de nieuwe staatspedagogiek' is gevaarlijk en miskent het feit dat ook het LEF-project in een bepaalde levensbeschouwelijke visie geworteld is.

De neutraliteit die van de leerkracht LEF wordt verwacht, erkent de vrijheid van leerlingen om een eigen levensbeschouwing aan te hangen en velt hier geen oordeel over.

In deze kritiek wordt het principe van neutraliteit echter karikaturaal voorgesteld. Er wordt in een liberaal-democratisch staatsbestel principieel verondersteld dat burgers als gelijke en vrije burgers behandeld moeten worden en hiertoe is een zekere vorm van overheidsneutraliteit noodzakelijk.

Dit normatieve kader, dat het hart vormt van onze samenleving, dient ook door leerkrachten gerespecteerd te worden. Daar waar het gaat over de fundamenten van onze samenleving en over de normatieve principes waarop ons samenlevingsmodel is geënt (vrijheid en gelijkheid) is de LEF leerkracht dus, net zoals zijn of haar collega's wiskunde, Nederlands of biologie, niet neutraal.

Dit betekent echter niet dat deze leerkrachten, die op een niet-gekleurde manier over levensbeschouwingen les geven, een 'nieuwe staatspedagogiek' aan de leerlingen zouden willen opdringen.

De neutraliteit die van de leerkracht LEF (maar ook van diens collega's) wordt verwacht, erkent precies de vrijheid van leerlingen om een eigen levensbeschouwing aan te hangen en velt hier geen oordeel over.

Daarnaast wordt van de LEF-leerkracht niet verwacht dat hij of zij als individu elke levensbeschouwelijke affiniteit van zich zou moeten afschudden. Dit is onmogelijk en onwenselijk. Net zoals een leerkracht geschiedenis of Nederlands bepaalde voorkeuren heeft, zo ook heeft de leerkracht LEF een bepaalde levensbeschouwelijke voorkeur, die niet noodzakelijk verborgen hoeft te blijven, al zou dit wel mogelijk moeten zijn als de leerkracht dit wenst.

Wat LEF wél vereist is dat de leerkracht de eigen levensbeschouwing niet gebruikt als referentiepunt of als voorkeurspositie, van waaruit de 'andere' levensbeschouwingen behandeld worden.

LEF = secularisme en relativisme

Anders dan een leerkracht Rooms-katholieke godsdienst, islam of niet-confessionele zedenleer, is de leerkracht LEF geen 'getuige' van een welbepaalde levensbeschouwing, maar is hij of zij als het ware een gids doorheen het levensbeschouwelijke landschap.

Anders dan een leerkracht Rooms-katholieke godsdienst, islam of niet-confessionele zedenleer, is de leerkracht LEF geen 'getuige' van een welbepaalde levensbeschouwing.

De leerkracht is hierbij onpartijdig, wat onder meer betekent dat levensbeschouwingen niet beoordeeld worden op hun waarheidsclaims: daar waar de leerkracht islam zegt dat Mohammed de profeet van Allah is, zegt de leerkracht LEF dat moslims geloven dat Mohammed de profeet van Allah is; en daar waar de leerkracht Rooms-katholieke godsdienst zegt dat Jezus de zoon van God is, zegt de leerkracht LEF dat christenen geloven dat Jezus de zoon van God is.

Deze houding van onpartijdigheid of 'methodologisch agnosticisme' wordt soms afgeschilderd als een anti-religieuze of secularistische houding, maar dat is onjuist. Anders dan de huidige leerkrachten van de levensbeschouwelijke vakken, zegt de leerkracht LEF niets over de waarheidsaanspraken van particuliere levensbeschouwingen, maar laat het aan leerlingen zelf over om hierover, op een kritische en bewuste manier, te oordelen.

Deze houding is verre van anti-religieus, maar laat precies ruimte open voor de levensbeschouwelijke vorming van elke leerling, wat diens levensbeschouwelijke overtuiging ook mag zijn. Ook de kritiek dat deze houding zou leiden tot moreel relativisme is verkeerd.

Van de LEF-leerkracht wordt een vorm van 'methodologisch relativisme' of 'epistemische neutraliteit' (relativisme of neutraliteit met betrekking tot de waarheidsclaims van levensbeschouwingen) verwacht, maar zoals eerder aangegeven is de leerkracht LEF helemaal niet relativistisch wanneer het gaat over de normatieve en morele principes die ten grondslag liggen aan onze samenleving.

Vrijheid van godsdienst en onderwijs

Sommige critici verwijten LEF dan weer dat het zou ingaan tegen de onderwijs- en godsdienstvrijheid, maar ook dat klopt niet. Het vak LEF is immers geen levensbeschouwelijk vak, maar een vak over levensbeschouwingen, ethiek en filosofie.

emt.

Er is helemaal geen sprake van een 'verborgen ideologie van de neutraliteit'.

Het hoort dus helemaal niet thuis in het huidige rijtje met levensbeschouwelijke vakken, maar is van een andere orde: het is niet religieus, het is niet anti-religieus, het is niet vrijzinnig-humanistisch, maar het is methodologisch a-religieus, wat betekent dat het principieel geen levensbeschouwelijk standpunt inneemt.

Er is dan ook helemaal geen sprake van een 'verborgen ideologie van de neutraliteit' of van 'een atheïstische levensbeschouwing' die aan iedereen zou worden opgelegd en hiermee de vrijheid van godsdienst zou inperken. Ook voor het vrij onderwijs schendt LEF de onderwijsvrijheid niet.

Daar de overheid vrije scholen bijna volledig subsidieert, kan en mag ze bepaalde eindtermen opleggen die deze scholen moeten halen, en één daarvan kan zijn dat men vanuit levensbeschouwelijk neutraal oogpunt onderwijs krijgt over levensbeschouwingen, ethiek, filosofie en burgerschap.

Opdat de vrijheid van onderwijs gegarandeerd blijft, moeten confessionele scholen daarnaast nog steeds de vrijheid hebben om ook een (gesubsidieerd) vak in de eigen levensbeschouwing aan te bieden wanneer ze dat wensen.

Tot slot blijkt uit onderzoek dat er een maatschappelijk draagvlak is voor een vak zoals LEF, terwijl dit veel minder het geval is voor de huidige levensbeschouwelijke vakken. Zo werd er in augustus 2016 in opdracht van Groen door iVox bij 1000 Vlamingen in Vlaanderen en Brussel een online bevraging gedaan rond deze thematiek.

De resultaten liegen er niet om: 69,6% van de ondervraagden gaat akkoord met de stelling dat 'vakken zoals godsdienst, islam, joodse godsdienst en zedenleer vervangen zouden moeten worden door een breder vak rond levensbeschouwing waarbij men kennis maakt met de waarden van alle religies en overtuigingen.' Slechts 21,4% gaat niet akkoord met deze stelling en 9% gaf aan hierover geen mening te hebben. Ook hieruit blijkt dat de invoering van een vak zoals LEF de vrijheid van onderwijs 'in overeenstemming met de [ouders'] eigen overtuigingen' helemaal niet fnuikt, maar deze veeleer ten goede komt.

Geld voor je god van Leni Franken is uitgegeven door University Press Antwerp, ISBN: 9789057186257, 168 pagina's. 30 mei vindt de boekvoorstelling plaats in Antwerpen.

Sinds 2009 is er in Vlaanderen een debat aan de gang over de invoering van een onafhankelijk, algemeen vormend vak over Levensbeschouwing, Ethiek, Filosofie en burgerschap (LEF) voor alle jaren van het Vlaamse leerplichtonderwijs.Dit voorstel wil maximaal tegemoetkomen aan de noden van de leerlingen vandaag, rekening houdend met de maatschappelijke realiteit die gekenmerkt wordt door pluralisering, secularisering, detraditionalisering en (mentale) ontzuiling.Hiertoe breekt het LEF-voorstel met de verzuilde uitgangspunten van het schoolpact, dat het levensbeschouwelijk onderwijs tot op de dag van vandaag kleurt. Binnen het huidige verzuilde model is het in België mogelijk om 12 jaar lang door de overheid gesubsidieerd (maar niet door de overheid gecontroleerd) godsdienstonderwijs te volgen, zonder correct en genuanceerd geïnformeerd te worden over diverse levensbeschouwelijke tradities. En wie gedurende zijn of haar schoolloopbaan consistent om een vrijstelling vraagt, krijgt zelfs helemaal géén levensbeschouwelijke vorming.Zo een systeem, waarin leerlingen in officiële scholen apart gezet worden volgens levensbeschouwing en in confessionele scholen enkel onderwijs in één levensbeschouwing kunnen volgen, is niet meer aangepast aan onze geseculariseerde en religieus gediversifieerde samenleving. Het gaat ervan uit dat leerlingen vooral nood hebben aan informatie en verdieping van hun eigen levensbeschouwing, maar we kunnen ons de vraag stellen of dit de meest zinvolle strategie is, gelet op het feit dat heel wat leerlingen levensbeschouwelijk onverschillig zijn en de leerlingenpopulatie in een klas dikwijls levensbeschouwelijk gedifferentieerd is - ook in het katholieke onderwijs. Sommige leerplannen (bijvoorbeeld dat voor de katholieke godsdienstlessen) willen wel rekening houden met de aanwezige pluraliteit in de samenleving en in de klas, maar uiteindelijk blijft men vasthouden aan één levensbeschouwelijke voorkeurstraditie als referentiepunt.Hoewel soms beweerd wordt dat noch de huidige levensbeschouwelijke vakken, noch een vak LEF op hun plaats zijn in het reguliere onderwijs, zou een evolutie naar een anti-religieus of secularistisch systeem, waarin levensbeschouwingen op geen enkele door de overheid gesubsidieerde school ter sprake mogen komen, een verarming zijn.Wie aan het begin van de eenentwintigste eeuw onze cultuur en samenleving wil begrijpen, kan niet om enkele levensbeschouwelijke tradities heen. Een vorm van levensbeschouwelijke geletterdheid is dan ook een vorm van elementaire basiskennis. Naast het leren over levensbeschouwing, valt er trouwens nog heel wat van de (geschiedenis van) levensbeschouwingen te leren.Het is daarom belangrijk dat er binnen het regulier onderwijs ruimte bestaat om 'de grote vragen' over leven, dood en zingeving te thematiseren. Jongeren worden tijdens het opgroeien immers met deze vragen geconfronteerd en het zou niet verstandig zijn dat in het onderwijs te negeren.Een vak over levensbeschouwing komt ook tegemoet aan een vorm van religieuze nieuwsgierigheid die bij veel mensen, in het bijzonder ook jonge mensen, bestaat. Ondanks de terugval van geïnstitutionaliseerde religies, blijven levensbeschouwingen mensen fascineren.Ook de levensbeschouwelijke diversiteit en de uitdagingen die deze met zich meebrengt, zijn valabele redenen om te pleiten voor een inclusief vak over levensbeschouwing. De jongeren komen immers terecht in een samenleving waarin religie, levensbeschouwingen en diversiteit een rol spelen. Kennis en informatie over levensbeschouwingen, maar ook contact en dialoog met andere levensbeschouwingen zijn een minimumvereiste om tolerantie, begrip en vertrouwen te ontwikkelen. Een inclusief, pluralistisch vak over levensbeschouwingen, waarin ook aandacht is voor filosofie, ethiek en burgerschapseducatie, biedt op al deze punten tal van mogelijkheden.Natuurlijk moet men realistisch blijven en kan men van een vak zoals LEF geen wonderen verwachten. Wel biedt het meer mogelijkheden dan het huidige model en dit precies omdat het jongeren op een open manier correct en genuanceerd wil informeren over diverse levensbeschouwingen en omdat het hen op een kritische manier wil leren omgaan met grote levensvragen, maar ook met het diverse pallet aan antwoorden op deze vragen.Verschillende landen en internationale instanties hebben al langer begrepen dat een paradigmawissel in het levensbeschouwelijk onderwijs vandaag de dag noodzakelijk is. Zo is onder meer in Noorwegen, Zweden, Denemarken, Engeland/Wales en in Brandenburg (Duitsland) en Québec (Canada) het confessioneel levensbeschouwelijk onderwijs in openbare scholen (en soms ook in gesubsidieerde confessionele scholen) de voorbije jaren geëvolueerd naar inclusief pluralistisch onderwijs over levensbeschouwing.Willen we echt vooruit met ons onderwijs en onze leerlingen vormen tot goed geïnformeerde, kritische burgers, dan mag België niet achterop blijven hinken en moeten ook wij de bestaande structuren en systemen, hoe vastgeroest ze ook mogen zijn, durven hervormen. Hoewel er heel wat te zeggen valt voor een vak over levensbeschouwing, ethiek, filosofie en burgerschapseducatie, heeft het voorstel om LEF in te voeren al heel wat kritiek moeten doorstaan.Deze kritiek komt voornamelijk uit katholieke en vrijzinnige hoek, wat niet zo verwonderlijk is: van katholieke zijde vreest men dat een vak LEF de huidige Rooms-katholieke godsdienstlessen, en hiermee misschien ook heel wat katholieke scholen, op termijn overbodig zal maken.Vaak staat of valt de katholieke identiteit van een katholieke school immers met het vak Rooms-katholieke godsdienst, maar vraag is of zo een vak nog op alle scholen zinvol en wenselijk is als leerlingen sowieso al een vak LEF zouden volgen.Vanuit vrijzinnige zijde is er dan weer de terechte vrees dat een vak LEF het huidige vak niet-confessionele zedenleer overbodig zou maken. Vaak is de 'keuze' voor zedenleer immers geen positieve, maar een negatieve keuze: ouders kiezen niet zozeer voor zedenleer omdat ze vrijzinnig-humanistisch zijn, maar omdat de andere levensbeschouwelijke vakken al helemaal niet aansluiten bij hun levensbeschouwelijke identiteit en omdat ze hun kind niet met een vrijstelling willen opzadelen.Maar ook de andere erkende levensbeschouwingen bekijken het LEF-voorstel met argusogen. Getuige hiervan is onder meer de verklaring van de erkende levensbeschouwelijke instanties om gezamenlijk aan de interlevensbeschouwelijke competenties te werken. Deze verklaring is echter ruim onvoldoende om aan de hedendaagse levensbeschouwelijke noden tegemoet te komen en blijft netjes in het verzuilde keurslijf zitten, terwijl nu net dat keurslijf het grote probleem is.Vaak wordt LEF bekritiseerd omdat het vak een onmogelijk ideaal zou nastreven: neutraliteit. Deze neutraliteit wordt vervolgens opgevat als 'een gevaarlijke ideologie' die 'de onderscheidingen in en tussen levensbeschouwingen versluiert'.Een dergelijke vorm van neutraliteit opleggen als 'de nieuwe staatspedagogiek' is gevaarlijk en miskent het feit dat ook het LEF-project in een bepaalde levensbeschouwelijke visie geworteld is.In deze kritiek wordt het principe van neutraliteit echter karikaturaal voorgesteld. Er wordt in een liberaal-democratisch staatsbestel principieel verondersteld dat burgers als gelijke en vrije burgers behandeld moeten worden en hiertoe is een zekere vorm van overheidsneutraliteit noodzakelijk.Dit normatieve kader, dat het hart vormt van onze samenleving, dient ook door leerkrachten gerespecteerd te worden. Daar waar het gaat over de fundamenten van onze samenleving en over de normatieve principes waarop ons samenlevingsmodel is geënt (vrijheid en gelijkheid) is de LEF leerkracht dus, net zoals zijn of haar collega's wiskunde, Nederlands of biologie, niet neutraal.Dit betekent echter niet dat deze leerkrachten, die op een niet-gekleurde manier over levensbeschouwingen les geven, een 'nieuwe staatspedagogiek' aan de leerlingen zouden willen opdringen.De neutraliteit die van de leerkracht LEF (maar ook van diens collega's) wordt verwacht, erkent precies de vrijheid van leerlingen om een eigen levensbeschouwing aan te hangen en velt hier geen oordeel over.Daarnaast wordt van de LEF-leerkracht niet verwacht dat hij of zij als individu elke levensbeschouwelijke affiniteit van zich zou moeten afschudden. Dit is onmogelijk en onwenselijk. Net zoals een leerkracht geschiedenis of Nederlands bepaalde voorkeuren heeft, zo ook heeft de leerkracht LEF een bepaalde levensbeschouwelijke voorkeur, die niet noodzakelijk verborgen hoeft te blijven, al zou dit wel mogelijk moeten zijn als de leerkracht dit wenst.Wat LEF wél vereist is dat de leerkracht de eigen levensbeschouwing niet gebruikt als referentiepunt of als voorkeurspositie, van waaruit de 'andere' levensbeschouwingen behandeld worden.Anders dan een leerkracht Rooms-katholieke godsdienst, islam of niet-confessionele zedenleer, is de leerkracht LEF geen 'getuige' van een welbepaalde levensbeschouwing, maar is hij of zij als het ware een gids doorheen het levensbeschouwelijke landschap.De leerkracht is hierbij onpartijdig, wat onder meer betekent dat levensbeschouwingen niet beoordeeld worden op hun waarheidsclaims: daar waar de leerkracht islam zegt dat Mohammed de profeet van Allah is, zegt de leerkracht LEF dat moslims geloven dat Mohammed de profeet van Allah is; en daar waar de leerkracht Rooms-katholieke godsdienst zegt dat Jezus de zoon van God is, zegt de leerkracht LEF dat christenen geloven dat Jezus de zoon van God is.Deze houding van onpartijdigheid of 'methodologisch agnosticisme' wordt soms afgeschilderd als een anti-religieuze of secularistische houding, maar dat is onjuist. Anders dan de huidige leerkrachten van de levensbeschouwelijke vakken, zegt de leerkracht LEF niets over de waarheidsaanspraken van particuliere levensbeschouwingen, maar laat het aan leerlingen zelf over om hierover, op een kritische en bewuste manier, te oordelen.Deze houding is verre van anti-religieus, maar laat precies ruimte open voor de levensbeschouwelijke vorming van elke leerling, wat diens levensbeschouwelijke overtuiging ook mag zijn. Ook de kritiek dat deze houding zou leiden tot moreel relativisme is verkeerd.Van de LEF-leerkracht wordt een vorm van 'methodologisch relativisme' of 'epistemische neutraliteit' (relativisme of neutraliteit met betrekking tot de waarheidsclaims van levensbeschouwingen) verwacht, maar zoals eerder aangegeven is de leerkracht LEF helemaal niet relativistisch wanneer het gaat over de normatieve en morele principes die ten grondslag liggen aan onze samenleving.Sommige critici verwijten LEF dan weer dat het zou ingaan tegen de onderwijs- en godsdienstvrijheid, maar ook dat klopt niet. Het vak LEF is immers geen levensbeschouwelijk vak, maar een vak over levensbeschouwingen, ethiek en filosofie.emt.Het hoort dus helemaal niet thuis in het huidige rijtje met levensbeschouwelijke vakken, maar is van een andere orde: het is niet religieus, het is niet anti-religieus, het is niet vrijzinnig-humanistisch, maar het is methodologisch a-religieus, wat betekent dat het principieel geen levensbeschouwelijk standpunt inneemt.Er is dan ook helemaal geen sprake van een 'verborgen ideologie van de neutraliteit' of van 'een atheïstische levensbeschouwing' die aan iedereen zou worden opgelegd en hiermee de vrijheid van godsdienst zou inperken. Ook voor het vrij onderwijs schendt LEF de onderwijsvrijheid niet.Daar de overheid vrije scholen bijna volledig subsidieert, kan en mag ze bepaalde eindtermen opleggen die deze scholen moeten halen, en één daarvan kan zijn dat men vanuit levensbeschouwelijk neutraal oogpunt onderwijs krijgt over levensbeschouwingen, ethiek, filosofie en burgerschap.Opdat de vrijheid van onderwijs gegarandeerd blijft, moeten confessionele scholen daarnaast nog steeds de vrijheid hebben om ook een (gesubsidieerd) vak in de eigen levensbeschouwing aan te bieden wanneer ze dat wensen.Tot slot blijkt uit onderzoek dat er een maatschappelijk draagvlak is voor een vak zoals LEF, terwijl dit veel minder het geval is voor de huidige levensbeschouwelijke vakken. Zo werd er in augustus 2016 in opdracht van Groen door iVox bij 1000 Vlamingen in Vlaanderen en Brussel een online bevraging gedaan rond deze thematiek.De resultaten liegen er niet om: 69,6% van de ondervraagden gaat akkoord met de stelling dat 'vakken zoals godsdienst, islam, joodse godsdienst en zedenleer vervangen zouden moeten worden door een breder vak rond levensbeschouwing waarbij men kennis maakt met de waarden van alle religies en overtuigingen.' Slechts 21,4% gaat niet akkoord met deze stelling en 9% gaf aan hierover geen mening te hebben. Ook hieruit blijkt dat de invoering van een vak zoals LEF de vrijheid van onderwijs 'in overeenstemming met de [ouders'] eigen overtuigingen' helemaal niet fnuikt, maar deze veeleer ten goede komt.