Lees hier het interview met auteurs Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis.

Op een ochtend in 1977 tuurt Chris van der Ziel naar zijn huis in de Cornelis Houtmanstraat in Delfzijl. Dat dak, daar is iets mee. Hij loopt naar binnen, gaat de trap op en bekijkt het plafond in de slaapkamer. Er zit een duidelijke knik in, tussen de zolder en het dak móét iets zijn. Met zijn vrouw begint hij het plafond te slopen. Het behang eraf, het pleisterwerk open, de isolatie los. Dan: een harde kraak. Het hele dakbeschot stort in. Gruis en planken komen naar beneden, samen met de verklaring voor het mysterie van de plafondknik: een stapel dikke boeken. Van der Ziel en zijn vrouw slaan ze open en vinden een gedetailleerde verslaglegging uit een stoffig verleden. Boekhoudingen, notities van bijeenkomsten, persoonlijke brieven. De aantekeningen stammen van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Het blijken documenten van de Joodse gemeenschap van Delfzijl. Elk Joods gezin staat met naam, adres en familieverbanden vermeld. Later zal de familie Van der Ziel ontdekken dat een eerdere bewoner van het huis aan de Cornelis Houtmanstraat een rabbijn was. Na het uitbreken van de oorlog in 1940 verstopte hij de boekhouding onder het dak. Als de Duitse bezetter de administratie in handen had gekregen, had die alle benodigde informatie om iedere Jood in de gemeente Delfzijl op te pakken. De rabbijn wilde zijn gemeenschap beschermen.

We maken ons zorgen

© .

Zeker sinds de onthullingen van Edward Snowden in juni 2013 over de datazucht van de Amerikaanse National Security Agency (NSA) is er gigantisch veel aandacht voor privacy. Boeken over privacy en surveillance, het in de gaten houden van groepen mensen, zijn bestsellers. Onderzoeksjournalistiek over de verzameldrift van overheden en bedrijven krijgt hoge journalistieke onderscheidingen. En Citizenfour, de film over Edward Snowden, werd in 2015 bekroond met een Oscar voor beste documentaire. In opiniepeilingen geeft steeds een grote meerderheid aan haar privacy zeer belangrijk te vinden. Van de deelnemers aan een onderzoek onder 28.000 Europese burgers in 2015 had slechts 15 procent het gevoel controle te hebben over zijn persoonlijke data. 70 procent van de ondervraagden was bang dat zijn gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze verzameld worden. En in een recente poll onder 24.143 internetgebruikers uit 24 landen geeft 79 procent van de ondervraagden aan zich zorgen te maken over het gebrek aan online privacy. Als we kijken naar ons gedrag, doemt een ander beeld op. Dan vinden we privacy opeens veel minder belangrijk dan we de opiniepeilers vertellen. Dan geeft 45 procent van de Nederlanders aan bereid te zijn gezondheidsdata af te staan in ruil voor premiekorting. Dan gebruiken we Google en Facebook nog steeds dat het een lieve lust is. Dan verdiepen we ons totaal niet in privacyvoorwaarden en klikken we klakkeloos op 'ja, ik heb de voorwaarden gelezen' en 'ja, ik ga akkoord.' Dan stemmen we gewoon weer op politieke partijen voor wie privacy het afvoerputje van hun partijprogramma is. Privacy is een waarde die het heel snel van andere waarden verliest. Als we de keuze hebben tussen privacy en veiligheid, of tussen privacy en gemak, of tussen privacy en minder betalen, dan kiezen we meestal niet voor privacy. Je kunt stellen dat privacy aan hetzelfde euvel lijdt als het klimaat: het baart ons grote zorgen, zeggen we, om vervolgens stilletjes op dezelfde voet verder te gaan en voor de makkelijkste weg te kiezen - zoals we ook massaal olieslurpende auto's blijven rijden en het vliegtuig nemen naar onze vakantiebestemming.

We hebben niets te verbergen

Er zijn vijf woorden die de essentie van onze paradoxale houding samenvatten. Een zinnetje dat symboliseert dat we privacy geen echte prioriteit geven: 'Ik heb niets te verbergen.' In discussies over privacy vallen deze vijf woorden steevast. En anders wel in een van deze varianten: 'Ik doe niets illegaals' of 'Ik doe niets fout of verkeerd.' Meestal gevolgd door een van deze toevoegingen: - 'Ik heb niets te verbergen, dus ik heb niets te vrezen.' - 'Ik heb niets te verbergen, want ik ben geen terrorist, crimineel of pedofiel.' - 'Ik heb niets te verbergen, dus de NSA, de AIVD, de Belastingdienst, Google en Facebook mogen alles van mij weten.' Wij, twee journalisten die over privacy en surveillance schrijven, krijgen deze vijf woorden al jaren te horen. We hebben er tot onze frustratie maar matig antwoord op. Privacy is te belangrijk om af te doen als iets wat alleen criminelen, terroristen of pedofielen nodig hebben. Privacy is van levensbelang, het is de smeerolie van een gezonde democratie en een voorwaarde voor een functionerende rechtsstaat. Maar ja, bewijs dat maar eens. Wij hebben in de loop der tijd heel wat tegenwerpingen uitgeprobeerd. Als iemand zegt 'ik heb niets te verbergen,' dan antwoorden we soms: 'Oké, trek dan je kleren maar uit.' Als we in een wijsneuzeriger bui zijn, citeren we graag Edward Snowden: 'Privacy niet belangrijk vinden omdat je niets te verbergen hebt, is hetzelfde als niet geven om vrijheid van meningsuiting omdat je niets te zeggen hebt.' En soms halen we scheurkalenderfilosofe Loesje aan: 'Ik heb niets te verbergen. Maar dat hoeven ze niet te weten.' Maar met spitsvondigheden alleen red je het niet. Het 'ik heb niets te verbergen'-argument is hardnekkig. Politici en CEO's gebruiken het als moreel appèl als zij worden aangesproken op de wijze waarop zij met onze gegevens omgaan. Zoals Eric Schmidt, de bestuursvoorzitter van Google, die in een interview zei: 'Als je iets doet waarvan je niet wilt dat anderen het weten, kun je het beter misschien maar helemaal niet doen.' Of de Belgische minister Jambon, die na de aanslagen in Brussel in het voorjaar van 2016 een centrale database met vingerafdrukken van iedere Belg voorstelde: 'Maar mensen die niets te verbergen hebben, moeten toch geen schrik hebben dat je hun vingerafdruk neemt?'

We zien het niet

Voordat wij drie jaar geleden bij online journalistiek platform De Correspondent aan de slag gingen, schreven we al een aantal jaar voor andere media over privacy en surveillance. Dat was in het pre-Snowdentijdperk, de tijd dat je als journalist nog je uiterste best moest doen om een hoofdredacteur ervan te overtuigen dat een verhaal over privacy de moeite waard was. We stuitten vaak op glazige blikken bij onze bazen. Maar dat lag ook - of misschien wel vooral - aan onszelf. We konden het simpelweg niet goed uitleggen. Ja, bedrijven die ons surfgedrag bijhouden zijn griezelig, maar waarom precies? Ja, de risicoprofielen die overheden van ons maken zijn totaal ondoorzichtig, maar die kunnen toch ook heel nuttig zijn? Ja, Google en Facebook kennen ons beter dan onze beste vrienden, maar wat is daar eigenlijk mis mee? Zonder privacy geen democratie, zeiden we, maar hoe zit dat dan? En waarom is 'ik heb niets te verbergen, dus ook niets te vrezen' zo'n naïef argument? Wat hebben we dan wél te verbergen? Een belangrijke reden dat deze vragen zo verdomd moeilijk zijn te beantwoorden, is dat we niet zien wat er met onze gegevens gebeurt. We zien niet welke overheden, bedrijven en criminelen op onze data jagen, hoe ze dat doen, waarom ze het doen, wat ze er uiteindelijk mee doen en hoe dit onze levens beïnvloedt. Deze onzichtbaarheid verklaart ook onze onverschilligheid. Althans: ons gebrek aan daadkracht. Ze verklaart waarom wij het belang van privacy vooral met de mond belijden. Het verklaart waarom wij denken niets te verbergen te hebben. We zien het niet en daardoor begrijpen we het niet en daardoor voelen we de urgentie niet. Zoals er een ernstige dijkdoorbraak moet komen voordat we de risico's van klimaatverandering onder ogen zien, zo moet er eerst iets goed misgaan voordat we het belang van privacy tot ons laten doordringen. Precies daarom openen wij dit boek met het verhaal over het plafond van Chris van der Ziel. Want die Joodse gezinnen in Delfzijl dachten ook niets te verbergen te hebben. Totdat in 1940 de Duitse bezetter kwam en de onschuldige informatie uit de boeken in één klap dodelijk werd.

Hoe maken wij het onzichtbare zichtbaar?

Toen wij drie jaar geleden besloten samen op te trekken in ons journalistieke onderzoek, realiseerden wij ons dat dit de sleutel kon zijn: als wij erin zouden slagen om het onzichtbare zichtbaar te maken, dan konden we het belang van privacy laten zien en tastbare argumenten aanvoeren tegen 'ik heb niets te verbergen.' Dit boek is het resultaat van die driejarige zoektocht. Goed onderzoek begint bij een scherpe definitie van het onderwerp. Dat is met privacy geen eenvoudige opgave. Over de vele vormen en betekenissen van privacy zijn bibliotheken volgeschreven. Er bestaat bijvoorbeeld zoiets als 'fysieke' privacy, het idee dat mensen jou niet mogen aanraken als je daar geen zin in hebt. Er is 'ruimtelijke' privacy, dat gaat over iemands huis als de plek waarvan onbevoegden niet horen te weten wat er gebeurt. Er is ook 'relationele' privacy, waarbij het draait om vertrouwen binnen verschillende relaties. In dit boek staat privacy als de bescherming van persoonlijke informatie centraal, 'informationele' privacy volgens de literatuur. Onze opvatting van persoonlijke informatie - of 'data' en 'gegevens' - is breed. Van telefoonnummer tot e-mailadres, van online zoekgedrag tot burgerservicenummer, van huisadres tot IP-adres. Wij zullen twee sporen volgen. Allereerst onderzoeken wij wat er dagelijks met onze persoonlijke informatie gebeurt. Tegelijkertijd zoeken wij naar het belang van privacy. Waarom moeten wij ons hier zorgen over maken? De methode die wij daarbij hanteren, is enerzijds klassiek journalistiek: we beantwoorden de wie-, wat-, waar-, waarom-, hoe-vragen over persoonlijke data. Anderzijds maken we gebruik van nieuwe journalistieke onderzoeksmethodes. In de onderzoeksjournalistiek geldt dat je, als je het naadje van de kous wilt weten, het geldspoor moet volgen: follow the money. Als je het geld volgt, stuit je op belangen en macht en leg je bloot wat onder de oppervlakte ligt. Voor onze zoektocht houden wij vast aan een ander adagium: follow the data. Door datasporen te volgen, kunnen we laten zien wat voor informatie wij allemaal over onszelf weggeven en hoe tientallen bedrijven en instanties die data onderling verhandelen en delen. Zo kunnen wij uitvinden welke beslissingen er worden genomen op basis van die data en aantonen hoe die beslissingen onze levens bepalen. Onze zoektocht brengt ons van de dataslurpende Bijenkorfapp naar de achterdeuren van de Belastingdienst, en van zwarte markten in de krochten van het internet tot aan de Amerikaanse douane. We hebben smartphones gekraakt, wifinetwerken gehackt, internetverkeer onderschept, sociale media ontleed, databases leeggetrokken, hackbijeenkomsten gehouden, honderden privacyvoorwaarden uitgekamd, tientallen openbaarheidsverzoeken ingediend en honderden deskundigen en denkers in binnen- en buitenland gesproken. We kunnen alvast verklappen: je hebt wél iets te verbergen.

Lees hier het interview met auteurs Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis.

Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis, Je hebt wél iets te verbergen. Over het levensbelang van privacy. De Correspondent, 224 blz., € 18.