De rechtbank te Brugge veroordeelde journalist Bart Aerts wegens mededaderschap misbruik van inzagerecht omdat hij in een tv-uitzending de inhoud van taps uit het onderzoek naar de Kasteelmoord ter kennis bracht. De rechtbank steunt zich hierbij op de schending van de morele integriteit van de familie van het slachtoffer. De procureur had echter een andere reden om te vervolgen. Hij stelde dat het de bedoeling was met de demarche het Brugse parket in diskrediet brengen en zo het onderzoek te dwarsbomen. Het zijn twee erg verschillende standpunten die nogal wat vragen oproepen.

Voelt Brugse justitie zich in diskrediet gebracht?

Het inzagerecht is een gevolg van de Witte Marsen. Reeds in 1991 diende senator Fred Erdman (SP) een wetsvoorstel in dat aan de slachtoffers en hun nabestaanden het recht gaf het strafdossier in te kijken. Pas nadat eind 1996 de Witte Mars had plaats gevonden werd het door de Senaat gestemd. In de Kamer werd het samen met het ontwerp van de commissie Franchimont behandeld. Die commissie was dan weer het gevolg van de parlementaire onderzoekscommissie op het Bendeonderzoek en had tot opdracht de "Knelpunten" uit de strafprocedure te halen. Dat het gemis aan inzage van het onderzoeksdossier een knelpunt was zette de commissie ook aan om aan de procureur en de advocaten een recht te geven om zelfs tijdens het onderzoek mededelingen te doen indien het openbaar belang het vereist. Het geheel kadert in de toenmalige wens om justitie transparant te maken en te beantwoorden aan de Europese eis dat recht "zichtbaar" moet worden gedaan.

Blijkbaar hebben sommige rechters en procureurs het nog steeds moeilijk met voorgaande wensen en initiatieven. Zo kan je opmerken dat de vordering die steunt op de bewering dat het publiek maken van de taps tot doel had het Brugse parket in diskrediet te brengen beter voor een andere rechtbank was gesteld.

De behandeling van het proces voor de Brugse rechtbank was immers geen toonbeeld van sereniteit. In de analyse op VRT NWS van 19 april 2018 werd het terecht als volgt omschreven: 'Maar ook daarna blijft het proces doorspekt van kleine en grotere conflicten. Advocaten gaan regelmatig rechtstreeks met elkaar in de clinch en zelden werd er zoveel geroepen in een rechtszaal. Tegen elkaar, tegen de openbaar aanklagers en tegen de rechters.'

Het proces ging daardoor niet alleen over de schuld en boete van de beklaagden maar evenzeer over de rol en de werkwijzen van zowel de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie, de advocaten en de rechtbank zelf. Wrakingen, betwistingen over werken met een informateur, mogelijke onbehoorlijke contacten, maar ook de vraag wat advocaten wel of niet mogen doen of beweren volgden elkaar op. Mogelijks heeft de Brugse justitie niet verteerd dat dit alles uitvoerig in de media kwam.

De tweede door de procureur aangehaalde reden, het dwarsbomen van het onderzoek, is wél een geldige reden om misbruik te weerhouden. Maar dit punt werd uitvoerig behandeld en beoordeeld tijdens het proces. Verder onderzoek wees uit dat de bewering van misplaatste contacten niet geheel zonder oorzaak was: er werd met de gewezen justitieminister Stefaan De Clerck gebeld en er had een gesprek plaats bij de koffie met een substituut van hetzelfde parket. Het is dus niet duidelijk waarom hierop moet worden teruggekomen.

Bovendien kan ook de omschrijving " mededader" worden betwijfeld. Dat houdt immers in dat de journalist het opzet had om "misbruik" te maken van wat hij aan inlichtingen verkreeg. Vraag is dus uit wat dit opzet blijkt. Misschien ligt hierin de reden waarom de rechter het op een ander element houdt: schending van de morele integriteit. Maar voor dit element is een ander misdrijf voorzien, laster en eerroof. Bovendien kan er voor de schadevergoeding van die schending een burgerlijke procedure worden gevoerd en is het niet nodig een zware sanctie als celstraf uit te spreken. Overigens is een burgerlijke afhandeling bij vrijspraak voor het misdrijf nog mogelijk.

Dat voor de aantasting van de morele integriteit de strafrechtelijke weg wordt gevolgd is enigszins te begrijpen omdat een gerechtelijk onderzoek meer mogelijkheden biedt voor het ontdekken van de waarheid. Dat daarbij ook schendingen van grondwettelijke rechten als een huiszoeking of een celstraf worden aangewend moet aanzetten tot herhaald overdenken van de gevolgde weg. Openbaarheid is de beste waarborg voor een goede justitie. Vooraleer dat te bestraffen moeten er zeer ernstige reden aanwezig zijn.

Door nu, door het wapen van de vervolging, het bronnengeheim van de journalist in vraag te stellen worden de betwistingen over de rol en de bevoegdheden van de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie én de advocatuur uitgebreid tot deze van de journalist. Het is alsof deze moet boeten omdat alle "medewerkers" in de gehele justitie en niet in het minst de advocaten zich tijdens het voorgaand proces in diskrediet hebben gebracht.

De rechtbank te Brugge veroordeelde journalist Bart Aerts wegens mededaderschap misbruik van inzagerecht omdat hij in een tv-uitzending de inhoud van taps uit het onderzoek naar de Kasteelmoord ter kennis bracht. De rechtbank steunt zich hierbij op de schending van de morele integriteit van de familie van het slachtoffer. De procureur had echter een andere reden om te vervolgen. Hij stelde dat het de bedoeling was met de demarche het Brugse parket in diskrediet brengen en zo het onderzoek te dwarsbomen. Het zijn twee erg verschillende standpunten die nogal wat vragen oproepen.Het inzagerecht is een gevolg van de Witte Marsen. Reeds in 1991 diende senator Fred Erdman (SP) een wetsvoorstel in dat aan de slachtoffers en hun nabestaanden het recht gaf het strafdossier in te kijken. Pas nadat eind 1996 de Witte Mars had plaats gevonden werd het door de Senaat gestemd. In de Kamer werd het samen met het ontwerp van de commissie Franchimont behandeld. Die commissie was dan weer het gevolg van de parlementaire onderzoekscommissie op het Bendeonderzoek en had tot opdracht de "Knelpunten" uit de strafprocedure te halen. Dat het gemis aan inzage van het onderzoeksdossier een knelpunt was zette de commissie ook aan om aan de procureur en de advocaten een recht te geven om zelfs tijdens het onderzoek mededelingen te doen indien het openbaar belang het vereist. Het geheel kadert in de toenmalige wens om justitie transparant te maken en te beantwoorden aan de Europese eis dat recht "zichtbaar" moet worden gedaan.Blijkbaar hebben sommige rechters en procureurs het nog steeds moeilijk met voorgaande wensen en initiatieven. Zo kan je opmerken dat de vordering die steunt op de bewering dat het publiek maken van de taps tot doel had het Brugse parket in diskrediet te brengen beter voor een andere rechtbank was gesteld. De behandeling van het proces voor de Brugse rechtbank was immers geen toonbeeld van sereniteit. In de analyse op VRT NWS van 19 april 2018 werd het terecht als volgt omschreven: 'Maar ook daarna blijft het proces doorspekt van kleine en grotere conflicten. Advocaten gaan regelmatig rechtstreeks met elkaar in de clinch en zelden werd er zoveel geroepen in een rechtszaal. Tegen elkaar, tegen de openbaar aanklagers en tegen de rechters.' Het proces ging daardoor niet alleen over de schuld en boete van de beklaagden maar evenzeer over de rol en de werkwijzen van zowel de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie, de advocaten en de rechtbank zelf. Wrakingen, betwistingen over werken met een informateur, mogelijke onbehoorlijke contacten, maar ook de vraag wat advocaten wel of niet mogen doen of beweren volgden elkaar op. Mogelijks heeft de Brugse justitie niet verteerd dat dit alles uitvoerig in de media kwam.De tweede door de procureur aangehaalde reden, het dwarsbomen van het onderzoek, is wél een geldige reden om misbruik te weerhouden. Maar dit punt werd uitvoerig behandeld en beoordeeld tijdens het proces. Verder onderzoek wees uit dat de bewering van misplaatste contacten niet geheel zonder oorzaak was: er werd met de gewezen justitieminister Stefaan De Clerck gebeld en er had een gesprek plaats bij de koffie met een substituut van hetzelfde parket. Het is dus niet duidelijk waarom hierop moet worden teruggekomen. Bovendien kan ook de omschrijving " mededader" worden betwijfeld. Dat houdt immers in dat de journalist het opzet had om "misbruik" te maken van wat hij aan inlichtingen verkreeg. Vraag is dus uit wat dit opzet blijkt. Misschien ligt hierin de reden waarom de rechter het op een ander element houdt: schending van de morele integriteit. Maar voor dit element is een ander misdrijf voorzien, laster en eerroof. Bovendien kan er voor de schadevergoeding van die schending een burgerlijke procedure worden gevoerd en is het niet nodig een zware sanctie als celstraf uit te spreken. Overigens is een burgerlijke afhandeling bij vrijspraak voor het misdrijf nog mogelijk.Dat voor de aantasting van de morele integriteit de strafrechtelijke weg wordt gevolgd is enigszins te begrijpen omdat een gerechtelijk onderzoek meer mogelijkheden biedt voor het ontdekken van de waarheid. Dat daarbij ook schendingen van grondwettelijke rechten als een huiszoeking of een celstraf worden aangewend moet aanzetten tot herhaald overdenken van de gevolgde weg. Openbaarheid is de beste waarborg voor een goede justitie. Vooraleer dat te bestraffen moeten er zeer ernstige reden aanwezig zijn.Door nu, door het wapen van de vervolging, het bronnengeheim van de journalist in vraag te stellen worden de betwistingen over de rol en de bevoegdheden van de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie én de advocatuur uitgebreid tot deze van de journalist. Het is alsof deze moet boeten omdat alle "medewerkers" in de gehele justitie en niet in het minst de advocaten zich tijdens het voorgaand proces in diskrediet hebben gebracht.