België gaat te ver door de mogelijkheid te creëren dat ook EU-burgers die het land moeten verlaten tot acht maanden worden opgesloten. Dat zegt het Europees Hof van Justitie dinsdag, in antwoord op een prejudiciële vraag van het Belgisch Grondwettelijk Hof. De bestreden bepaling maakt deel uit van de aanpassing van de vreemdelingenwet die in 2017 op initiatief van toenmalig staatssecretaris Theo Francken (N-VA) werd goedgekeurd.

De wetswijziging had tot doel 'een meer coherent, meer transparant en meer efficiënt verwijderingsbeleid te voeren', staat te lezen in de parlementaire stukken van die tijd. De mogelijkheid moest worden gecreëerd 'gemakkelijker en sneller de vereiste maatregelen te nemen wanneer de openbare orde of de nationale veiligheid zijn bedreigd'. Eerdere bezwaren tegen de 'nieuwe vreemdelingenwet' van Francken werden door het Grondwettelijk Hof telkens ongegrond verklaard, maar in het kader van de zaak die nu nog loopt, heeft het toch bij het Europees Hof aangeklopt met een vraag om interpretatie van de Europese wetgeving.

Het gaat in deze zaak om de maximale termijn voor de opsluiting van EU-burgers en hun familieleden die het Belgische grondgebied moeten verlaten en geen gevolg hebben gegeven aan een eerder zogenaamd verwijderbesluit. Zoals dat ook voor niet-EU-burgers het geval is, is die termijn op acht maanden vastgesteld.

Voor het Europees Hof gaat België met deze regeling te ver. Om uiteenlopende redenen is het niet geoorloofd om onderdanen van EU-lidstaten die België moeten verlaten op dezelfde manier te behandelen als derdelanders die zo'n bevel kregen. Zo kunnen de EU-landen gebruikmaken van de bestaande samenwerkingsmechanismen om burgers naar hun eigen land terug te brengen. Bovendien zijn de praktische moeilijkheden doorgaans niet zo groot als bij de verwijdering van derdelanders én moeten EU-landen hun eigen onderdanen zonder formaliteiten binnenlaten, argumenteert het Hof in Luxemburg.

Het is nu aan het Grondwettelijk Hof om op basis van het antwoord van het Europees Hof een beslissing te nemen. Mogelijk worden de betrokken artikelen van de wet van 2017 (art. 28 tot 32) vernietigd. De zaak werd aanhangig gemaakt door Vluchtelingenwerk Vlaanderen, drie Franstalige vzw's en de Orde van Franstalige en Duitstalige balies.

België gaat te ver door de mogelijkheid te creëren dat ook EU-burgers die het land moeten verlaten tot acht maanden worden opgesloten. Dat zegt het Europees Hof van Justitie dinsdag, in antwoord op een prejudiciële vraag van het Belgisch Grondwettelijk Hof. De bestreden bepaling maakt deel uit van de aanpassing van de vreemdelingenwet die in 2017 op initiatief van toenmalig staatssecretaris Theo Francken (N-VA) werd goedgekeurd. De wetswijziging had tot doel 'een meer coherent, meer transparant en meer efficiënt verwijderingsbeleid te voeren', staat te lezen in de parlementaire stukken van die tijd. De mogelijkheid moest worden gecreëerd 'gemakkelijker en sneller de vereiste maatregelen te nemen wanneer de openbare orde of de nationale veiligheid zijn bedreigd'. Eerdere bezwaren tegen de 'nieuwe vreemdelingenwet' van Francken werden door het Grondwettelijk Hof telkens ongegrond verklaard, maar in het kader van de zaak die nu nog loopt, heeft het toch bij het Europees Hof aangeklopt met een vraag om interpretatie van de Europese wetgeving. Het gaat in deze zaak om de maximale termijn voor de opsluiting van EU-burgers en hun familieleden die het Belgische grondgebied moeten verlaten en geen gevolg hebben gegeven aan een eerder zogenaamd verwijderbesluit. Zoals dat ook voor niet-EU-burgers het geval is, is die termijn op acht maanden vastgesteld. Voor het Europees Hof gaat België met deze regeling te ver. Om uiteenlopende redenen is het niet geoorloofd om onderdanen van EU-lidstaten die België moeten verlaten op dezelfde manier te behandelen als derdelanders die zo'n bevel kregen. Zo kunnen de EU-landen gebruikmaken van de bestaande samenwerkingsmechanismen om burgers naar hun eigen land terug te brengen. Bovendien zijn de praktische moeilijkheden doorgaans niet zo groot als bij de verwijdering van derdelanders én moeten EU-landen hun eigen onderdanen zonder formaliteiten binnenlaten, argumenteert het Hof in Luxemburg. Het is nu aan het Grondwettelijk Hof om op basis van het antwoord van het Europees Hof een beslissing te nemen. Mogelijk worden de betrokken artikelen van de wet van 2017 (art. 28 tot 32) vernietigd. De zaak werd aanhangig gemaakt door Vluchtelingenwerk Vlaanderen, drie Franstalige vzw's en de Orde van Franstalige en Duitstalige balies.