Aan de intenties lag het niet. De principes waarop het neoliberalisme is gebouwd waren zonder meer nobel. Bezorgd over de opmars van totalitaire regimes waarschuwden de Oostenrijkse economen Friedrich Hayek en Ludwig von Mises al in de jaren dertig dat programma's zoals Roosevelts New Deal en andere vormen van overheidssteun en regulering het gevaar in zich droegen dat overheden steeds meer macht naar zich toe zouden trekken. Staatssteun kon ontaarden in woekerende staatsbemoeienis, wat burgers zou verpulveren onder bureaucratie en willekeurige wetgeving, zoals het nazisme en communisme inmiddels hadden laten zien.

De rol van de overheid moest nauwkeurig omschreven worden en beperkt zijn, om de vrijheid van de burgers zoveel mogelijk te garanderen. Daarom was het tijd voor een nieuw liberalisme. Hoewel oorspronkelijk bedoeld om burgers te beschermen, zouden zij uiteindelijk het minst van het neoliberalisme profiteren. Het idee werd namelijk gekaapt door het bedrijfsleven en multimiljonairs, die om heel andere redenen voordelen zagen in deregulering en beperkte overheidsbemoeienis.

In zijn boek Masters of the Universe. Hayek, Friedman, and the Birth of Neoliberal Politics beschrijft de Britse historicus Daniel Stedman Jones hoe die interpretatie van neoliberalisme in de decennia na de Tweede Wereldoorlog verder uitgewerkt en gepromoot zou worden via internationale denktanks. Zo werd het neoliberale gedachtegoed met zorg tot wasdom gebracht, maar voorlopig nog nauwelijks in de politieke praktijk toegepast. Daarvoor was de tijd nog niet rijp.

'In de praktijk van het neoliberalisme werd de vrije markt een verkapte vorm van oligopolie, waarin een kleine groep de gehele markt domineert'

In zowel Europa als Amerika was er tot ver in de jaren zeventig veel draagvlak voor een actieve, verzorgende overheid die met relatief hoge belastingen investeerde in het bestrijden van armoede en het uitbreiden van sociale zekerheden. Toen eind jaren zeventig vanwege de oliecrisis en internationale spanningen op beide continenten de economie abrupt en langdurig stagneerde, was het neoliberalisme volgroeid. Ronald Reagan en Margaret Thatcher vervolmaakten de ideologie door deze tot ruggengraat van hun beleid te maken: een voorbeeld dat al snel werd gevolgd door landen op het Europese vasteland.

Stedman Jones laat zien hoe vanaf dat moment de neoliberale gedachte het leidende principe werd binnen zowel de Amerikaanse als de West-Europese politiek: belastingverlagingen voor het bedrijfsleven, deregulering van onder meer de financiële markten, grootschalige privatisering, afbouw van de sociale zekerheid en dat alles gecombineerd met een heilig geloof in de helende werking van de vrije markt. Dat geloof bood geen ruimte voor het besef dat die markt helemaal niet zo vrij was. Tenminste niet vrij van gunstige belastingmaatregelen, uitzonderingen op de milieuwetgeving en andere prettige overheidscadeautjes die voortkwamen uit de lobby van het bedrijfsleven. Hoe groter het bedrijf, hoe meer invloed op de economie en dus op de politiek. In de praktijk van het neoliberalisme werd de vrije markt een verkapte vorm van oligopolie, waarin een kleine groep de gehele markt domineert.

Een van de meest opmerkelijke aspecten van het succes van het neoliberalisme is de buitengewoon brede acceptatie ervan. Het geloof in de vrije markt werd niet alleen door conservatieve en liberale politici maar door nagenoeg het hele politieke spectrum geadopteerd, waardoor tegen het eind van de twintigste eeuw zelfs sociaaldemocraten beleid voerden waarin gezondheidszorg en onderwijs niet aan marktwerking ontkwamen. 'Het is moeilijk om een andere "utopie" te bedenken die zo volledig verwezenlijkt is,' schrijft Stedman Jones. Maar hij laat daarbij doorschemeren dat het oorspronkelijke, humane neoliberalisme nauwelijks nog herkenbaar is in het kille technocratische format waartoe het is uitgegroeid.

'Afwijken van de norm wordt bestraft en alles wat niet in een formulier past bestaat niet'

In dat format heeft de vrijheid van de burger plaatsgemaakt voor de vrijheid van bedrijven. Of zoals onderzoeksjournalist George Monbiot het in zijn boek How Did We Get Into This Mess? omschrijft: 'Vrijheid zoals die wordt voorgestaan door neoliberalen betekent vrijgesteld zijn van belemmerende belangen van anderen, van eisen op het gebied van sociale zekerheid, van verantwoordelijkheid voor het milieu en vrijgesteld zijn van belastingen die gebruikt kunnen worden voor de financiering van publieke voorzieningen of het bestrijden van armoede.' Het betekent kortom vrijgesteld zijn van democratie.

Van het andere oeridee, dat individuen niet verpletterd zouden worden onder bureaucratie, is evenmin veel over in de huidige neoliberale samenleving. Rendement is het hoogste goed en dus moet alles meetbaar zijn. Zo'n beetje iedere handeling van burgers - van scholieren tot werknemers, en van patiënten tot artsen - moet worden doorgemeten, beformulierd, ge-audit en ge-assesst, willen ze ergens aanspraak op maken of hun baan behouden. Afwijken van de norm wordt bestraft en alles wat niet in een formulier past bestaat niet.

'Braaf juichen we mee als het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendmaakt dat de economie is gegroeid'

Beleidsmakers willen ons graag doen geloven dat innovatie een van de speerpunten is van het overheidsbeleid in kennisland Nederland, maar in de praktijk wordt innovatie steeds meer vervangen door standaardisatie. Zelfs in de wetenschap, waar innovatie toch de kernbezigheid zou moeten zijn, worden onderzoekers niet afgerekend op moeilijk te meten kwaliteit, maar op aantoonbare successen en de hoeveelheid artikelen die zij publiceren.

Uitkomst van onderzoek moet eigenlijk bij voorbaat vaststaan en vooral rendement opleveren. Men beseft blijkbaar niet dat fundamenteel onderzoek onmogelijk is zonder falen, zonder die talloze mislukte experimenten en onhoudbare hypotheses die nodig zijn om tot ontdekkingen en nieuwe inzichten te komen.

Groei is goed, meer is beter

Ondanks de verstrekkende invloed van het neoliberalisme op bijna alle aspecten van het leven hebben maar weinig mensen het idee dat ze onderworpen zijn aan een ideologie die hun denken en doen bepaalt. Er is geen sprake van een systeem waarin het individu ondergeschikt wordt gemaakt aan een idee, zoals Camus stelt. Of toch?

Het ingenieuze van de neoliberale ideologie is dat we denken dat er geen ideologie is, dat we zelf in alle vrijheid onze levens vormgeven. Het is de ultieme realisatie van Goebbels' befaamde uitspraak: 'Het geheim van propaganda is mensen zodanig doordringen van de gewenste ideeën, dat zij niet beseffen dat zij er überhaupt van doordrongen zijn.'

Kijk naar de babyboomers die hun sixties-idealen hebben opgegeven voor goedbetaalde banen, of naar de studenten die worden opgeleid om kritisch en zelfstandig te denken, maar merendeels na hun studie die kritische geest inruilen voor het bestaan van een goedbetaalde loonslaaf

We denken en handelen grotendeels zoals van ons consumenten wordt verwacht: vanuit onze portemonnee. Braaf juichen we mee als het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendmaakt dat de economie is gegroeid, praten we over 'de markt' alsof het een natuurkundig verschijnsel is dat er geheel autonoom voor zorgt dat vraag en aanbod in balans komen en herhalen we het mantra dat marktwerking en privatisering leiden tot efficiëntie en eerlijke concurrentie.

Vooruit, we morden wat toen de veroorzakers van de crisis genationaliseerd en overeind gehouden werden met ons belastinggeld, maar tot een opstand kwam het bij lange na niet. In plaats daarvan wiegden we onszelf in slaap met de gedachte dat deze oplossing de minste van twee kwaden was. Want dat het leven zoals we het kenden afgelopen zou zijn als een van die banken zou omvallen, daar waren we inmiddels op alle mogelijke manieren voor gewaarschuwd.

Net als een religie of een andere ideologie wekt het neoliberalisme de indruk dat er eenduidige antwoorden zijn en onomstotelijke waarheden. Zoals: consumeren is goed voor de economie. Of: een groeiende economie is goed voor ons, want groei is goed en meer is altijd beter. Dat soort 'waarheden' werken kalmerend, ze nemen twijfel weg, onderdrukken kritische vragen en daarmee de opstandige impuls. Kijk naar de babyboomers die hun sixties-idealen hebben opgegeven voor goedbetaalde banen, of naar de studenten die worden opgeleid om kritisch en zelfstandig te denken, maar merendeels na hun studie die kritische geest inruilen voor het bestaan van een goedbetaalde loonslaaf.

We willen wel een spaarlamp indraaien, maar zijn niet bereid écht in te leveren op comfort door substantieel minder te consumeren

De ideologie getrouw consumeren we ons een slag in de rondte en denken oprecht dat we daar gelukkig van worden. Daarin zijn we zo geoefend dat we niet beseffen dat we geluk verwarren met comfort. Of in de rake woorden van Monbiot: 'We gedragen ons alsof het leven een weekendbijlage is.' We staren ons blind op roem, luxe, mode, recepten, reizen en interieurkeuzes, maar voor wezenlijke zaken sluiten we onze ogen: te verontrustend, te deprimerend. Het gevolg is dat we alles wat ons comfort in de weg staat zien als een bedreiging van ons levensgeluk. We willen wel een spaarlamp indraaien, maar zijn niet bereid écht in te leveren op comfort door substantieel minder te consumeren, ons dieet aan te passen, minder groot te wonen, minder nieuwe spullen te kopen en minder vaak in een vliegtuig te stappen.

Je hoeft geen wiskundewonder te zijn om te beseffen dat groei niet oneindig kan zijn. Dat alles een grens heeft: dat op een gegeven moment de grond uitgeput is, de zeeën leeggevist en de grondstoffen stomweg op zijn. Maar we hebben ons de neoliberale waarheden zozeer eigen gemaakt dat we de achterkant van het gelijk niet meer zien. Stijgen de huizenprijzen, dan halen we opgelucht adem, geïndoctrineerd als we zijn met het idee dat we hierdoor zorgeloos de toekomst tegemoet kunnen zien - maar blind voor het feit dat die stijgende prijzen precies dezelfde bubbel creëren die de crisis van 2008 voor een belangrijk deel veroorzaakte. We beschouwen supermarkten die omzetrecords breken als succesvolle bedrijven, maar staan niet stil bij de prijs daarvan: boeren die niet rond kunnen komen en gedwongen worden tot 'efficiënte' veeteelt en landbouwpraktijken.

We beschouwen supermarkten die omzetrecords breken als succesvolle bedrijven, maar staan niet stil bij de prijs daarvan: boeren die niet rond kunnen komen

We zijn ervan overtuigd dat in onze samenleving iedereen een gelijke kans heeft en dat als je maar hard genoeg werkt, je zal slagen in het leven. Daarmee zeggen we tegelijkertijd dat mensen die niet slagen losers zijn die blijkbaar te lui zijn om hun best te doen. En dat terwijl een groot deel van die verliezers door het systeem worden geschapen, zoals de mantelzorgers die door bezuinigingen op de zorg steeds minder tijd hebben voor hun studie of werk en daardoor een glansrijke carrière kunnen vergeten. Als mantelzorgers inderdaad naar rato van hun harde werken uitbetaald zouden worden in succes, zouden zíj de masters of the universe zijn. Minstens zo kortzichtig is de overtuiging dat als het goed gaat met de koopkracht, het goed gaat met Nederland. Dat al die koopkracht leidt tot meer productie en dus tot meer vervuiling en verdere uitputting van natuurlijke hulpbronnen - wat uiteindelijk de economie bepaald geen goed zal doen - nemen we liever niet in overweging. Net zoals we liever niet nadenken over de onevenwichtige verdeling van die koopkracht: de geslaagden gaan er steevast op vooruit, de verliezers erop achteruit.

Eva Rovers is cultuurhistoricus en schrijver. Zij schreef onder meer de veelgeprezen biografieën van kunstverzamelaar Helene Kröller-Müller en schrijver Boudewijn Büch. Dit is een voorpublicatie van Ik kom in opstand, dus wij zijn. Nieuw Licht op verzet, een filosofisch pamflet dat deze week bij Ambo Anthos verschijnt.

Het pamflet is ondeer andere te koop bij Fnac en de zelfstandige boekhandel.

Aan de intenties lag het niet. De principes waarop het neoliberalisme is gebouwd waren zonder meer nobel. Bezorgd over de opmars van totalitaire regimes waarschuwden de Oostenrijkse economen Friedrich Hayek en Ludwig von Mises al in de jaren dertig dat programma's zoals Roosevelts New Deal en andere vormen van overheidssteun en regulering het gevaar in zich droegen dat overheden steeds meer macht naar zich toe zouden trekken. Staatssteun kon ontaarden in woekerende staatsbemoeienis, wat burgers zou verpulveren onder bureaucratie en willekeurige wetgeving, zoals het nazisme en communisme inmiddels hadden laten zien. De rol van de overheid moest nauwkeurig omschreven worden en beperkt zijn, om de vrijheid van de burgers zoveel mogelijk te garanderen. Daarom was het tijd voor een nieuw liberalisme. Hoewel oorspronkelijk bedoeld om burgers te beschermen, zouden zij uiteindelijk het minst van het neoliberalisme profiteren. Het idee werd namelijk gekaapt door het bedrijfsleven en multimiljonairs, die om heel andere redenen voordelen zagen in deregulering en beperkte overheidsbemoeienis. In zijn boek Masters of the Universe. Hayek, Friedman, and the Birth of Neoliberal Politics beschrijft de Britse historicus Daniel Stedman Jones hoe die interpretatie van neoliberalisme in de decennia na de Tweede Wereldoorlog verder uitgewerkt en gepromoot zou worden via internationale denktanks. Zo werd het neoliberale gedachtegoed met zorg tot wasdom gebracht, maar voorlopig nog nauwelijks in de politieke praktijk toegepast. Daarvoor was de tijd nog niet rijp. In zowel Europa als Amerika was er tot ver in de jaren zeventig veel draagvlak voor een actieve, verzorgende overheid die met relatief hoge belastingen investeerde in het bestrijden van armoede en het uitbreiden van sociale zekerheden. Toen eind jaren zeventig vanwege de oliecrisis en internationale spanningen op beide continenten de economie abrupt en langdurig stagneerde, was het neoliberalisme volgroeid. Ronald Reagan en Margaret Thatcher vervolmaakten de ideologie door deze tot ruggengraat van hun beleid te maken: een voorbeeld dat al snel werd gevolgd door landen op het Europese vasteland.Stedman Jones laat zien hoe vanaf dat moment de neoliberale gedachte het leidende principe werd binnen zowel de Amerikaanse als de West-Europese politiek: belastingverlagingen voor het bedrijfsleven, deregulering van onder meer de financiële markten, grootschalige privatisering, afbouw van de sociale zekerheid en dat alles gecombineerd met een heilig geloof in de helende werking van de vrije markt. Dat geloof bood geen ruimte voor het besef dat die markt helemaal niet zo vrij was. Tenminste niet vrij van gunstige belastingmaatregelen, uitzonderingen op de milieuwetgeving en andere prettige overheidscadeautjes die voortkwamen uit de lobby van het bedrijfsleven. Hoe groter het bedrijf, hoe meer invloed op de economie en dus op de politiek. In de praktijk van het neoliberalisme werd de vrije markt een verkapte vorm van oligopolie, waarin een kleine groep de gehele markt domineert.Een van de meest opmerkelijke aspecten van het succes van het neoliberalisme is de buitengewoon brede acceptatie ervan. Het geloof in de vrije markt werd niet alleen door conservatieve en liberale politici maar door nagenoeg het hele politieke spectrum geadopteerd, waardoor tegen het eind van de twintigste eeuw zelfs sociaaldemocraten beleid voerden waarin gezondheidszorg en onderwijs niet aan marktwerking ontkwamen. 'Het is moeilijk om een andere "utopie" te bedenken die zo volledig verwezenlijkt is,' schrijft Stedman Jones. Maar hij laat daarbij doorschemeren dat het oorspronkelijke, humane neoliberalisme nauwelijks nog herkenbaar is in het kille technocratische format waartoe het is uitgegroeid.In dat format heeft de vrijheid van de burger plaatsgemaakt voor de vrijheid van bedrijven. Of zoals onderzoeksjournalist George Monbiot het in zijn boek How Did We Get Into This Mess? omschrijft: 'Vrijheid zoals die wordt voorgestaan door neoliberalen betekent vrijgesteld zijn van belemmerende belangen van anderen, van eisen op het gebied van sociale zekerheid, van verantwoordelijkheid voor het milieu en vrijgesteld zijn van belastingen die gebruikt kunnen worden voor de financiering van publieke voorzieningen of het bestrijden van armoede.' Het betekent kortom vrijgesteld zijn van democratie.Van het andere oeridee, dat individuen niet verpletterd zouden worden onder bureaucratie, is evenmin veel over in de huidige neoliberale samenleving. Rendement is het hoogste goed en dus moet alles meetbaar zijn. Zo'n beetje iedere handeling van burgers - van scholieren tot werknemers, en van patiënten tot artsen - moet worden doorgemeten, beformulierd, ge-audit en ge-assesst, willen ze ergens aanspraak op maken of hun baan behouden. Afwijken van de norm wordt bestraft en alles wat niet in een formulier past bestaat niet. Beleidsmakers willen ons graag doen geloven dat innovatie een van de speerpunten is van het overheidsbeleid in kennisland Nederland, maar in de praktijk wordt innovatie steeds meer vervangen door standaardisatie. Zelfs in de wetenschap, waar innovatie toch de kernbezigheid zou moeten zijn, worden onderzoekers niet afgerekend op moeilijk te meten kwaliteit, maar op aantoonbare successen en de hoeveelheid artikelen die zij publiceren. Uitkomst van onderzoek moet eigenlijk bij voorbaat vaststaan en vooral rendement opleveren. Men beseft blijkbaar niet dat fundamenteel onderzoek onmogelijk is zonder falen, zonder die talloze mislukte experimenten en onhoudbare hypotheses die nodig zijn om tot ontdekkingen en nieuwe inzichten te komen.Ondanks de verstrekkende invloed van het neoliberalisme op bijna alle aspecten van het leven hebben maar weinig mensen het idee dat ze onderworpen zijn aan een ideologie die hun denken en doen bepaalt. Er is geen sprake van een systeem waarin het individu ondergeschikt wordt gemaakt aan een idee, zoals Camus stelt. Of toch? Het ingenieuze van de neoliberale ideologie is dat we denken dat er geen ideologie is, dat we zelf in alle vrijheid onze levens vormgeven. Het is de ultieme realisatie van Goebbels' befaamde uitspraak: 'Het geheim van propaganda is mensen zodanig doordringen van de gewenste ideeën, dat zij niet beseffen dat zij er überhaupt van doordrongen zijn.' We denken en handelen grotendeels zoals van ons consumenten wordt verwacht: vanuit onze portemonnee. Braaf juichen we mee als het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendmaakt dat de economie is gegroeid, praten we over 'de markt' alsof het een natuurkundig verschijnsel is dat er geheel autonoom voor zorgt dat vraag en aanbod in balans komen en herhalen we het mantra dat marktwerking en privatisering leiden tot efficiëntie en eerlijke concurrentie. Vooruit, we morden wat toen de veroorzakers van de crisis genationaliseerd en overeind gehouden werden met ons belastinggeld, maar tot een opstand kwam het bij lange na niet. In plaats daarvan wiegden we onszelf in slaap met de gedachte dat deze oplossing de minste van twee kwaden was. Want dat het leven zoals we het kenden afgelopen zou zijn als een van die banken zou omvallen, daar waren we inmiddels op alle mogelijke manieren voor gewaarschuwd. Net als een religie of een andere ideologie wekt het neoliberalisme de indruk dat er eenduidige antwoorden zijn en onomstotelijke waarheden. Zoals: consumeren is goed voor de economie. Of: een groeiende economie is goed voor ons, want groei is goed en meer is altijd beter. Dat soort 'waarheden' werken kalmerend, ze nemen twijfel weg, onderdrukken kritische vragen en daarmee de opstandige impuls. Kijk naar de babyboomers die hun sixties-idealen hebben opgegeven voor goedbetaalde banen, of naar de studenten die worden opgeleid om kritisch en zelfstandig te denken, maar merendeels na hun studie die kritische geest inruilen voor het bestaan van een goedbetaalde loonslaaf. De ideologie getrouw consumeren we ons een slag in de rondte en denken oprecht dat we daar gelukkig van worden. Daarin zijn we zo geoefend dat we niet beseffen dat we geluk verwarren met comfort. Of in de rake woorden van Monbiot: 'We gedragen ons alsof het leven een weekendbijlage is.' We staren ons blind op roem, luxe, mode, recepten, reizen en interieurkeuzes, maar voor wezenlijke zaken sluiten we onze ogen: te verontrustend, te deprimerend. Het gevolg is dat we alles wat ons comfort in de weg staat zien als een bedreiging van ons levensgeluk. We willen wel een spaarlamp indraaien, maar zijn niet bereid écht in te leveren op comfort door substantieel minder te consumeren, ons dieet aan te passen, minder groot te wonen, minder nieuwe spullen te kopen en minder vaak in een vliegtuig te stappen. Je hoeft geen wiskundewonder te zijn om te beseffen dat groei niet oneindig kan zijn. Dat alles een grens heeft: dat op een gegeven moment de grond uitgeput is, de zeeën leeggevist en de grondstoffen stomweg op zijn. Maar we hebben ons de neoliberale waarheden zozeer eigen gemaakt dat we de achterkant van het gelijk niet meer zien. Stijgen de huizenprijzen, dan halen we opgelucht adem, geïndoctrineerd als we zijn met het idee dat we hierdoor zorgeloos de toekomst tegemoet kunnen zien - maar blind voor het feit dat die stijgende prijzen precies dezelfde bubbel creëren die de crisis van 2008 voor een belangrijk deel veroorzaakte. We beschouwen supermarkten die omzetrecords breken als succesvolle bedrijven, maar staan niet stil bij de prijs daarvan: boeren die niet rond kunnen komen en gedwongen worden tot 'efficiënte' veeteelt en landbouwpraktijken.We zijn ervan overtuigd dat in onze samenleving iedereen een gelijke kans heeft en dat als je maar hard genoeg werkt, je zal slagen in het leven. Daarmee zeggen we tegelijkertijd dat mensen die niet slagen losers zijn die blijkbaar te lui zijn om hun best te doen. En dat terwijl een groot deel van die verliezers door het systeem worden geschapen, zoals de mantelzorgers die door bezuinigingen op de zorg steeds minder tijd hebben voor hun studie of werk en daardoor een glansrijke carrière kunnen vergeten. Als mantelzorgers inderdaad naar rato van hun harde werken uitbetaald zouden worden in succes, zouden zíj de masters of the universe zijn. Minstens zo kortzichtig is de overtuiging dat als het goed gaat met de koopkracht, het goed gaat met Nederland. Dat al die koopkracht leidt tot meer productie en dus tot meer vervuiling en verdere uitputting van natuurlijke hulpbronnen - wat uiteindelijk de economie bepaald geen goed zal doen - nemen we liever niet in overweging. Net zoals we liever niet nadenken over de onevenwichtige verdeling van die koopkracht: de geslaagden gaan er steevast op vooruit, de verliezers erop achteruit.