De corona-crisis heeft zowel onze zwaktes als sterktes als samenleving blootgelegd. Eén van de thema's die we als samenleving lang verwaarloosd hebben, is hoe om te gaan met het vergrijzingsvraagstuk. Toch op een genuanceerde manier. De voorbije jaren kwam het thema telkens in termen van lasten, meer specifiek economische lasten, aan bod. Het ging steeds weer om pensioendiscussies, vergrijzing als gevaar voor onze welvaartstaat. Buiten een sporadisch mediarapport over hoe slecht het gaat in onze woonzorgcentra - weeral een éénzijdig perspectief - werd weinig aandacht besteed aan onze ouderen en de zorg in het publiek debat.

Waardering en discriminatie

De voorbije acht weken kwam daar wat verandering in, eerst aarzelend, dan bijna elke avond op ons tv-scherm dat het over ouderen en de zorg ging. Over, nadrukkelijk cursief, want het ging over de ouderen, niet met! Opvallend in die beweging was dat er eerst corona-uitbraken in woonzorgcentra nodig waren voor we luidop de vraag begonnen te stellen of we wel goed bezig zijn als samenleving in het zorgen voor onze senioren. Om op die vraag te antwoorden, was het ook interessant om te zien wie daar letterlijk en figuurlijk de microfoon kreeg. Eerst waren het de virologen, infectiologen en medici die zich openlijk zorgen maakten, dan kregen vertegenwoordigers van de zorgkoepels ruimte om hun bekommernissen te uiten, gevolgd door directies en medewerkers van de woonzorgcentra, en als laatste, jawel zij het in beperkte mate, de ouderen zelf.

Voorbij het applaus: durven we na corona kiezen voor een echte zorgende samenleving?

Het is alsof we bij de lancering van een film de hoofdrolspelers niet aan bod zouden laten komen. De bekommernissen werden gedeeld met eenzelfde conclusie: er is nood aan het herdenken hoe we zorg verlenen aan onze ouderen. Ik kan als gerontoloog deze oproep alleen maar steunen. Er is inderdaad nood aan een herdenking over hoe zorg op dit moment wordt verleend. Toch zou ik suggereren om eerst een stap achteruit te zetten en heel onze kijk op het vergrijzingsvraagstuk in de samenleving te herdenken. We kijken op dit moment nog teveel vanuit een economisch paradigma naar het vergrijzingsvraagstuk. Vanuit dat paradigma worden zowel de 'ouderen' als 'zorg' ondergewaardeerd.

Onze samenleving waardeert onze senioren onvoldoende. De huidige berichten en filmpjes met de liefdevolle berichtjes aan de oma en opa zouden iets anders suggereren, toch is er onbewust een 'ageist' -ondertoon als het gaat over ouderen gaat. Of toch niet zo onbewust als ik de laatste berichtgeving over ouderen lees. Er is een grens verlegd waarbij voorstellen met leeftijd als belangrijkste criterium door beleidsmakers als normaal gecommuniceerd worden. Een voorstel om ouderen boven onder de 65 jaar de kleinkinderen te laten opvangen en die boven de 65 jaar niet, is een schoolvoorbeeld van ageism. Verschillende studies wezen reeds op dat ageism, een vorm van discriminatie op basis van leeftijd, op oudere leeftijd in dit geval, een onderstroom is in onze Westerse samenleving.

In de corona-berichtgeving zagen we dit al eerder in het gehanteerde discours zoals in het benadrukken dat corona niet enkel de ouderen treft, anders gezegd, het 'ons' ook belangt dat we de 1,5 meter richtlijnen respecteren. Er is als het ware een 'ons' en 'de ouderen'. Die tweedeling was voor corona al bezig en wordt gevoed door de economische lens waarmee we naar de ouderen kijken. Want waarom moeten die 65-'minners' nu echt die kleinkinderen nu weer opvangen? Ah ja, om de kinderen te laten werken.

We waarderen als samenleving mensen die economisch, gelezen als geld, iets bijbrengen. Vanaf je pensioen - niet toevallig 65 jaar - behoor je niet meer tot die groep en moet je als oudere op een andere manier je bijdrage aan de samenleving aantonen. En dit doe je best door veel te consumeren, te zorgen dat anderen kunnen gaan werken door de kleinkinderen op te vangen. De beelden van de actieve 65-plusser, die reist, consumeert, sport, voeden mee dat beeld. In onderzoek zien we dat hierdoor zelfs een tweedeling ontstaat tussen de zogenaamde derde, de actieve 65-plusser, en de vierde leeftijd de (zorgbehoevende) tachtigplusser die meer als last beschouwd wordt.

Het is ook bewezen dat naarmate je richting de vierde leeftijd gaat, je stem niet gehoord wordt in de samenleving. Een interessante illustratie hiervan was het voorstel om de ouderen langer in quarantaine te laten in de exit-strategie, niet vanuit gezondheidsoverwegingen, maar om de jongere - lees economisch bijdragende bevolkingsdeel - voorrang te geven om te kunnen consumeren. Dit was dat druppeltje teveel dat de emmer deed overlopen bij de actieve 65-plusser. Dat dit een benadelend voorstel is, werd bij monde van Herman De Croo, Mieke Vogels, Karel De Gucht, Wivina Demeester in allerlei corona-duidingsprogramma's geformuleerd. Johan Leman riep zelfs om een ouderrechtencommissaris. Allemaal mondige, actieve, socio-economische sterke 65- plussers, die ook geraakt zijn door dit voorstel. Hoe zit het dan met de andere 65-plussers, die niet zo mondig zijn, die in een zwakke socio-economische positie leven, die zorgbehoevend zijn, die de taal niet machtig zijn,...? Wat vinden zij hiervan? De stem van de vierde leeftijd horen we nog minder. Een gevolg hiervan is dat veel mensen zo lang mogelijk niet tot de categorie 'ouderen' willen behoren. Dit is een begrijpelijke reactie in een samenleving die de eeuwige jeugd overwaardeert en veroudering, en de mensen die deze veroudering belichamen, onderwaardeert.

Softe sector

Vanuit dat economische paradigma is er ook een onderwaardering van zorgen voor en de zorg in onze samenleving. Zorgen voor, of je het thuis of als beroep doet, lijkt niet op zoveel waardering te rekenen. Vraag het maar aan moeders (in mindere mate vaders) die zorgen voor hun kinderen, mantelzorgers die zorgen voor een dierbare met een zorgnood, jong en oud. Ook de zorgprofessionals voelen die onderwaardering, niet enkel in hun loonbriefje maar ook in de steeds hoger wordende eisen waarin ze hun zorgberoep kunnen uitoefenen. Verschillende studies, ook de onze, bevestigen het beeld van de gemotiveerde zorgverlener die steeds meer in een chronometreerde context zorg moet verlenen, met minder tijd voor sociaal contact met de zorgvrager, met toenemende prestatie- en administratiedruk, met minder collega's om mee de taken te verdelen, met de hoge burn-out cijfers in de zorg,... De witte woede-protesten van de voorbije jaren herinnerden ons aan deze realiteit in de zorg, toch werd er weinig aan gedaan.

Opvallend hier is dat zorg, thuis of op de werkvloer gedragen wordt door vrouwen. Prominente zorg-ethici, zoals Joan Tronto, hebben ons al erop gewezen dat het vrouwelijk karakter van zorg niet enkel een sociaal construct is, dus iets dat we als samenleving hebben geconstrueerd, ons al dan niet beroepend op 'de natuurlijke zorgende eigenschappen van vrouwen', maar dat het ook met zich meebrengt dat deze sector ondergewaardeerd wordt in onze maatschappij. Deze onderwaardering zet zich volgens haar door. Op termijn zullen nog alleen laaggeschoolde, vrouwen met een andere etnische achtergrond in de laaggewaarde zorgberoepen zitten. De zorg wordt niet enkel ondergewaardeerd, het wordt volgens de economische paradigma als last voor de samenleving gezien. Een sector die niet veel 'opbrengt' die alleen maar 'klaagt' over de onderfinanciering, de onderbestaffing,... Die softe sector toch, alleen maar klagen en zagen...niet toevallig woorden die men snel met de zogenaamde vrouwelijke eigenschappen associeert.

De corona-crisis heeft ons beeld hierover uitgedaagd. Want nu beseffen we collectief, ineens, hoe 'essentieel' die zorgberoepen zijn. We noemen ze zelfs helden van de zorg...accurater zouden we ze helden en heldinnen van de zorg moeten noemen. Het vrouwelijk gezicht van deze helden zou meer erkend en benoemd moeten worden. Nu, we hebben ook decennia nodig gehad voordat er sterke, niet seksistisch voorgestelde, vrouwelijke helden in onze strips, tekenfilms en films verschenen.

'Aged villages'

In de ouderenzorg komen deze onderwaarderingsmechanimsen als het ware samen. Waardoor het ook geen verassing is dat ouderenzorg al decennia lang lijdt onder een structurele onderfinanciering en onderbestaffing. Een sector die draaiende is dankzij de motivatie van zijn (gekleurd, vrouwelijk) personeel . Een sector die ondanks deze structurele beperkingen zijn best doet, met vallen en opstaan, om te werken aan een zorg op maat voor onze ouderen. Een eenvoudig antwoord op deze structurele hindernissen is de herwaardering van onze ouderenzorg via een betere financiering. Dit is echter een korte termijn-oplossing. We moeten als samenleving echter op langere termijn denken over hoe we beter voor onze ouderen zorgen, waarbij we zowel veroudering als zorg anders kaderen en waarderen. Ideeën en voorbeelden - voornamelijk in het buitenland - genoeg wat dat betreft. In al die voorbeelden komen steeds volgende zaken terug: kleinschaligheid, verbinding met de rest van de samenleving, participatie van de ouderen in de bepaling van de woon- en zorgvorm en een holistische benadering van de zorg waarbij het welzijn van de oudere centraal staat.

Denk maar aan kleinschalige woningen, geïntegreerd in een woonstraat, ergonomisch aangepast, met samenwerkingen met zorgprofessionals die flexibel volgens de noden ingezet worden. Of aan 'aged villages' een concept waar een heel buurtsamenwerking op poten wordt gezet en de ouderen, ook met dementie, twee halve dagen de plaatselijke kleuterschool ondersteunen: kleuters leren van de ouderen en de ouderen voelen zich minder eenzaam en erkend in hun competenties. Veroudering gebeurt niet plots, we verouderen elke dag vanaf geboorte, vroeg of laat zijn we allemaal oud. Wat maakt dat we het aanvaarden dat we vanaf een bepaalde leeftijd een vervaldatum krijgen? Zijn al onze bijdragen -economische en niet-economische- niet meer van tel vanaf een bepaalde leeftijd? Is dit dan een reden om te aanvaarden dat je een B-burger wordt die moet aanvaarden dat anderen over je lot beslissen? Een samenleving die daar resoluut 'nee' op antwoordt en structureel elke hindernis wegneemt dat ouderen zich B-burger moeten voelen, is de samenleving waarvoor we samen aan moeten bouwen. Ook herdenking van zorg is nodig. Vanaf de dag dat we geboren zijn hebben we zorg nodig om te overleven. Zorg is aanwezig over heel ons leven in verschillende gedaanten aanwezig, alleen hebben vinden we het als samenleving als vanzelfsprekend. En zoals met alles wat we vanzelfsprekend vinden, we waarderen het niet of onvoldoende.

Met corona beseffen we meer dan ooit dat zorg, informeel of professioneel, niet vanzelfsprekend is en dat we het moeten koesteren. De dagelijkse 20u-applausjes geven dit signaal. Nu is de vraag. Durven we als samenleving echt dit collectief besef aan te grijpen en fundamenteel voor een zorgende samenleving te gaan? Een samenleving die zorg op de waardenschaal hoog zet, misschien wel naast ondernemen, en er alles aan doet dat de zorgverleners, informeel en professioneel, in beste condities zorg kunnen verlenen. Een zorgende samenleving waar zorgbehoevendheid geen handicap is en verschillende generaties voor mekaar over de levensfasen heen kunnen en mogen zorgen. Met deze basisfundamenten kunnen we werken aan de hertekening van de ouderenzorg. Een ouderenzorg waar ieder oudere waardig oud kan worden.

Saloua Berdai Chaouni is biomedisch wetenschapper en gerontoloog. Ze is onderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel en Erasmus Hogeschool Brussel, en docent aan de Karel de Grote Hogeschool.

De corona-crisis heeft zowel onze zwaktes als sterktes als samenleving blootgelegd. Eén van de thema's die we als samenleving lang verwaarloosd hebben, is hoe om te gaan met het vergrijzingsvraagstuk. Toch op een genuanceerde manier. De voorbije jaren kwam het thema telkens in termen van lasten, meer specifiek economische lasten, aan bod. Het ging steeds weer om pensioendiscussies, vergrijzing als gevaar voor onze welvaartstaat. Buiten een sporadisch mediarapport over hoe slecht het gaat in onze woonzorgcentra - weeral een éénzijdig perspectief - werd weinig aandacht besteed aan onze ouderen en de zorg in het publiek debat.De voorbije acht weken kwam daar wat verandering in, eerst aarzelend, dan bijna elke avond op ons tv-scherm dat het over ouderen en de zorg ging. Over, nadrukkelijk cursief, want het ging over de ouderen, niet met! Opvallend in die beweging was dat er eerst corona-uitbraken in woonzorgcentra nodig waren voor we luidop de vraag begonnen te stellen of we wel goed bezig zijn als samenleving in het zorgen voor onze senioren. Om op die vraag te antwoorden, was het ook interessant om te zien wie daar letterlijk en figuurlijk de microfoon kreeg. Eerst waren het de virologen, infectiologen en medici die zich openlijk zorgen maakten, dan kregen vertegenwoordigers van de zorgkoepels ruimte om hun bekommernissen te uiten, gevolgd door directies en medewerkers van de woonzorgcentra, en als laatste, jawel zij het in beperkte mate, de ouderen zelf.Het is alsof we bij de lancering van een film de hoofdrolspelers niet aan bod zouden laten komen. De bekommernissen werden gedeeld met eenzelfde conclusie: er is nood aan het herdenken hoe we zorg verlenen aan onze ouderen. Ik kan als gerontoloog deze oproep alleen maar steunen. Er is inderdaad nood aan een herdenking over hoe zorg op dit moment wordt verleend. Toch zou ik suggereren om eerst een stap achteruit te zetten en heel onze kijk op het vergrijzingsvraagstuk in de samenleving te herdenken. We kijken op dit moment nog teveel vanuit een economisch paradigma naar het vergrijzingsvraagstuk. Vanuit dat paradigma worden zowel de 'ouderen' als 'zorg' ondergewaardeerd.Onze samenleving waardeert onze senioren onvoldoende. De huidige berichten en filmpjes met de liefdevolle berichtjes aan de oma en opa zouden iets anders suggereren, toch is er onbewust een 'ageist' -ondertoon als het gaat over ouderen gaat. Of toch niet zo onbewust als ik de laatste berichtgeving over ouderen lees. Er is een grens verlegd waarbij voorstellen met leeftijd als belangrijkste criterium door beleidsmakers als normaal gecommuniceerd worden. Een voorstel om ouderen boven onder de 65 jaar de kleinkinderen te laten opvangen en die boven de 65 jaar niet, is een schoolvoorbeeld van ageism. Verschillende studies wezen reeds op dat ageism, een vorm van discriminatie op basis van leeftijd, op oudere leeftijd in dit geval, een onderstroom is in onze Westerse samenleving. In de corona-berichtgeving zagen we dit al eerder in het gehanteerde discours zoals in het benadrukken dat corona niet enkel de ouderen treft, anders gezegd, het 'ons' ook belangt dat we de 1,5 meter richtlijnen respecteren. Er is als het ware een 'ons' en 'de ouderen'. Die tweedeling was voor corona al bezig en wordt gevoed door de economische lens waarmee we naar de ouderen kijken. Want waarom moeten die 65-'minners' nu echt die kleinkinderen nu weer opvangen? Ah ja, om de kinderen te laten werken.We waarderen als samenleving mensen die economisch, gelezen als geld, iets bijbrengen. Vanaf je pensioen - niet toevallig 65 jaar - behoor je niet meer tot die groep en moet je als oudere op een andere manier je bijdrage aan de samenleving aantonen. En dit doe je best door veel te consumeren, te zorgen dat anderen kunnen gaan werken door de kleinkinderen op te vangen. De beelden van de actieve 65-plusser, die reist, consumeert, sport, voeden mee dat beeld. In onderzoek zien we dat hierdoor zelfs een tweedeling ontstaat tussen de zogenaamde derde, de actieve 65-plusser, en de vierde leeftijd de (zorgbehoevende) tachtigplusser die meer als last beschouwd wordt. Het is ook bewezen dat naarmate je richting de vierde leeftijd gaat, je stem niet gehoord wordt in de samenleving. Een interessante illustratie hiervan was het voorstel om de ouderen langer in quarantaine te laten in de exit-strategie, niet vanuit gezondheidsoverwegingen, maar om de jongere - lees economisch bijdragende bevolkingsdeel - voorrang te geven om te kunnen consumeren. Dit was dat druppeltje teveel dat de emmer deed overlopen bij de actieve 65-plusser. Dat dit een benadelend voorstel is, werd bij monde van Herman De Croo, Mieke Vogels, Karel De Gucht, Wivina Demeester in allerlei corona-duidingsprogramma's geformuleerd. Johan Leman riep zelfs om een ouderrechtencommissaris. Allemaal mondige, actieve, socio-economische sterke 65- plussers, die ook geraakt zijn door dit voorstel. Hoe zit het dan met de andere 65-plussers, die niet zo mondig zijn, die in een zwakke socio-economische positie leven, die zorgbehoevend zijn, die de taal niet machtig zijn,...? Wat vinden zij hiervan? De stem van de vierde leeftijd horen we nog minder. Een gevolg hiervan is dat veel mensen zo lang mogelijk niet tot de categorie 'ouderen' willen behoren. Dit is een begrijpelijke reactie in een samenleving die de eeuwige jeugd overwaardeert en veroudering, en de mensen die deze veroudering belichamen, onderwaardeert.Vanuit dat economische paradigma is er ook een onderwaardering van zorgen voor en de zorg in onze samenleving. Zorgen voor, of je het thuis of als beroep doet, lijkt niet op zoveel waardering te rekenen. Vraag het maar aan moeders (in mindere mate vaders) die zorgen voor hun kinderen, mantelzorgers die zorgen voor een dierbare met een zorgnood, jong en oud. Ook de zorgprofessionals voelen die onderwaardering, niet enkel in hun loonbriefje maar ook in de steeds hoger wordende eisen waarin ze hun zorgberoep kunnen uitoefenen. Verschillende studies, ook de onze, bevestigen het beeld van de gemotiveerde zorgverlener die steeds meer in een chronometreerde context zorg moet verlenen, met minder tijd voor sociaal contact met de zorgvrager, met toenemende prestatie- en administratiedruk, met minder collega's om mee de taken te verdelen, met de hoge burn-out cijfers in de zorg,... De witte woede-protesten van de voorbije jaren herinnerden ons aan deze realiteit in de zorg, toch werd er weinig aan gedaan. Opvallend hier is dat zorg, thuis of op de werkvloer gedragen wordt door vrouwen. Prominente zorg-ethici, zoals Joan Tronto, hebben ons al erop gewezen dat het vrouwelijk karakter van zorg niet enkel een sociaal construct is, dus iets dat we als samenleving hebben geconstrueerd, ons al dan niet beroepend op 'de natuurlijke zorgende eigenschappen van vrouwen', maar dat het ook met zich meebrengt dat deze sector ondergewaardeerd wordt in onze maatschappij. Deze onderwaardering zet zich volgens haar door. Op termijn zullen nog alleen laaggeschoolde, vrouwen met een andere etnische achtergrond in de laaggewaarde zorgberoepen zitten. De zorg wordt niet enkel ondergewaardeerd, het wordt volgens de economische paradigma als last voor de samenleving gezien. Een sector die niet veel 'opbrengt' die alleen maar 'klaagt' over de onderfinanciering, de onderbestaffing,... Die softe sector toch, alleen maar klagen en zagen...niet toevallig woorden die men snel met de zogenaamde vrouwelijke eigenschappen associeert. De corona-crisis heeft ons beeld hierover uitgedaagd. Want nu beseffen we collectief, ineens, hoe 'essentieel' die zorgberoepen zijn. We noemen ze zelfs helden van de zorg...accurater zouden we ze helden en heldinnen van de zorg moeten noemen. Het vrouwelijk gezicht van deze helden zou meer erkend en benoemd moeten worden. Nu, we hebben ook decennia nodig gehad voordat er sterke, niet seksistisch voorgestelde, vrouwelijke helden in onze strips, tekenfilms en films verschenen. In de ouderenzorg komen deze onderwaarderingsmechanimsen als het ware samen. Waardoor het ook geen verassing is dat ouderenzorg al decennia lang lijdt onder een structurele onderfinanciering en onderbestaffing. Een sector die draaiende is dankzij de motivatie van zijn (gekleurd, vrouwelijk) personeel . Een sector die ondanks deze structurele beperkingen zijn best doet, met vallen en opstaan, om te werken aan een zorg op maat voor onze ouderen. Een eenvoudig antwoord op deze structurele hindernissen is de herwaardering van onze ouderenzorg via een betere financiering. Dit is echter een korte termijn-oplossing. We moeten als samenleving echter op langere termijn denken over hoe we beter voor onze ouderen zorgen, waarbij we zowel veroudering als zorg anders kaderen en waarderen. Ideeën en voorbeelden - voornamelijk in het buitenland - genoeg wat dat betreft. In al die voorbeelden komen steeds volgende zaken terug: kleinschaligheid, verbinding met de rest van de samenleving, participatie van de ouderen in de bepaling van de woon- en zorgvorm en een holistische benadering van de zorg waarbij het welzijn van de oudere centraal staat. Denk maar aan kleinschalige woningen, geïntegreerd in een woonstraat, ergonomisch aangepast, met samenwerkingen met zorgprofessionals die flexibel volgens de noden ingezet worden. Of aan 'aged villages' een concept waar een heel buurtsamenwerking op poten wordt gezet en de ouderen, ook met dementie, twee halve dagen de plaatselijke kleuterschool ondersteunen: kleuters leren van de ouderen en de ouderen voelen zich minder eenzaam en erkend in hun competenties. Veroudering gebeurt niet plots, we verouderen elke dag vanaf geboorte, vroeg of laat zijn we allemaal oud. Wat maakt dat we het aanvaarden dat we vanaf een bepaalde leeftijd een vervaldatum krijgen? Zijn al onze bijdragen -economische en niet-economische- niet meer van tel vanaf een bepaalde leeftijd? Is dit dan een reden om te aanvaarden dat je een B-burger wordt die moet aanvaarden dat anderen over je lot beslissen? Een samenleving die daar resoluut 'nee' op antwoordt en structureel elke hindernis wegneemt dat ouderen zich B-burger moeten voelen, is de samenleving waarvoor we samen aan moeten bouwen. Ook herdenking van zorg is nodig. Vanaf de dag dat we geboren zijn hebben we zorg nodig om te overleven. Zorg is aanwezig over heel ons leven in verschillende gedaanten aanwezig, alleen hebben vinden we het als samenleving als vanzelfsprekend. En zoals met alles wat we vanzelfsprekend vinden, we waarderen het niet of onvoldoende.Met corona beseffen we meer dan ooit dat zorg, informeel of professioneel, niet vanzelfsprekend is en dat we het moeten koesteren. De dagelijkse 20u-applausjes geven dit signaal. Nu is de vraag. Durven we als samenleving echt dit collectief besef aan te grijpen en fundamenteel voor een zorgende samenleving te gaan? Een samenleving die zorg op de waardenschaal hoog zet, misschien wel naast ondernemen, en er alles aan doet dat de zorgverleners, informeel en professioneel, in beste condities zorg kunnen verlenen. Een zorgende samenleving waar zorgbehoevendheid geen handicap is en verschillende generaties voor mekaar over de levensfasen heen kunnen en mogen zorgen. Met deze basisfundamenten kunnen we werken aan de hertekening van de ouderenzorg. Een ouderenzorg waar ieder oudere waardig oud kan worden. Saloua Berdai Chaouni is biomedisch wetenschapper en gerontoloog. Ze is onderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel en Erasmus Hogeschool Brussel, en docent aan de Karel de Grote Hogeschool.