Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

De dag voor ons gesprek had Veerle Dobbelaere een vergadering in Vilvoorde, bij een bedrijf waar ze straks als coach wordt ingeschakeld, en 's avonds kwam ze als herboren thuis. Oef, eindelijk nog eens een echte ontmoeting: dat gevoel had ze. 'De impact van het niet lijfelijk samenzijn is groter dan ik had gedacht', zegt ze. 'Zolang het veilig kan, ben ik van plan om ook de komende maanden voldoende lijfelijke vergaderingen te blijven inplannen, om ervoor te zorgen dat we niet helemaal vereenzamen.' Met hoofdrollen in onder meer Recht op recht, De SM-rechter en Smoorverliefd maakte Dobbelaere naam als actrice, maar sinds enkele jaren is ze vooral actief als life en mental coach. Ze begeleidt bedrijven, koppels en zorgverleners, en legt in haar aanpak de nadruk op het belang van een goede ademhaling. 'Onze adem is een soort superkracht die we al te vaak onbenut laten', schrijft ze in Ademruimte: hoe anders ademen je leven kan verbeteren, het boek dat ze eind vorig jaar uitbracht. Dobbelaere: 'Vanuit de vzw die ik bij het begin van de coronacrisis mee heb opgericht, Coaching for Heroes, merken we nu dat er uit de zorg- en hulpverleningssector steeds meer aanvragen komen. Eindelijk hebben die mensen wat meer ademruimte, letterlijk bijna, om aan zelfzorg te doen. En daarin helpen wij hen, door ze met elkaar te laten praten over de impact van de voorbije maanden op hun gevoelsleven, maar ook door hen concrete ademhalingsoefeningen aan te leren.' 'Zelfs als je slechts enkele minuten per dag bewust zou ademen, voel je al de effecten op je lichamelijke en geestelijke gezondheid', schrijft u. Hoe dan? Veerle Dobbelaere: Onze adem is de link tussen ons lichaam en onze geest. Maar we zijn vervreemd van ons lichaam, het is eigenlijk triest. Door bewuster te ademen, te mediteren in feite, krijg je een veel groter lichaamsbewustzijn en een grotere alertheid in het 'nu', je kunt helderder nadenken en piekert veel minder. Sommige mensen zien het nog altijd als iets zweverigs, maar het is integendeel erg concreet: chronische stress leidt tot fysieke pijn, en mediteren vermindert je stress of helpt preventief om stress te voorkomen. Want het begint dikwijls met wat onschuldige nek- of schouderpijn, wat last aan de maag en de darmen, maar voor je het weet ga je richting burn-out of depressie. Ik waak erover dat ik zelf ook elke dag kan mediteren. Elke ochtend en elke avond ga ik twintig minuten op de grond zitten en let ik heel bewust op mijn ademhaling. Meer is het eigenlijk niet. Daardoor ken ik mijn lichaam ondertussen heel goed en voel ik het meteen als er ergens spanning zit. Vanuit mijn lichaam ga ik naar mijn geest: waar komt de spanning vandaan? Wat maalt er allemaal in mijn hoofd? Hoe beter je verbonden bent met je eigen lichaam, hoe sneller je het voelt wanneer er iets niet klopt. Die technieken wil ik met zo veel mogelijk mensen delen. Zeker in deze tijden waarin er veel stress is, en waarbij veel bedrijven en dus ook mensen hun bestaansrecht moeten heruitvinden. 'Wat maakt dat ik in deze veranderende wereld, in deze herschikte markt, nog mag bestaan?' vragen veel mensen zich af. Dan kan meditatie een grote hulp zijn. Wat maakt dat u nog mag bestaan? Dobbelaere: (denkt na) Ik ben goed in een aantal dingen, vooral in andere mensen raken en ze zo wat beter maken. Lichter, luchtiger. Dat was al zo als actrice, als speler, en dat is nu ook zo als coach. Ten tijde van De SM-rechter bijvoorbeeld, de film waarmee ik volgens mij de meeste impact heb gehad, kwamen zo goed als alle mensen lichter uit de zaal dan ze die waren binnengegaan. Ah, liefde kan er ook zó uitzien, dachten ze. Er was wat meer begrip voor de ander, wat meer tolerantie en mildheid. Alle oordelen en meningen waren in de zaal achtergebleven. Dat is ook wat ik als coach probeer te doen. In die zin zie ik weinig verschil tussen beide jobs: de mens as such is altijd mijn werkveld geweest. En de mens, wist Gerard Walschap al, daar kunt ge niet aan uit. Dobbelaere: Precies. Dat is echt mijn credo, ik heb het gisteren nog tegen iemand gezegd. Mensen zijn raar. En dus interessant. (lacht)Kunt u na al die jaren al aan uzelf uit? Dobbelaere: Dat gaat evenredig op. Ik heb mijn personages altijd goed proberen te begrijpen, met al hun pijn en hun gevoelens, en ik ben al snel zelf in therapie gegaan, omdat ik ook naar mezelf als een soort studieobject wilde kijken. Hmm, hoe komt het toch dat ik me nu zo voel? Die vraag heb ik me al van jongs af aan leren stellen. In je opleiding tot coach word je bovendien zelf veel gecoacht, leer je echt kijken naar de ijsberg onder het wateroppervlak, niet enkel naar het topje dat zichtbaar is. Er zijn zo veel onderhuidse stromingen die ons gedrag en onze emoties onbewust sturen, dat blijft een onuitputtelijke bron: ik ben 53 jaar en hoewel ik al lang met die zelfstudie bezig ben, kan ik toch nog altijd verrast zijn door de voorgeprogrammeerde patronen in mijn brein. Ik vind het fantastisch om eeuwig student te blijven in de school van de mens. Ik leer nog altijd bij, over een jonge wetenschap als neuroplasticiteit bijvoorbeeld, het vermogen van onze hersenen om zich te herstellen en te herstructureren, ook na je achttiende. Kennelijk is alles veranderd nadat u een black-out hebt gehad op het podium? Dobbelaere: Dat was echt een scharniermoment, ja. Ervoor zat ik in mijn hoofd en gebruikte ik mijn lichaam puur als instrument, erna ben ik veel meer aandacht aan mijn lichaam gaan besteden. Het gebeurde in 2006, in het cultureel centrum van Tielt, tijdens een monoloog over een meisje dat vertelt dat ze op een studiereis verkracht werd door haar leerkracht biologie. Ik had het ervoor ook al benauwd gekregen, ik ben helemaal geen solitaire speler, maar die keer ging het helemaal mis: ik kreeg geen adem meer, begon te zweten, alles draaide in mijn hoofd. Ik kon nog wel verder spelen en kreeg zelfs applaus, maar kort daarna heb ik op advies van mijn huisarts de tournee stopgezet. Zoals wij allemaal ben ik ook maar een kind van de maatschappij, dat is aangeleerd om flink en sterk te zijn, om niet te huilen als het bang is, om het allemaal aan te kunnen. Maar ja, zo marcheert het natuurlijk niet. Op een bepaald moment kun je het ineens níét meer aan. Na die black-out heb ik met de hulp van een psycholoog en van psychiater Edel Maex geleerd om enige mildheid ten opzichte van mezelf toe te laten. Weet u ondertussen al waar die plotse angst, toen op het podium, vandaan kwam? Dobbelaere: Vanuit de vraag of ik wel goed genoeg was, of ik er wel mocht staan, in de schijnwerpers, met al die mensen die naar me keken. Mag ik er zijn? Daar kwam het simpel gesteld op neer. Ben ik de moeite waard? Ik denk dat die twijfel voor veel mensen herkenbaar is, en ik kom ze zelf nog af en toe tegen, maar inmiddels weet ik hoe ik met die vraag om moet gaan. Ik voel me nog vaak heel klein, maar dat mag, weet ik nu van mezelf. Op uw veertiende hebt u een halfjaar gehuild, en sindsdien nooit meer. Dobbelaere: Ik weet dat nog heel goed, achteraf bekeken was het ook best grappig: als je tegen mij als puber iets zei, begon ik sowieso te huilen. Of je nu opgewekt of kortaf 'hé, Veerle!' tegen me zei, het was nooit goed. Ofwel dacht ik: mensen zijn zo lief, ofwel: mensen zijn zo kwaad op mij! Het raakte me hoe dan ook enorm. Ik voelde me een open wond, iedereen die voorbijkwam, deed me pijn. Dat was natuurlijk niet leefbaar, en dus heb ik veel muren rondom me opgetrokken. Huilen was zwak in mijn ogen, en ik wilde niet zwak zijn. Meer zelfs, ik gaf iedereen om me heen de schuld van wat ik zelf niet geregeld kreeg. Ik maakte me voortdurend kwaad op alles en iedereen. Gelukkig stel ik me nu wel een stuk kwetsbaarder op: ik ben nog altijd geen blèter, maar het mag wel ondertussen. Al is het nog altijd gemakkelijker om mild te zijn voor een ander dan voor mezelf, ik verwacht nog altijd meer van mezelf dan van andere mensen. Tijdens coachings hoor ik mezelf regelmatig dingen als waarheid verkondigen en denk ik tegelijkertijd: luister nu goed, Veerle, want je doet het misschien zelf niet altijd. Een voorbeeld? (denkt na) Als het gaat om de liefde, en het blijven beseffen dat je man op zijn manier laat zien dat hij nog altijd van je houdt. Ik doe dat vooral door praktische zaken, te koken onder meer, hij uit zijn liefde door me vaak vast te pakken. Maar soms vergeet je dat weleens van elkaar en denk je: gast, laat mij eens los, ik ben aan het koken! (lacht)U mediteert en besteedt aandacht aan uw ademhaling. Hoe bewaakt u uw mentale en lichamelijke gezondheid nog? Dobbelaere: Ik kijk graag en vaak naar de sterren, die fascinatie heb ik altijd al gehad. En ik ben streng voor mezelf wat betreft digitale hygiëne. 's Nachts staat mijn gsm a priori uit en 's ochtends kom ik eerst tot mezelf voor ik hem weer aanzet. Als je mij echt te pakken wilt krijgen, zeker in het weekend, moet je naar mijn man bellen. Zo zit ik in elkaar. Ik kies er bewust voor om mijn telefoon aan de kant te leggen, want voor je het weet, zit je een halfuur op Instagram te scrollen. En voor de rest: ik heb nooit veel gesport, maar ik beweeg wel constant. Als actrice krijg je dat aangeleerd, in de vorm van ballet, tapdans, schermen, noem maar op - zolang je lichaam maar in beweging is. Nu ik een wat meer zittend beroep heb, wandel ik veel - meestal met Maurice, mijn hond - en probeer ik zo veel mogelijk rechtstaand te werken, aan mijn hoge desk. Als kind brulde en tierde u vaak om gezien en gehoord te worden. Was uw jeugd gemakkelijker geweest als iemand u toen al had geleerd om vanuit de buik te ademen? Dobbelaere: Zeker en vast. Maar spijt is wat de koe schijt, zei Herman Brood al, en ik denk ook dat mijn temperament en mijn onvermogen om me emotioneel te uiten me gemaakt hebben tot de dramatische actrice die ik uiteindelijk geworden ben. Personages met pijn heb ik altijd gemakkelijk kunnen vormgeven, omdat ik hun pijn herkende. Die noodzaak is de laatste jaren wat minder groot, nu ik zelf minder pijn heb. Acteren is niet meer mijn eerste manier om mensen te raken, ik kan mijn pijn nu op een andere manier reguleren en zo mensen helpen. Ik weet ook niet waar die pijn vandaan kwam, ik heb als kind altijd een soort van Sehnsucht gehad. Ik ben met die zwaarte geboren, denk ik, maar ik vind dat ook niet erg. Ik vind het zelfs mijn roeping: die zwaarte, die pijn verlichten. Bij mezelf en bij andere mensen. Want er is veel pijn, door corona misschien wel meer dan ooit. U bent opgegroeid in Sint-Niklaas. Wat hebt u van uw vader meegekregen, en wat van uw moeder? Dobbelaere: Mijn vader is een beetje een rare vogel, dat heb ik zeker van hem. Hij denkt de hele tijd out of the box, trekt de dingen voortdurend in twijfel. Hij was net als zijn vader diamantslijper, maar op zijn achtentwintigste is hij kunstgeschiedenis gaan studeren. Op vakantie konden we geen kerk binnenstappen zonder een hele uitleg over de jonge of de oude gotiek. Zo is hij gaan lesgeven en is hij in de antiek verzeild geraakt, als expert voor het gerecht. En mijn moeder, die al gestorven is, was onderwijzeres. Ze kwam uit een arbeidersgezin dat bang was voor te veel informatie. Haar grote ambities zijn gefnuikt door die onzekerheid, maar ze is wel altijd blijven studeren en heeft uiteindelijk zelfs nog een winkeltje met Griekse olijven, wijnen en tzatziki geopend. Dat nieuwsgierige en ondernemende heb ik van haar geërfd. U was naar eigen zeggen een halve jongen: u klom in bomen, bouwde kampen en speelde ruwe spelletjes. Hebt u ooit een jongen willen zijn? Dobbelaere: Nee, helemaal niet. Maar van nature heb ik me wel altijd aangetrokken gevoeld tot die mannelijke energie: de daadkracht, het stoer zijn, het sterk zijn. Ik voel me ook echt goed in het gezelschap van mannen. Als ik in de bedrijfswereld alfa's tegenkom, ben ik er niet snel van onder de indruk. Als het moet, kan ik ook vuile moppen vertellen. Pas op latere leeftijd heb ik het vrouwelijke stukje van mezelf ontdekt en toegelaten, in mijn kleding of mijn uiterlijk bijvoorbeeld. Het is wat het is. Er is niets in mijn verleden waarop ik terugkijk met boosheid, spijt of verdriet. Ik ben blij met wie ik vandaag ben, ook al dacht ik als kind wel altijd dat ik later veearts zou worden. (lacht)In een van uw allereerste interviews, ten tijde van Ons geluk, noemde u uzelf 'asociaal en helemaal niet charmant'. Bent u ook op dat vlak al wat milder voor uzelf? Dobbelaere: (lacht) Asociaal ben ik ondertussen niet meer, denk ik. Alhoewel: grote groepen, daar doe je me nog altijd geen plezier mee. Ik wil graag verbinding maken met mensen en in grote groepen krijg ik dat niet geregeld. En charmant? Ook al heb ik mijn vrouwelijke, zachte kant wat meer ontdekt en toegelaten, ik denk nog altijd niet dat het woord 'charmant' op mij van toepassing is, nee. Maar ik vind dat ook niet erg meer, en daarin schuilt waarschijnlijk juist de evolutie.