Met de gladde snavelneut (Yoldia limatula) is de Belgische mariene schelpenfauna een soort rijker. Deze herfst werden drie exemplaren gevonden aan de westkust. Storm Odette had ze halfweg het strand afgezet. Hun lengte (van 4,5 tot 4,8 cm) en de aanwezigheid van het dier of vleesresten wijzen volgens Natuurpunt op een nog kleine populatie voor de kust. In het oorspronkelijk leefgebied aan de Oostkust van Noord-Amerika, van Nova Scotia tot Noord-Carolina leeft deze soort in slibrijk zand en slib. De toename aan slib in het Belgische kustwater speelt waarschijnlijk in de kaart van deze nieuwkomer. De schelp is langwerpig en afgeplat en gaapt aan beide zijden. Eén zijde is snavelvormig toegespitst. De buitenzijde van de schelp is bedekt met een bruingroen vlies. Sinds kort heeft onze kust er ook een heremietzakje bij: het kleine heremietzakje (Setposaccus cuenoti). Vanaf het voorjaar werd deze nieuwkomer regelmatig op de Belgische stranden aangetroffen op zijn gastheer: de kleine heremietkreeft. De larve van deze soort, die verwant is aan de zeepokken, vestigt zich op de gastheer en groeit als een wortelende parasiet doorheen het kreeftenweefsel om voedingsstoffen te onttrekken. Uitwendig van de gastheer ontwikkelt zich een bruine zak met eieren die in het water worden losgelaten. In juli werd ook nog een isopode ontdekt, een soort pissebed. Het diertje werd ontdekt samen met kleine pietermannen. Het ging om de visparasiet Ceratothoa steindachneri. Deze soort leeft normaal in de mondholte van een vis. Eind november vond een kruier enkele kleine pietermannen in zijn kruinet. In de mond van één daarvan zaten twee van die visparasieten. Door de klimaatopwarming is de kleine pieterman bij ons algemener geworden en nu is zijn parasiet, die normaal een zuidelijker verspreiding kent, voor het eerst in de Noordzee opgedoken. Tot slot werden ook nog twee andere nieuwe visparasieten ontdekt: Anilocra frontalis en Nerocila bivittata. (Belga)

Met de gladde snavelneut (Yoldia limatula) is de Belgische mariene schelpenfauna een soort rijker. Deze herfst werden drie exemplaren gevonden aan de westkust. Storm Odette had ze halfweg het strand afgezet. Hun lengte (van 4,5 tot 4,8 cm) en de aanwezigheid van het dier of vleesresten wijzen volgens Natuurpunt op een nog kleine populatie voor de kust. In het oorspronkelijk leefgebied aan de Oostkust van Noord-Amerika, van Nova Scotia tot Noord-Carolina leeft deze soort in slibrijk zand en slib. De toename aan slib in het Belgische kustwater speelt waarschijnlijk in de kaart van deze nieuwkomer. De schelp is langwerpig en afgeplat en gaapt aan beide zijden. Eén zijde is snavelvormig toegespitst. De buitenzijde van de schelp is bedekt met een bruingroen vlies. Sinds kort heeft onze kust er ook een heremietzakje bij: het kleine heremietzakje (Setposaccus cuenoti). Vanaf het voorjaar werd deze nieuwkomer regelmatig op de Belgische stranden aangetroffen op zijn gastheer: de kleine heremietkreeft. De larve van deze soort, die verwant is aan de zeepokken, vestigt zich op de gastheer en groeit als een wortelende parasiet doorheen het kreeftenweefsel om voedingsstoffen te onttrekken. Uitwendig van de gastheer ontwikkelt zich een bruine zak met eieren die in het water worden losgelaten. In juli werd ook nog een isopode ontdekt, een soort pissebed. Het diertje werd ontdekt samen met kleine pietermannen. Het ging om de visparasiet Ceratothoa steindachneri. Deze soort leeft normaal in de mondholte van een vis. Eind november vond een kruier enkele kleine pietermannen in zijn kruinet. In de mond van één daarvan zaten twee van die visparasieten. Door de klimaatopwarming is de kleine pieterman bij ons algemener geworden en nu is zijn parasiet, die normaal een zuidelijker verspreiding kent, voor het eerst in de Noordzee opgedoken. Tot slot werden ook nog twee andere nieuwe visparasieten ontdekt: Anilocra frontalis en Nerocila bivittata. (Belga)