Alvast deze troost voor wie flashbacks krijgt naar de fysicales bij de voetbalanalyses op Sporza: de redenering erachter is vaak eenvoudiger dan de terminologie doet vermoeden. Veel spelers en zelfs een aantal trainers begrijpen het jargon maar half - wat het belang ervan sterk relativeert. Voetbaltactieken zijn ook bijzonder modegevoelig, ze komen en gaan. De termen libero of catenaccio zullen op het EK bijvoorbeeld zelden vallen. We lichten een aantal voetbaltermen toe die momenteel in zwang zijn. Met dank aan de uitleg van Bob Browaeys, coördinator van de nationale jeugdploegen en vroeger de bezieler van de Pro License, de cursus voor Belgische proftrainers.
...

Alvast deze troost voor wie flashbacks krijgt naar de fysicales bij de voetbalanalyses op Sporza: de redenering erachter is vaak eenvoudiger dan de terminologie doet vermoeden. Veel spelers en zelfs een aantal trainers begrijpen het jargon maar half - wat het belang ervan sterk relativeert. Voetbaltactieken zijn ook bijzonder modegevoelig, ze komen en gaan. De termen libero of catenaccio zullen op het EK bijvoorbeeld zelden vallen. We lichten een aantal voetbaltermen toe die momenteel in zwang zijn. Met dank aan de uitleg van Bob Browaeys, coördinator van de nationale jeugdploegen en vroeger de bezieler van de Pro License, de cursus voor Belgische proftrainers. Zelden neemt een voetbalanalist het woord zonder dat de term omschakeling valt. Het is nochtans iets zeer eenvoudigs: de omschakeling is het moment dat een team de bal afneemt van de tegenstander. Beide ploegen moeten 'omschakelen': de ene van aanvallen naar verdedigen, de andere van verdedigen naar aanvallen. Dat omslagpunt is belangrijk, omdat je het kunt uitbuiten. 'Teams maken een plan voor wat ze doen wanneer ze de bal hebben en één voor wanneer de anderen hem hebben', zegt Bob Browaeys. 'De strategie is voor beide scenario's goed doorgesproken. Maar wat als een ploeg die aan aanvallen denkt plots niet langer de bal heeft? De spelers staan niet in hun verdedigende positie en zijn dus kwetsbaar. Dáár liggen in het moderne voetbal de kansen.' De Rode Duivels zijn specialisten in de 'snelle omschakeling': de tegenstander verliest de bal en nog voor die zich weer kan organiseren, ligt het leer in het net. Dat is ook de reden waarom je vaak overtredingen ziet na balverlies. De scheidsrechter legt dan het spel stil en de verdedigende ploeg kan zich opnieuw organiseren. Rekenen op omschakelingen kan deel zijn van het wedstrijdplan. Geheid valt dan de Duitse term Gegenpressing. ' Gegenpressing is de beste spelmaker ter wereld', orakelde Jürgen Klopp, die als uitvinder van dit begrip geldt. De Duitse coach van Liverpool wil bij balverlies meteen de bal heroveren. Zijn spelers lopen niet achteruit wanneer ze het leer kwijtspelen, maar stormen juist agressief naar de speler die hen de bal ontfutselde. 'Dat belet de tegenpartij een aanval op te zetten, want de speler die wordt opgejaagd, zal het lastig hebben om een goeie pass te geven', zegt Browaeys. ' Gegenpressing wordt in regel uitgevoerd diep op de helft van de tegenstander. Wanneer je daar de bal terugwint, sta je vlak bij het doel, terwijl de ander aan aanvallen denkt. Een gunstigere omschakeling bestaat niet.' Gegenpressing is de hype van het moment. Teams die het onder de knie hebben, spelen dominant, versmachtend voetbal. De tegenstrever komt nooit in zijn spel. Maar er zijn ook risico's. Het opjagen van de bal moet collectief en gedisciplineerd gebeuren. Eén speler die het laat hangen, en de tegenstander omspeelt met gemak de jagende spelers. ' Gegenpressing vraagt verdedigende kwaliteiten van de aanvallers, die dat doorgaans niet graag doen en het minder goed kunnen. Vanaf de eerste minuut naar elke bal spurten en dat ook volhouden, is lastig.' De aanvallers van de Rode Duivels doen het nooit een hele match lang. Ze kiezen hun moment. Dan signaleert Romelu Lukaku bijvoorbeeld aan Dries Mertens dat ze even gaan 'pressen'. Dat teken kan ook van de coach komen. Door het succes van Jürgen Klopp droomt iedere trainer vandaag van Gegenpressing, maar een tiental jaar geleden spraken ze allen over tiki-taka of, op zijn Spaans, tiqui-taca. Deze voetbalstijl werd vervolmaakt door FC Barcelona rond 2010, toen Pep Guardiola daar coach was. Het waren de gloriejaren van Xavi, Andrés Iniesta en Lionel Messi. Zij tikten de bal bliksemsnel rond. 'Kenmerkend voor tiki-taka is een indrukwekkend hoog aantal balcontacten per minuut. De bal vliegt van voet naar voet. Die korte, snelle passen vermoeien de tegenstander. Je tikt hem letterlijk van de mat. Barcelona is de goudstandaard, maar Frankrijk doet het ook', zegt Bob Browaeys. Tiki-taka is een voetbalfilosofie, geïnspireerd op Johan Cruijffs onsterfelijke oneliner: ' Zolang jij de bal hebt, kunnen hun niet scoren.' Het voortdurende balbezit maakt de tegenstander moedeloos en zorgt dat hij niet aan aanvallen toekomt. Puristen vinden dat het echte tiki-taka eigenlijk niet meer is gezien sinds Pep Guardiola Barcelona verliet, al gebruiken analisten de term ook om een mooie actie met veel tussenstations te omschrijven. Wat te doen tegen tiki-taka? Veel tegenstanders van Barcelona kozen voor een laag blok. 'Trainers streven ernaar dat de afstanden tussen de spelers op het veld niet te groot zijn: dan kunnen ze makkelijk naar elkaar passen en is er ook niet veel ruimte waarin de tegenstander vrij staat. Een elftal wordt dan een blok, dat idealiter als één geheel beweegt', zegt Browaeys. Dat samenklonteren van spelers op het veld noemen trainers een 'compacte' ploeg. Bij een hoog blok staat de hele ploeg op de helft van de tegenstander, bij een laag blok staat hij volledig op de eigen helft. Een middenblok is iets ertussenin. De Rode Duivels staan erom bekend dat ze hun blok erg hoog zetten: de laatste verdediger staat vaak nog voorbij de middellijn. Een cruciale vraag is dan hoe Roberto Martínez de Belgische restverdediging heeft georganiseerd. De restverdediging zijn de spelers die altijd achteraan blijven, ook wanneer de ploeg zelf aan het aanvallen is. Niet dat die achterblijvers maar wat rondlummelen. Ze anticiperen op hoe en waar er misschien een tegenaanval komt, om die af te breken voor het gevaarlijk kan worden. 'De term is uitgevonden door Rinus Michels, die het een handige kapstok vond om zijn elftal op te delen in een aantal mentale categorieën', zegt Browaeys. Vroeger werkte men aan de hand van de +1-regel: er blijft altijd één speler meer achteraan dan dat de tegenpartij aanvallers voorop houdt. Tegenwoordig variëren trainers met hun restverdediging. Er worden wel afspraken gemaakt over welke verdediger waar staat wanneer de ploeg zelf een corner trapt. Op zich is een hoekschop een mooie scoringskans, maar de tegenpartij krijgt wel veel ruimte om uit te breken. Zie wat Japan overkwam tegen de Rode Duivels op het laatste WK. Vaak zijn het niet (alleen) de kopbalsterke verdedigers die dan achterblijven, maar ook snellere, kwiekere spelers, zoals Dries Mertens of Youri Tielemans. Via Tielemans bepaalt onze bondscoach of hij met de punt naar achteren speelt of juist naar voren. In veel opstellingen wordt het middenveld bemand door drie spelers die samen een driehoek vormen. Twee middenvelders staan naast elkaar, en één speler (= de punt) voor of achter hen. Deze begrippen komen vaak voor in voetbalanalyses en het bedrieglijke is dat ze het tegenovergestelde betekenen van wat je zou verwachten: de punt naar achteren is de meer aanvallende variant, de punt naar voren is voorzichtiger. Of, anders verwoord: de punt naar achteren is één verdedigende middenvelder en twee aanvallende. Youri Tielemans kan switchen: hij kan aanvallend positie nemen of verdedigend. Tielemans bepaalt waar de driehoek naartoe wordt gericht. Over naar een modewoord waar op het EK niet aan te ontsnappen valt: de halfspace. 'Vroeger deelden trainers het veld op in drie stroken: de linkerflank, het centrum en de rechterflank', doceert Browaeys. 'Een aanval door het centrum is uiteraard het gevaarlijkst, maar goede tegenstanders timmeren die zone dicht met twee beenharde, gedisciplineerde verdedigers. En op de flanken valt niet veel te rapen: vanaf de zijlijn kun je haast niet scoren en een voorzet moet al erg goed zijn eer hij een doelpunt oplevert.' Voetbalstrategen bedachten daarop de halfspace: het veld wordt mentaal in vijf zones opgedeeld. Tussen de flank en het centrum ligt tien meter halfspace, zowel rechts als links. Je zou de term kunnen vertalen als 'tussenruimte'. Die zone wordt minder strak verdedigd. Het is ook niet altijd duidelijk welke verdediger moet ingrijpen in de halfspace: de centrale verdediger of de backs (= flankverdedigers). Aanvallers buiten die verwarring graag uit. 'De halfspace is een interessante plek om een laatste pass te geven of een indraaier naar doel te schieten', zegt Bob Browaeys. 'Slimme spitsen brengen er hun tegenstander aan het twijfelen. Want als je een verdediger weet weg te lokken naar de halfspace, dan ligt het centrum wél open.' Het al oudere begrip tussen de linies is daaraan verwant. Verdediging, middenveld en aanval vormen elk een 'linie'. Wie zich tussen de linies bevindt, staat net iets hoger of juist een fractie lager dan waar de tegenstander hem verwacht. En die verwarring buit je dan uit. Nu een paar specifieke spelersrollen. Ook hier: het klinkt ingewikkelder dan het eigenlijk is. Een inverted wingback is een flankverdediger die komt helpen op het middenveld. Normaal rent een flankverdediger - ook wel 'back' genoemd - de zijlijn af. Pep Guardiola bedacht daar een variant op. De inverted wingback komt bij balbezit naar het midden. Browaeys: 'Dat geeft meer opties om te passen en is ook moeilijk te verdedigen. De rechtstreekse tegenstander van de inverted wingback loopt verloren, en van die chaos kun je profiteren.' Ook de flankverdedigers bij de Belgen helpen af en toe een handje op het middenveld, al kun je Thomas Meunier, Thorgan Hazard, Timothy Castagne of Nacer Chadli geen echte inverted wingbacks noemen, want ze doen het niet systematisch. 'De inverted wingback is een hype omdat het iets nieuws is, een tactische vondst waar niet zo simpel een antwoord op te geven valt. Maar zo'n nieuwigheid kan evengoed lelijk uitpakken voor de ploeg die het uitvoert, als men het niet helemaal in de vingers heeft. Er is een reden dat men decennialang van vleugelspelers eiste dat hun schoenen wit zouden zien van het kalk van de zijlijn: zo hou je het veld breed, en daar profiteert het hele elftal van.' Ook de valse 9 komt uit de koker van Pep Guardiola. Eerst over het cijfer: een 9 is een spits. Bij de Belgen draagt Romelu Lukaku dat nummer. Normaal kamperen spitsen in het strafschopgebied, loerend op een kans. 'Een valse 9 verlaat die positie om zich te verstoppen op het middenveld. Zo heb je daar een man meer om de bal rond te spelen. De centrale verdedigers weten nu niet wat te doen. Hun positie verlaten en de valse 9 volgen naar het middenveld? Dan ligt de weg naar het doel open.' Guardiola had met Lionel Messi de ideale valse 9, maar volgens Browaeys spelen veel teams met een valse 9 louter omdat ze een echte 9 missen. Zo veel echte, pure spitsen zijn er niet. Romelu Lukaku is er zeker één. Toch hebben ook de Rode Duivels al met een valse 9 gespeeld. In de WK-kwartfinale tegen Brazilië verraste Kevin De Bruyne als valse 9. Eer de Brazilianen doorhadden wat er aan de hand was, was de score al 2-0. De Bruyne speelt bij Manchester City regelmatig als valse 9: niet toevallig is Pep Guardiola daar trainer. Dries Mertens doet het af en toe bij Napoli. 'Het is een mooi systeem voor teams die de bal opeisen en dan collectief naar voren schuiven, maar het nadeel is dat je niemand voorop hebt staan voor een snelle uitbraak', meent Browaeys. De volgende twee termen 'snappen zelfs toptrainers niet helemaal,' blijkt volgens Browaeys regelmatig uit interviews na de match. Doordekken is volgens hem iets anders dan uitstappen, al worden de twee begrippen vaak met elkaar verward. 'Doordekken gebeurt in principe heel de wedstrijd lang. Een centrale verdediger volgt een spits die hem toegewezen is. Hij 'dekt door' en verlaat bijvoorbeeld zijn positie in het centrum wanneer de spits naar de flank trekt. Daardoor komt er ruimte vrij: een medespeler van de verdediger moet dat oplossen. Wanneer een trainer ervoor kiest om door te dekken, is dat onderling afgesproken. Uitstappen betekent één keer je zone verlaten om elders druk te gaan zetten, bijvoorbeeld omdat een tegenstander tussen de linies staat. Bij uitstappen staat er geen tegenstander in je buurt en ga je er een opzoeken. Bij doordekken heb je een tegenstander die van jou weg wil en je laat dat niet toe. Dat is als het ware het omgekeerde.' De sportpers zal de komende weken ongetwijfeld regelmatig verwijzen naar de Expected Goals, al was het maar omdat de Rode Duivels daar doorgaans erg hoog op scoren. Expected Goals of xG berekent de kans dat een actie tot een doelpunt leidt. Stel dat Yannick Carrasco kan schieten op 23 meter van het doel, aan de linkerkant van het veld, na een verre bal van Toby Alderweireld die Carrasco controleert met zijn borst. Wizzkids zoeken dan in de database van tienduizenden acties naar alle schoten van links op 23 meter na een verre pass en een borstcontrole om te becijferen hoe groot de kans is dat Carrasco zal scoren. Een schot vanaf het penaltypunt maakt natuurlijk meer kans dan een van de middellijn. Een ploeg kan de xG overtreffen, en dus beter doen dan je statistisch zou verwachten, of niet. Bij één actie zegt xG weinig, maar wanneer de kansen van een hele wedstrijd worden opgeteld, zou daaruit moeten blijken welk team het meest aanspraak had op de overwinning. Bob Browaeys vindt dat we het belang vooral niet moeten overdrijven. 'Je kunt uitstekende statistieken verzamelen en nooit scoren, en je kunt ook flauw presteren in de data en toch iedere match winnen', zegt hij. 'xG waaide over vanuit de Amerikaanse sporten, maar in voetbal kunnen computers nog steeds niet geheel doorgronden waarom wedstrijden gewonnen worden. Finaal telt maar één statistiek echt: de ploeg die de meeste goals maakt, trekt aan het langste eind.'