Twee vakantieparadijzen

Wie niet verder kijkt dan de resorts en de palmenstranden, zal geen groot verschil ontdekken tussen Mauritius en de Malediven, twee tropische eilandstaatjes midden in de warme wateren van de Indische Oceaan. Op Mauritius wonen 1,2 miljoen mensen, op de Malediven een kleine 500.000. Beide hebben een koloniaal verleden. Mauritius was tot 1710 Nederlands, daarna Frans en vanaf 1810 Brits. De Malediven waren lang een onafhankelijk sultanaat, maar werden in 1887 als protectoraat bij het Britse Rijk ingelijfd. De Malediven werden in 1965 onafhankelijk, Mauritius in 1968. Natuurlijke hulpbronnen zoals olie, gas, ertsen of zeldzame mineralen hebben ze geen van beide, en ze zijn voor hun deviezeninkomsten vooral op toerisme aangewezen. Daarnaast leven de Malediven onder andere van de visvangst en Mauritius van de aanbouw van suikerriet, textielproductie en financiële dienstverlening. Ook wat welvaartsniveau betreft ontlopen ze elkaar niet veel: het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking bedroeg in 2015 in de Malediven 9446 dollar, in Mauritius 9041 dollar.

Toch schuilt er achter de façade van de wuivende palmen een wereld van verschil tussen de twee landen als het gaat om democratie en mensenrechten. Sinds de onafhankelijkheid is Mauritius een toonbeeld van politieke stabiliteit geweest en kende onafgebroken een democratisch regime. De bevolking is in meerderheid hindoeïstisch maar de aanzienlijke christelijke en islamitische minderheden kunnen hun geloof vrijelijk belijden. Naast hindoeïstische feestdagen zijn ook kerst en het islamitische offerfeest officiële vrije dagen.

In de Malediven daarentegen heeft de democratie nooit voet aan de grond gekregen. Na de onafhankelijkheid begon het goed en een aantal jaren hield de democratie stand. Maar vanaf 1978 tot 2008 regeerde onafgebroken dezelfde president, Maumoon Abdul Gayoom, die zich steeds liet 'kiezen' in verkiezingen zonder tegenkandidaat. In 2008 besloot hij voor het eerst democratische presidentsverkiezingen uit te schrijven en verloor prompt. De daaropvolgende kortstondige democratische opening werd in 2012 gesmoord in een staatsgreep.

Sindsdien regeert Abdulla Yameen, de halfbroer van Gayoom. In februari 2018 riep hij de noodtoestand uit en liet onder andere twee leden van het hooggerechtshof en zijn halfbroer, die inmiddels de kant van de oppositie had gekozen, gevangenzetten. Religieuze vrijheid kent het land niet: de soennitische islam is staatsreligie, het openlijk praktiseren van andere religies dan de islam is verboden, niet-moslims kunnen geen staatsburger worden, en voor moslims staat straf op geloofsafvalligheid. De wetgeving is deels gebaseerd op de sharia en kent lijfstraffen onder meer voor overspel.

Zowel in de index van religieuze onvrijheid van de Amerikaanse godsdienstsociologen Brian Grim en Roger Finke als in die van religieuze vervolging van de Israëlische politicoloog Jonathan Fox komen de Malediven op de tweede plaats van de wereld. Alleen in Saudi-Arabië is het volgens beide indices nog slechter met de rechten van religieuze minderheden gesteld. In beide indices zijn acht van de tien landen met de ergste godsdienstvervolging en onvrijheid islamitisch.

Vrijheid en democratie internationaal vergeleken

Mauritius en de Malediven hebben veel gemeen - dezelfde geografische regio, een Brits koloniaal verleden, een op toerisme georiënteerde economie, een vergelijkbaar welvaartsniveau - maar ze verschillen sterk wat democratie, politieke stabiliteit en mensenrechten betreft aan de ene kant, en de dominante religie aan de andere kant. Natuurlijk bewijst een vergelijking van slechts twee landen opzichzelfstaand helemaal niets. Niet in alle islamitische landen is het zo slecht gesteld met democratie en mensenrechten als op de Malediven en heel wat niet-islamitische landen zijn een stuk minder democratisch dan Mauritius. Voor een generaliseerbaar antwoord op de vraag in welke mate factoren als economische welvaart, de samenstelling van de economie, koloniale erfenissen en religie een rol spelen bij de verklaring van democratiseringsprocessen moeten we een bredere, wereldwijde vergelijking trekken.

Daartoe kunnen we gebruikmaken van internationaal vergelijkende metingen van de mate van democratie en vrijheid. Twee in de wetenschap veel gebruikte bronnen zijn het door de Amerikaanse politicoloog Ted Robert Gurr ontwikkelde en nu door de Amerikaanse regering gefinancierde 'Polity'-project, en de jaarlijkse 'Freedom in the World'-rapporten van Freedom House, een eveneens door de Amerikaanse regering en door het Open Society Institute van George Soros gefinancierde ngo. Recentelijk is daar de 'Democracy Index' bijgekomen van de aan het gelijknamige Britse weekblad gelieerde Economist Intelligence Unit.

De aspecten die een rol spelen verschillen enigszins tussen de drie indices. Polity kijkt vooral naar de mate waarin verkiezingen vrij en competitief zijn, terwijl Freedom House en de Economist naast politieke rechten in engere zin ook naar andere burgerlijke vrijheden (bijvoorbeeld persvrijheid en religieuze vrijheid) kijken, en de Economist ook nog naar politieke participatie en het effectief functioneren van de regering. Freedom House omvat alle - 195 in 2016 - onafhankelijke staten van de wereld, terwijl Polity en de Economist geen informatie bieden over een kleine dertig onafhankelijke landen met minder dan 500.000 inwoners, waaronder bijvoorbeeld de Malediven, Brunei, IJsland en Malta. Anders dan Polity en Freedom House is de index van de Economist pas beschikbaar sinds 2006 en staat daarom geen vergelijkingen met het verleden toe.

Afgezien daarvan maakt het in de praktijk niet veel uit welke index men gebruikt, omdat ze zeer sterk met elkaar samenhangen. Met name de Freedom House- en Economist-indices leveren een vrijwel identiek beeld op, maar ook de andere combinaties ontlopen elkaar niet veel.

Ik gebruik daarom in het navolgende de index van Freedom House, omdat die, anders dan die van de Economist, vergelijkingen door de tijd heen mogelijk maakt, op een bredere definitie van democratie dan Polity is gebaseerd, en een groter aantal landen omvat dan zowel Polity als Economist.

De Freedom House-index omvat politieke rechten en burgerlijke vrijheden en beeldt die af op een schaal van 1 voor de meest democratische en vrije landen tot 7 voor de meest autoritaire, onvrije landen. Landen met een score van 1 tot 2,5 noemt Freedom House 'vrij' - Nederland (met een score van 1 in 2018) en alle andere landen van de Europese Unie vallen in die categorie, hoewel Hongarije met een score van 2,5 op het randje zit.

Landen met een score tussen de 3 en 5 punten noemt Freedom House 'gedeeltelijk vrij' - daaronder vallen bijvoorbeeld Oekraïne (3), Indonesië (3) en Marokko (5). Landen met een score van 5,5 tot 7 ten slotte zijn 'onvrij'. Voorbeelden daarvan zijn Turkije (5,5), Egypte (5,5), China en Rusland (allebei 6,5) en als hekkensluiters landen als Noord-Korea en Saudi-Arabië (beide 7).

Afbeelding 2.1: politieke regimes in onafhankelijke staten wereldwijd, 1972-2016

.
© .

Afbeelding 2.1 laat de ontwikkeling van democratie en mensenrechten in de wereld zien tussen 1972, het eerste jaar waarvoor de gegevens van Freedom House beschikbaar zijn, en 2018. In 1972 was democratie absoluut geen gemeengoed. In Latijns-Amerika, Afrika en Azië domineerden autoritaire regimes van diverse garnituur, Oost-Europa zuchtte onder het juk van communistische dictaturen, in Spanje en Portugal regeerden de fascisten Franco en Salazar, en in Griekenland hadden rechtse kolonels de macht gegrepen.

Wereldwijd waren in 1972 slechts drie op de tien landen democratisch. Sindsdien, en met name sinds het einde van de Koude Oorlog, heeft de democratie een ongekende opmars doorgemaakt. Hoewel er door dekolonisatie en het uiteenvallen van staten als de Sovjet- Unie en Joegoslavië een dikke vijftig onafhankelijke landen bijkwamen, nam het aantal onvrije dictaturen af van 62 naar 47. Het aantal democratieën daarentegen verdubbelde van 43 naar 87. Dat in populaire vakantielanden als Spanje en Griekenland nog niet zo heel lang geleden wrede autoritaire regimes heersten, is nauwelijks meer voor te stellen.

In Europa is anno 2018 met uitzondering van Rusland en Wit-Rusland geen echte dictatuur meer te vinden. Voormalige militaire regimes in Zuid-Amerika zoals Argentinië, Chili en Brazilië zijn stabiele democratieën geworden en hetzelfde geldt voor de voormalige dictaturen in Zuid-Korea en Taiwan en het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Overal ter wereld heeft de democratie haar vleugels uitgeslagen.

Overal? Nee: aan één deel van de wereld is de democratiseringsgolf van de afgelopen vijftig jaar volledig voorbijgegaan. Aan het begin van de jaren zeventig waren er wereldwijd 36 onafhankelijke landen met een islamitische bevolkingsmeerderheid. Slechts vier daarvan - Libanon, Maleisië, het West-Afrikaanse Gambia en, toen nog, de Malediven - waren vrije democratieën. Daarmee lag het percentage democratieën in de islamitische wereld met 11 procent ook toen al duidelijk onder dat van de niet-islamitische landen (38 procent).

Afbeelding 2.2 laat zien dat de kloof tussen de islamitische en de niet-islamitische wereld sindsdien nog veel groter is geworden. Anno 2018 waren er nog maar twee democratische landen met een islamitische bevolkingsmeerderheid, en dat terwijl het aantal onafhankelijke islamitische staten toenam van 36 naar 47. De twee islamitische democratieën die de wereld anno 2018 rijk is - Senegal en Tunesië - zijn bovendien nog tamelijk pril. Twee andere islamitische landen - Mali en Indonesië - konden tot voor enige jaren geleden nog als democratie gelden maar zijn onder invloed van fundamentalistische bewegingen inmiddels in autoritaire richting afgegleden.

Turkije leek een tijd lang op de goede weg, maar ook daar is het tij na een paar hoopvolle jaren radicaal gekeerd. Sinds 2010, toen Turkije met een Freedom House-score van 3 op de rand van de overgang naar democratie leek te staan, is het land onder leiding van Recep Tayyip Erdogan steeds verder in het autoritarisme afgegleden en bevindt zich met een score van 5,5 nu in het twijfelachtige gezelschap van dictaturen als Venezuela en Zimbabwe.

De Arabische Lente van 2010 en 2011, die vrijheid en democratie had moeten brengen, bracht - met Tunesië als enige uitzondering - het tegendeel: bloedige burgeroorlogen in Syrië, Irak en Libië en een wereldwijde golf van terreur.

.
© .

Het enige waarmee de islamitische wereld inmiddels de rest achter zich laat, is het aantal dictaturen: 25 stuks maar liefst, tegen 22 niet-islamitische dictaturen. En dat hoewel slechts een kwart van de landen op de wereld een islamitische bevolkingsmeerderheid heeft.

In de niet-islamitische wereld is democratie inmiddels de norm geworden: 57 procent van de niet-islamitische landen is democratisch en slechts 15 procent heeft onvrije, autoritaire regimes. Dat is geen exclusief 'westers' verschijnsel. In de niet-islamitische landen van Centraal- en Zuid-Amerika, Afrika, Azië en Oceanië (Australië en Nieuw-Zeeland als 'westerse' landen niet meegerekend) is altijd nog 45 procent van de landen democratisch en maar 20 procent onvrij. In de islamitische wereld liggen de verhoudingen precies omgekeerd: 53 procent van de islamitische landen is autoritair, een schamele 4 procent is democratisch.

Het opmerkelijke verschil tussen de Malediven en Mauritius staat dus geenszins op zichzelf, maar illustreert een veel breder fenomeen. Waar de rest van de wereld in de afgelopen decennia een stuk democratischer is geworden, is de islamitische wereld alleen maar verder in autoritarisme verzonken. De uit een Indiase moslimfamilie stammende Amerikaanse politicoloog en journalist Fareed Zakaria brengt het probleem als volgt onder woorden: 'De Arabische wereld zit heden ten dage gevangen tussen autoritaire staten en ondemocratische (illiberal) samenlevingen; geen van beide biedt een vruchtbare voedingsbodem voor liberale democratie.'

Waar in andere delen van de wereld volksopstanden en revoluties tegen autoritaire regimes in de afgelopen vijftig jaar vaak tot democratisering hebben geleid, zijn omwentelingen in de islamitische wereld bijna altijd in nieuwe vormen van autoritarisme uitgemond: ofwel doordat islamitische fundamentalisten, zoals in Iran of Afghanistan, zelf met geweld de macht grepen; of doordat het leger tegen een dreigende fundamentalistische machtsovername putschte, zoals in Algerije of Egypte; of, zoals in Turkije, doordat democratisch gekozen islamisten de democratie beetje bij beetje hebben afgeschaft.

We kunnen er lang over discussiëren of islam en democratie in theorie kunnen samengaan. In de praktijk gaat dat huwelijk in elk geval maar zelden goed. We mogen en moeten hopen dat Senegal en Tunesië dat lot bespaard blijft. Als we op de ervaringen uit het verleden afgaan, is er echter weinig reden om daar gerust op te zijn.

Een Arabisch of een islamitisch democratisch tekort?

Is het gerechtvaardigd over een democratisch tekort van de islamitische wereld te spreken of hebben we met een meer specifiek Arabisch probleem te maken? In 2004 was Fareed Zakaria, zoals uit het bovenstaande citaat blijkt, nog van het laatste overtuigd. Ook andere auteurs hebben beweerd dat het vooral de Arabische landen zijn die aan een gebrek aan democratie lijden, terwijl andere islamitische landen niet noemenswaardig van de rest van de wereld zouden verschillen.

Ook kunnen er vraagtekens gezet worden bij de homogeniteit van de niet-islamitische wereld. Is de democratiseringstrend van de afgelopen vijftig jaar vooral een westers fenomeen of strekt deze zich ook tot niet-westerse landen uit?

Afbeelding 2.3: mate van politieke onvrijheid (1= maximale vrijheid; 7= maximale onvrijheid) in Arabische landen, andere islamitische landen, westerse landen, en andere niet-islamitische landen, 1972-2018

.
© .

Die vragen kunnen we beantwoorden aan de hand van afbeelding 2.3. Daarin is de gemiddelde score op de Freedom House-schaal - waarbij 1 voor de meest democratische en 7 voor de meest autoritaire regimes staat - weergegeven voor vier groepen van landen: Arabische landen, andere islamitische landen, westerse landen, en niet-westerse niet-islamitische landen. Tot de Arabische landen reken ik de 21 onafhankelijke staten die lid zijn van de Arabische Liga.11 Westerse landen definieer ik als alle Europese landen met uitzondering van Rusland, plus de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.

Ruud Koopmans, Het vervallen huis van de islam, Uitgeverij Prometheus, 256 p., 24,99 euro., Prometheus
Ruud Koopmans, Het vervallen huis van de islam, Uitgeverij Prometheus, 256 p., 24,99 euro. © Prometheus

We zien dat de politieke regimes van de Arabische landen weliswaar nog onvrijer zijn dan die van de rest van de islamitische wereld, maar dat er in beide groepen landen sinds 1972 geen beweging naar meer democratie heeft plaatsgevonden. Daarentegen was er in zowel de westerse als de rest van de niet-islamitische wereld een duidelijke democratiseringstrend. In de westerse wereld was die een gevolg van de val van de dictaturen in Zuid- en Oost-Europa, in de andere niet-islamitische landen won de democratie vooral terrein in Centraal- en Zuid-Amerika, Oost-Azië en delen van Afrika.

De democratische kloof tussen de islamitische en de niet-islamitische wereld is daardoor sinds 1972 sterk gegroeid. De Arabische landen staken al in 1972 slecht af bij de rest van de wereld, maar sindsdien is er ook een grote democratische kloof ontstaan tussen de niet-Arabische islamitische landen en de rest van de wereld. We hebben dus wel degelijk met een islamitisch democratisch deficit te maken en niet alleen met een Arabisch probleem.

Ruud Koopmans, Het vervallen huis van de islam, Uitgeverij Prometheus, 256 p., 24,99 euro.

Wie niet verder kijkt dan de resorts en de palmenstranden, zal geen groot verschil ontdekken tussen Mauritius en de Malediven, twee tropische eilandstaatjes midden in de warme wateren van de Indische Oceaan. Op Mauritius wonen 1,2 miljoen mensen, op de Malediven een kleine 500.000. Beide hebben een koloniaal verleden. Mauritius was tot 1710 Nederlands, daarna Frans en vanaf 1810 Brits. De Malediven waren lang een onafhankelijk sultanaat, maar werden in 1887 als protectoraat bij het Britse Rijk ingelijfd. De Malediven werden in 1965 onafhankelijk, Mauritius in 1968. Natuurlijke hulpbronnen zoals olie, gas, ertsen of zeldzame mineralen hebben ze geen van beide, en ze zijn voor hun deviezeninkomsten vooral op toerisme aangewezen. Daarnaast leven de Malediven onder andere van de visvangst en Mauritius van de aanbouw van suikerriet, textielproductie en financiële dienstverlening. Ook wat welvaartsniveau betreft ontlopen ze elkaar niet veel: het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking bedroeg in 2015 in de Malediven 9446 dollar, in Mauritius 9041 dollar. Toch schuilt er achter de façade van de wuivende palmen een wereld van verschil tussen de twee landen als het gaat om democratie en mensenrechten. Sinds de onafhankelijkheid is Mauritius een toonbeeld van politieke stabiliteit geweest en kende onafgebroken een democratisch regime. De bevolking is in meerderheid hindoeïstisch maar de aanzienlijke christelijke en islamitische minderheden kunnen hun geloof vrijelijk belijden. Naast hindoeïstische feestdagen zijn ook kerst en het islamitische offerfeest officiële vrije dagen.In de Malediven daarentegen heeft de democratie nooit voet aan de grond gekregen. Na de onafhankelijkheid begon het goed en een aantal jaren hield de democratie stand. Maar vanaf 1978 tot 2008 regeerde onafgebroken dezelfde president, Maumoon Abdul Gayoom, die zich steeds liet 'kiezen' in verkiezingen zonder tegenkandidaat. In 2008 besloot hij voor het eerst democratische presidentsverkiezingen uit te schrijven en verloor prompt. De daaropvolgende kortstondige democratische opening werd in 2012 gesmoord in een staatsgreep. Sindsdien regeert Abdulla Yameen, de halfbroer van Gayoom. In februari 2018 riep hij de noodtoestand uit en liet onder andere twee leden van het hooggerechtshof en zijn halfbroer, die inmiddels de kant van de oppositie had gekozen, gevangenzetten. Religieuze vrijheid kent het land niet: de soennitische islam is staatsreligie, het openlijk praktiseren van andere religies dan de islam is verboden, niet-moslims kunnen geen staatsburger worden, en voor moslims staat straf op geloofsafvalligheid. De wetgeving is deels gebaseerd op de sharia en kent lijfstraffen onder meer voor overspel. Zowel in de index van religieuze onvrijheid van de Amerikaanse godsdienstsociologen Brian Grim en Roger Finke als in die van religieuze vervolging van de Israëlische politicoloog Jonathan Fox komen de Malediven op de tweede plaats van de wereld. Alleen in Saudi-Arabië is het volgens beide indices nog slechter met de rechten van religieuze minderheden gesteld. In beide indices zijn acht van de tien landen met de ergste godsdienstvervolging en onvrijheid islamitisch. Mauritius en de Malediven hebben veel gemeen - dezelfde geografische regio, een Brits koloniaal verleden, een op toerisme georiënteerde economie, een vergelijkbaar welvaartsniveau - maar ze verschillen sterk wat democratie, politieke stabiliteit en mensenrechten betreft aan de ene kant, en de dominante religie aan de andere kant. Natuurlijk bewijst een vergelijking van slechts twee landen opzichzelfstaand helemaal niets. Niet in alle islamitische landen is het zo slecht gesteld met democratie en mensenrechten als op de Malediven en heel wat niet-islamitische landen zijn een stuk minder democratisch dan Mauritius. Voor een generaliseerbaar antwoord op de vraag in welke mate factoren als economische welvaart, de samenstelling van de economie, koloniale erfenissen en religie een rol spelen bij de verklaring van democratiseringsprocessen moeten we een bredere, wereldwijde vergelijking trekken.Daartoe kunnen we gebruikmaken van internationaal vergelijkende metingen van de mate van democratie en vrijheid. Twee in de wetenschap veel gebruikte bronnen zijn het door de Amerikaanse politicoloog Ted Robert Gurr ontwikkelde en nu door de Amerikaanse regering gefinancierde 'Polity'-project, en de jaarlijkse 'Freedom in the World'-rapporten van Freedom House, een eveneens door de Amerikaanse regering en door het Open Society Institute van George Soros gefinancierde ngo. Recentelijk is daar de 'Democracy Index' bijgekomen van de aan het gelijknamige Britse weekblad gelieerde Economist Intelligence Unit. De aspecten die een rol spelen verschillen enigszins tussen de drie indices. Polity kijkt vooral naar de mate waarin verkiezingen vrij en competitief zijn, terwijl Freedom House en de Economist naast politieke rechten in engere zin ook naar andere burgerlijke vrijheden (bijvoorbeeld persvrijheid en religieuze vrijheid) kijken, en de Economist ook nog naar politieke participatie en het effectief functioneren van de regering. Freedom House omvat alle - 195 in 2016 - onafhankelijke staten van de wereld, terwijl Polity en de Economist geen informatie bieden over een kleine dertig onafhankelijke landen met minder dan 500.000 inwoners, waaronder bijvoorbeeld de Malediven, Brunei, IJsland en Malta. Anders dan Polity en Freedom House is de index van de Economist pas beschikbaar sinds 2006 en staat daarom geen vergelijkingen met het verleden toe. Afgezien daarvan maakt het in de praktijk niet veel uit welke index men gebruikt, omdat ze zeer sterk met elkaar samenhangen. Met name de Freedom House- en Economist-indices leveren een vrijwel identiek beeld op, maar ook de andere combinaties ontlopen elkaar niet veel. Ik gebruik daarom in het navolgende de index van Freedom House, omdat die, anders dan die van de Economist, vergelijkingen door de tijd heen mogelijk maakt, op een bredere definitie van democratie dan Polity is gebaseerd, en een groter aantal landen omvat dan zowel Polity als Economist. De Freedom House-index omvat politieke rechten en burgerlijke vrijheden en beeldt die af op een schaal van 1 voor de meest democratische en vrije landen tot 7 voor de meest autoritaire, onvrije landen. Landen met een score van 1 tot 2,5 noemt Freedom House 'vrij' - Nederland (met een score van 1 in 2018) en alle andere landen van de Europese Unie vallen in die categorie, hoewel Hongarije met een score van 2,5 op het randje zit.Landen met een score tussen de 3 en 5 punten noemt Freedom House 'gedeeltelijk vrij' - daaronder vallen bijvoorbeeld Oekraïne (3), Indonesië (3) en Marokko (5). Landen met een score van 5,5 tot 7 ten slotte zijn 'onvrij'. Voorbeelden daarvan zijn Turkije (5,5), Egypte (5,5), China en Rusland (allebei 6,5) en als hekkensluiters landen als Noord-Korea en Saudi-Arabië (beide 7). Afbeelding 2.1: politieke regimes in onafhankelijke staten wereldwijd, 1972-2016 Afbeelding 2.1 laat de ontwikkeling van democratie en mensenrechten in de wereld zien tussen 1972, het eerste jaar waarvoor de gegevens van Freedom House beschikbaar zijn, en 2018. In 1972 was democratie absoluut geen gemeengoed. In Latijns-Amerika, Afrika en Azië domineerden autoritaire regimes van diverse garnituur, Oost-Europa zuchtte onder het juk van communistische dictaturen, in Spanje en Portugal regeerden de fascisten Franco en Salazar, en in Griekenland hadden rechtse kolonels de macht gegrepen. Wereldwijd waren in 1972 slechts drie op de tien landen democratisch. Sindsdien, en met name sinds het einde van de Koude Oorlog, heeft de democratie een ongekende opmars doorgemaakt. Hoewel er door dekolonisatie en het uiteenvallen van staten als de Sovjet- Unie en Joegoslavië een dikke vijftig onafhankelijke landen bijkwamen, nam het aantal onvrije dictaturen af van 62 naar 47. Het aantal democratieën daarentegen verdubbelde van 43 naar 87. Dat in populaire vakantielanden als Spanje en Griekenland nog niet zo heel lang geleden wrede autoritaire regimes heersten, is nauwelijks meer voor te stellen. In Europa is anno 2018 met uitzondering van Rusland en Wit-Rusland geen echte dictatuur meer te vinden. Voormalige militaire regimes in Zuid-Amerika zoals Argentinië, Chili en Brazilië zijn stabiele democratieën geworden en hetzelfde geldt voor de voormalige dictaturen in Zuid-Korea en Taiwan en het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Overal ter wereld heeft de democratie haar vleugels uitgeslagen. Overal? Nee: aan één deel van de wereld is de democratiseringsgolf van de afgelopen vijftig jaar volledig voorbijgegaan. Aan het begin van de jaren zeventig waren er wereldwijd 36 onafhankelijke landen met een islamitische bevolkingsmeerderheid. Slechts vier daarvan - Libanon, Maleisië, het West-Afrikaanse Gambia en, toen nog, de Malediven - waren vrije democratieën. Daarmee lag het percentage democratieën in de islamitische wereld met 11 procent ook toen al duidelijk onder dat van de niet-islamitische landen (38 procent). Afbeelding 2.2 laat zien dat de kloof tussen de islamitische en de niet-islamitische wereld sindsdien nog veel groter is geworden. Anno 2018 waren er nog maar twee democratische landen met een islamitische bevolkingsmeerderheid, en dat terwijl het aantal onafhankelijke islamitische staten toenam van 36 naar 47. De twee islamitische democratieën die de wereld anno 2018 rijk is - Senegal en Tunesië - zijn bovendien nog tamelijk pril. Twee andere islamitische landen - Mali en Indonesië - konden tot voor enige jaren geleden nog als democratie gelden maar zijn onder invloed van fundamentalistische bewegingen inmiddels in autoritaire richting afgegleden. Turkije leek een tijd lang op de goede weg, maar ook daar is het tij na een paar hoopvolle jaren radicaal gekeerd. Sinds 2010, toen Turkije met een Freedom House-score van 3 op de rand van de overgang naar democratie leek te staan, is het land onder leiding van Recep Tayyip Erdogan steeds verder in het autoritarisme afgegleden en bevindt zich met een score van 5,5 nu in het twijfelachtige gezelschap van dictaturen als Venezuela en Zimbabwe. De Arabische Lente van 2010 en 2011, die vrijheid en democratie had moeten brengen, bracht - met Tunesië als enige uitzondering - het tegendeel: bloedige burgeroorlogen in Syrië, Irak en Libië en een wereldwijde golf van terreur. Het enige waarmee de islamitische wereld inmiddels de rest achter zich laat, is het aantal dictaturen: 25 stuks maar liefst, tegen 22 niet-islamitische dictaturen. En dat hoewel slechts een kwart van de landen op de wereld een islamitische bevolkingsmeerderheid heeft. In de niet-islamitische wereld is democratie inmiddels de norm geworden: 57 procent van de niet-islamitische landen is democratisch en slechts 15 procent heeft onvrije, autoritaire regimes. Dat is geen exclusief 'westers' verschijnsel. In de niet-islamitische landen van Centraal- en Zuid-Amerika, Afrika, Azië en Oceanië (Australië en Nieuw-Zeeland als 'westerse' landen niet meegerekend) is altijd nog 45 procent van de landen democratisch en maar 20 procent onvrij. In de islamitische wereld liggen de verhoudingen precies omgekeerd: 53 procent van de islamitische landen is autoritair, een schamele 4 procent is democratisch. Het opmerkelijke verschil tussen de Malediven en Mauritius staat dus geenszins op zichzelf, maar illustreert een veel breder fenomeen. Waar de rest van de wereld in de afgelopen decennia een stuk democratischer is geworden, is de islamitische wereld alleen maar verder in autoritarisme verzonken. De uit een Indiase moslimfamilie stammende Amerikaanse politicoloog en journalist Fareed Zakaria brengt het probleem als volgt onder woorden: 'De Arabische wereld zit heden ten dage gevangen tussen autoritaire staten en ondemocratische (illiberal) samenlevingen; geen van beide biedt een vruchtbare voedingsbodem voor liberale democratie.' Waar in andere delen van de wereld volksopstanden en revoluties tegen autoritaire regimes in de afgelopen vijftig jaar vaak tot democratisering hebben geleid, zijn omwentelingen in de islamitische wereld bijna altijd in nieuwe vormen van autoritarisme uitgemond: ofwel doordat islamitische fundamentalisten, zoals in Iran of Afghanistan, zelf met geweld de macht grepen; of doordat het leger tegen een dreigende fundamentalistische machtsovername putschte, zoals in Algerije of Egypte; of, zoals in Turkije, doordat democratisch gekozen islamisten de democratie beetje bij beetje hebben afgeschaft. We kunnen er lang over discussiëren of islam en democratie in theorie kunnen samengaan. In de praktijk gaat dat huwelijk in elk geval maar zelden goed. We mogen en moeten hopen dat Senegal en Tunesië dat lot bespaard blijft. Als we op de ervaringen uit het verleden afgaan, is er echter weinig reden om daar gerust op te zijn.Is het gerechtvaardigd over een democratisch tekort van de islamitische wereld te spreken of hebben we met een meer specifiek Arabisch probleem te maken? In 2004 was Fareed Zakaria, zoals uit het bovenstaande citaat blijkt, nog van het laatste overtuigd. Ook andere auteurs hebben beweerd dat het vooral de Arabische landen zijn die aan een gebrek aan democratie lijden, terwijl andere islamitische landen niet noemenswaardig van de rest van de wereld zouden verschillen. Ook kunnen er vraagtekens gezet worden bij de homogeniteit van de niet-islamitische wereld. Is de democratiseringstrend van de afgelopen vijftig jaar vooral een westers fenomeen of strekt deze zich ook tot niet-westerse landen uit?Afbeelding 2.3: mate van politieke onvrijheid (1= maximale vrijheid; 7= maximale onvrijheid) in Arabische landen, andere islamitische landen, westerse landen, en andere niet-islamitische landen, 1972-2018Die vragen kunnen we beantwoorden aan de hand van afbeelding 2.3. Daarin is de gemiddelde score op de Freedom House-schaal - waarbij 1 voor de meest democratische en 7 voor de meest autoritaire regimes staat - weergegeven voor vier groepen van landen: Arabische landen, andere islamitische landen, westerse landen, en niet-westerse niet-islamitische landen. Tot de Arabische landen reken ik de 21 onafhankelijke staten die lid zijn van de Arabische Liga.11 Westerse landen definieer ik als alle Europese landen met uitzondering van Rusland, plus de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. We zien dat de politieke regimes van de Arabische landen weliswaar nog onvrijer zijn dan die van de rest van de islamitische wereld, maar dat er in beide groepen landen sinds 1972 geen beweging naar meer democratie heeft plaatsgevonden. Daarentegen was er in zowel de westerse als de rest van de niet-islamitische wereld een duidelijke democratiseringstrend. In de westerse wereld was die een gevolg van de val van de dictaturen in Zuid- en Oost-Europa, in de andere niet-islamitische landen won de democratie vooral terrein in Centraal- en Zuid-Amerika, Oost-Azië en delen van Afrika. De democratische kloof tussen de islamitische en de niet-islamitische wereld is daardoor sinds 1972 sterk gegroeid. De Arabische landen staken al in 1972 slecht af bij de rest van de wereld, maar sindsdien is er ook een grote democratische kloof ontstaan tussen de niet-Arabische islamitische landen en de rest van de wereld. We hebben dus wel degelijk met een islamitisch democratisch deficit te maken en niet alleen met een Arabisch probleem.