Nonchalant wandelt Wesley Sonck naar het grote aanraakscherm voor opnieuw een rake analyse over de verdiende voorsprong van ploeg A en de reden waarom ploeg B beter nu al een terugvlucht boekt. Ze doen bij Sporza hun best, maar af en toe glipt er nog trainersjargon tussen waar de leek geen chocola van kan maken. Ariël Jacobs licht hier een paar termen toe. De ex-coach van Anderlecht en de nationale beloften geeft les in de Pro License, de verplichte cursus om in het profvoetbal te mogen coachen.
...

Nonchalant wandelt Wesley Sonck naar het grote aanraakscherm voor opnieuw een rake analyse over de verdiende voorsprong van ploeg A en de reden waarom ploeg B beter nu al een terugvlucht boekt. Ze doen bij Sporza hun best, maar af en toe glipt er nog trainersjargon tussen waar de leek geen chocola van kan maken. Ariël Jacobs licht hier een paar termen toe. De ex-coach van Anderlecht en de nationale beloften geeft les in de Pro License, de verplichte cursus om in het profvoetbal te mogen coachen. Spraken we vroeger over 'de zone van de waarheid', dan blijkt het strafschopgebied nu zowaar uit drie zones te bestaan: de eerste, de tweede én de golden zone. Eerste en tweede zone gaan over voorzetten vanaf de flank, bijvoorbeeld via een hoekschop. De eerste zone ligt in de buurt van de eerste paal: als de bal vanaf de zijkant vertrekt, dan is dat de paal die de bal als eerste passeert. De tweede zone is aan de tweede paal, soms ook wel de 'verste paal'. Waar die zones beginnen en eindigen is niet precies afgebakend. 'Het is het gebied vanwaaruit de aanvallers komen ingelopen om de bal binnen te koppen of te deviëren', zegt Ariël Jacobs. 'Vroeger werden voorzetten dicht bij doel getrapt, want daar scoor je makkelijker. Maar door dat soort ballen laat een aandachtige keeper zich niet snel verrassen. In het moderne voetbal verkiest men ballen waar een doelman in één sprong nipt niet bij kan. Ideaal is het als de keeper twijfelt om ernaartoe te stormen. Hoe meer twijfel, hoe groter de kans op een goal.' In de match Zweden-Spanje had de televisiecommentator het over de 'tweede zone' hoewel de bal niet eens in het strafschopgebied kwam. 'Naar mijn aanvoelen klopt dat niet, maar je hoort het wel vaker', zegt Jacobs. 'Er zijn ploegen waar verre voorzetten taboe zijn. Zij zweren bij korte passjes, liefst over de grond. Die teams dringen diep door op de flank en trappen dan een gekrulde bal naar de rand van de zestien. Met wat goede wil kun je dat de tweede zone noemen.' Corners draaien meer om zones dan u ooit zult hebben beseft. De speler die een hoekschop trapt, steekt vaak een of twee armen in de lucht. Daarmee geeft hij aan of de bal naar de eerste zone of naar de tweede zone wordt getrapt, of dat er een ander ingestudeerd nummer aankomt - uiteraard kent alleen zijn eigen ploeg de code. Nog iets om op te letten: soms loopt bij de aanvallende ploeg een man of drie richting eerste paal, hoewel de bal verder vliegt. Dat is toneel. Ze hopen verdedigers mee te lokken, zodat er ruimte vrijkomt in de tweede zone, waar het echte gevaar dreigt. De golden zone is het modewoord van dit EK. De term komt uit de data-analyse: het is het deel van het veld vanwaaruit het vaakst wordt gescoord. Wanneer je de kleine backlijn zou doortrekken tot aan het halvemaantje van het strafschopgebied: daar ligt de golden zone. Is dat een kleine aanvaller? Type Dries Mertens, die boomlange verdedigers in zijn achterzak kan steken? Nee, de pocket heeft niets met gestalte te maken. 'De pocket is een positie in het elftal', zegt Ariël Jacobs. 'Het is een flankaanvaller die naast de diepe spits speelt en zich aan het hoekpunt van het strafschopgebied ophoudt.' Vaak zijn het dartele, vinnige jongens zoals Mertens, Eden Hazard of Jérémy Doku, die alle drie ook eerder klein zijn - vandaar de verwarring. Hoewel, je kunt je afvragen of het toeval is, want kleinere spelers zijn doorgaans beweeglijker. Er zitten in de kern van de Rode Duivels nochtans spelers die het stereotype doorbreken: Kevin De Bruyne en Yannick Carrasco spelen regelmatig als pocket en zijn met hun 1,81 meter niet bepaald dreumesen. De tactiek van de Belgen steunt op pocketspelers. Jacobs: 'Roberto Martínez kiest voor twee pocketspitsen achter Romelu Lukaku. De pockets kunnen uitwijken naar de zijlijn en zo het speelveld breed maken. Of ze zoeken Lukaku op om ruimte te maken voor opkomende flankverdedigers. Zeer moeilijk om op te verdedigen.' Ook dat is een bedrieglijke term. Bij 'targetspits' denken voetballiefhebbers aan een hoog opgeschoten, kopbalsterke speler. Een beetje lummelachtig, maar wel sterk en niet van de bal te zetten. Dat cliché mag op de schop. 'Een targetspits hoeft niet groot te zijn', countert Jacobs. 'Voetballen met een "target" is een spelfilosofie: de speler centraal vooraan dient als aanspeelpunt. Hij houdt de bal bij, laat zijn medespelers aansluiten en speelt de bal terug zodra zij in positie staan. Groot en kopbalsterk zijn helpt daarbij, maar een targetman moet vooral inzicht hebben en goeie voeten. Hij weet van een mindere pass nog iets te maken. Je kunt dat klaren op gestalte en kracht, maar bijvoorbeeld ook met beweeglijkheid. Al zijn zulke spitsen zeldzaam.' Harry Kane bij Engeland en Olivier Giroud bij Frankrijk zijn voorbeelden van targetspitsen, Romelu Lukaku is géén targetspits, vindt hij zelf. De nummer 9 van de Belgen vindt dat een onderschatting van zijn kwaliteiten: hij wil zelf acties opzetten en scoren, de bal bijhouden lijkt wat minnetjes. 'Velen linken de term targetspits aan kick-and-rushvoetbal: de keeper beukt een verre bal naar voren, in de hoop dat hij een keer goed valt voor de spits. Dat soort voetbal is gedateerd en wordt op het hoogste niveau nog zelden gespeeld', weet Jacobs. 'Ik vind het juist een compliment als je een speler een "targetman" noemt. Hij is het doelwit van de passes, het belangrijkste tandwiel in een complex raderwerk.' 'Stel: Toby Alderweireld trapt een verre voorzet naar Romelu Lukaku, rond wiens lichaam een tegenstander hangt. De bal ketst af op het lijf van Lukaku of de tegenstander beroert hem licht. De bal is nu even van niemand: dat is een afvallende bal', legt Ariël Jacobs uit. Een synoniem is 'de tweede bal'. Het is dus perfect mogelijk om in de tweede helft een tweede bal in de tweede zone richting tweede paal te koppen. Zelfs bij een meester-spelverdeler als Kevin De Bruyne belanden de passes niet altijd perfect in de voet: afvallende ballen komen vaak voor en zijn bijzonder belangrijk. Ze geven het momentum van de match weer: een ploeg die op dreef is, lijkt wel alle afvallende ballen naar zich te zuigen. 'Een kwestie van scherpte en vertrouwen. Zulke psychologische tendensen kunnen ontstaan en weer afbotten', zegt Jacobs. 'Een afvallende bal verover je omdat je dat met alle vezels in je lijf wílt. Maar het is ook een kwestie van aanvoelen. Specialisten weten instinctief waar zo'n bal terechtkomt. De afvallende bal is een belangrijk tactisch element. Bij tegenstanders van de Rode Duivels heeft de verdedigende middenvelder zonder uitzondering de taak om de afvallende bal rond Lukaku te onderscheppen. Wie daar tegen de Belgen niet in slaagt, gaat de boot in.' 'Aansnijden' zeg je normaal alleen bij stilstaande fases, zoals vrije trappen of hoekschoppen. Het gaat om een harde voorzet, zonder curve, precies waar de trapper hem naartoe mikt. 'Aangesneden voorzetten mik je naar een medespeler. Hoe hoog maakt niet uit: je kunt richten op het hoofd, de voeten, de knieën zelfs. Bij een goede aangesneden trap moet de spits hem maar aanraken en het is doelpunt. De bal heeft zo veel vaart dat de doelman machteloos staat. Alleen de allerbesten kunnen zo'n bal perfect op maat trappen en zelfs dan moet je hopen dat de verdedigers er zich niet tussen wurmen', zegt Jacobs. Als het mislukt, oogt het lullig. De bal ketst af op een verdediger: weg kans. Wanneer de voorzet met een boogbal in het pak wordt gedropt, kunnen de aanvallers er het beste van maken. Bij een aangesneden voorzet zijn zij lijdend voorwerp. 'Met Mbark Boussoufa had ik daar hoogoplopende discussies over', vertelt Jacobs over zijn tijd bij Anderlecht. 'Boussoufa was er categorisch in: telkens trapte hij aangesneden voorzetten. Natuurlijk mislukten die vaak. Het publiek begon te morren en je loopt het risico dat hun onvrede zich overplant op de ploeg. Het lijken verloren ballen en verprutste kansen. Maar Mbark viel niet te vermurwen: als ik die bal goed raak, dan is het goal, coach!' Misschien bent u intussen afgehaakt op dit EK, maar dat is een ander verhaal. Een ploeg die aanvalt, loopt uiteraard naar het doel van de tegenstander. Een speler die afhaakt, rent tijdens een aanval richting eigen doel. Niet wat je zou verwachten. 'Stel: Youri Tielemans stormt met de bal naar voren vanuit het middenveld. Lukaku kan dan afhaken om los te komen van zijn verdediger. Lukaku kan nu een een-tweetje opzetten met Tielemans. Wanneer de verdediger Lukaku is gevolgd, ligt er ruimte: Tielemans kan ongehinderd doorstomen. Dankzij Lukaku, die misschien niet eens aan de bal is geweest.' Er bestaat ook een vorm van afhaken waar Ariël Jacobs minder over te spreken is: soms haakt een spits af, louter om de bal eens te voelen. Een slecht teken, maar er valt begrip voor op te brengen, vindt hij. 'Een aanvaller die minutenlang in de tang wordt genomen kan het gevoel krijgen dat de match aan hem voorbijgaat. Zo'n jongen haakt af uit zijn positie om in het middenveld deel te nemen aan het spel. Dat is al te menselijk, maar trainers bekijken het met afgrijzen. Een spits is nuttiger wanneer hij voorin blijft, zelfs al ziet hij geen bal.' We hebben het niet over de letterlijke betekenis van knijpen, maar dat begreep u al. In voetbal betekent knijpen: een speler in balbezit met twee, drie mensen omsingelen om de bal te veroveren. Vaak drijft men die tegenstander naar de zijlijn, waar hij weinig opties heeft. Gaat de bal buiten, dan is hij hem ook kwijt. Die omsingeling gebeurt gecoördineerd. Omdat er meerdere spelers richting bal gaan, moet de rest van het elftal mee opschuiven. De ploeg 'kantelt' dan naar één kant van het veld: voetbalcommentator Filip Joos gebruikt die term gemiddeld elke vijf minuten. 'Naar binnen knijpen' is, verwarrend genoeg, iets totaal anders. 'Stel dat Romelu Lukaku afhaakt en de mandekker volgt hem', zegt Jacobs. 'Dan ontstaat er vrije ruimte waar Lukaku en zijn bewaker zonet stonden. Andere verdedigers moeten nu direct die ruimte dichtlopen. Niet simpel: van nature wil je het spel volgen. Het vergt veel training om die reflex mentaal af te blokken en direct de vrije positie over te nemen. De minste aarzeling is fataal. Televisiecommentatoren zijn niet altijd mee met het cruciale verschil tussen "knijpen" en "naar binnen knijpen". Missen is menselijk, maar ik erger me eraan. Ze praten maar na zonder te begrijpen wat ze eigenlijk zeggen.' Hier wordt het jargon zelfs wat potsierlijk: een wingback, een fullback of een back betekenen allemaal hetzelfde, namelijk een flankverdediger. Je mag ook linksachter, rechtsachter of vleugelverdediger zeggen. Jacobs moet erom lachen: 'Vroeger passeerde je aan de toiletten langs madam pipi, nu heet zij de "sanitaire assistente". Wingback klinkt wat chiquer dan rechtsachter, maar het is vooral een manier om geleerd over te komen. Het woord wingback klinkt Engels, al spreken Engelsen zelf vaker over een fullback. Al die inwisselbare termen maken het voor de leek niet simpeler.' Het klopt volgens Jacobs niet helemaal, maar analisten op tv lijken met een wingback een flankverdediger te bedoelen met erg aanvallende intenties. Dat is een tactische trend: wingbacks als de Italiaan Leonardo Spinazzola, de Nederlander Denzel Dumfries of onze Thorgan Hazard hebben de blik altijd naar voren gericht. 'Natuurlijk kan een flankverdediger de opdracht krijgen om vaak over te steken naar de aanval. Dat is heus niets nieuws. Bovendien hangt het af van hoe de match loopt. Rollen de Belgen van aanval naar aanval: uiteraard bestookt Thorgan Hazard dan het vijandige strafschopgebied. Maar Roberto Martínez verwacht ook dat hij terugloopt wanneer de Rode Duivels onderliggen en dat Hazard zich bezighoudt met de flankaanvallers van de tegenstander. Zoals het een linksachter betaamt.' Thorgan Hazard wordt op de linkerflank gekoppeld aan zijn oudere broer Eden. De standaardopstelling wanneer de Belgen aanvallen is: Eden in de buurt van het strafschopgebied, Thorgan een paar meter voorbij de middenlijn. Soms stoomt Thorgan door dieper in het veld. Als hij aanvaller Eden passeert, noemen we dat een overlap. Van Eden wordt nu verwacht dat hij zich een beetje terug laat zakken: zijn broer heeft namelijk ook een verdedigende taak en wanneer de tegenstander countert, kan het snel gevaarlijk worden. Overlaps zijn typisch voor het spel van de Rode Duivels. 'De Belgen krijgen vaak te maken met versterkte verdedigingen', verklaart Jacobs. 'Overlappen veroorzaakt verwarring bij de tegenstander en het is ook een manier om vaart in het spel te brengen, met al die lopende mensen. In hun wildste wedstrijden pakken de Belgen het zó aanvallend aan dat de speler die overlapt wordt zelfs gewoon voorop blijft.' De term overlap slaat niet alleen op flankspelers. Wanneer Jason Denayer naar voren trekt en Axel Witsel passeert, dan is dat evenzeer een overlap. Een verdediger die een middenvelder voorbijsteekt, een middenvelder die een aanvaller passeert of zelfs een verdediger die het hoger gaat zoeken dan zijn eigen aanvallers: het zijn allemaal overlaps. 'De natte droom van iedere trainer', zegt Jacobs over de box-to-box. 'Het is een middenvelder die de bal 90 minuten lang overal volgt, al blijft hij vooral tussen de twee strafschopgebieden, vandaar box-to-box. Vaak zijn het werkmieren, dravers zonder inspiratie. Maar je hebt ook echte toppers als box-to-box: mannen met inzicht, werkkracht, fysiek én goeie voeten. Een trainer die op zo'n totaalpakket stoot, dankt de goden. Je krijgt twee of zelfs drie spelers voor de prijs van één.' In 2005 had zowat iedereen in het voetbal de mond vol van box-to-box, maar de hype lijkt voorbij. Toch is het idee niet passé, meent Jacobs. 'N'Golo Kanté is momenteel de beste box-to-box ter wereld. Ik vind hem de perfecte middenvelder. Gevaarlijk wanneer Frankrijk aanvalt, en de eerste om de angel eruit te halen als de tegenstander countert. Kanté staat er altijd. En in gelijk welke match zijn driekwart van de afvallende ballen voor hem, zowel aanvallend als verdedigend. Met zo'n speler in de ploeg heb je al half gewonnen.' Frankrijk voetbalt met twee box-to-boxspelers: ook Paul Pogba loopt zo'n beetje overal. De Belgen doen het zonder box-to-box. 'Youri Tielemans zou het zeker kunnen en Axel Witsel ook, maar zij krijgen andere taken. Witsel blijft voor de verdediging en is het eerste aanspeelpunt om de aanval op gang te brengen. Aan aanvallende acties diep op de helft van de tegenstander waagt hij zich zelden: dat brengt zijn hoofdopdracht in gevaar. Tielemans kan spelen als aanvallende middenvelder of als verdedigende middenvelder, maar de twee combineren zoals een echte box-to-box is er bij de Rode Duivels niet bij. Centraal op het middenveld wil Martínez dat iedereen zijn positie behoudt. In de rest van zijn opstelling neemt hij al voldoende risico's.'