In een periode van veertig jaar stijgt de gemiddelde levensverwachting maar liefst met tien jaar. Het gevolg hiervan is dat vele ouderen nog op latere leeftijd actief kunnen zijn, of ten minste dat gevoel hebben. Het verhogen van de pensioenleeftijd is hiervan een voor de hand liggend exponent, ook om de betaalbaarheid van de pensioenen voor de toekomst veilig te stellen.

We stellen echter vast dat in de samenleving een tegengestelde stroming ontstaat. Er heerst een nieuwe mentaliteit die ervan uitgaat dat de ouderen niet meer efficiënt kunnen functioneren in de snel evoluerende maatschappij. De ouderen zijn 'niet meer mee'. Ze ijlen na op de snel veranderende technologische omgeving en worden niet meer als economisch rendabel beschouwd.

Hierdoor maken veel ouderen, vooral hooggeschoolden, nu een 'latelife crisis' door. Ze ondergaan het onbehaaglijke gevoel nog te willen en te kunnen, maar niet meer actief te mogen deelnemen aan de samenleving. Een opmerkelijk signaal kwam er enkele jaren geleden van Jacques Rogge. Na zijn afscheid als voorzitter van het IOC, deed hij in de media zijn beklag over hoe hij plots niets meer betekende in zijn professionele omgeving. 'Oud worden' is een toenemende maatschappelijke handicap.

Men moet geen helderziende zijn om te voorspellen dat dit proces zich zal verschuiven naar jongere mensen. Waarom zouden vijftigers binnenkort niet afgeschreven worden in het beroepsleven? Het zijn mensen met een carrière achter de rug, die - om het cru te stellen - nog tot hun zevenenzestig in de weg zullen lopen tussen de jongeren. Tussen de dertigers en veertigers, die meer en meer het maatschappelijke, economische en politieke landschap domineren.

Veel hooggeschoolde ouderen overvalt het onbehaaglijke gevoel dat ze niet meer mogen deelnemen aan de samenleving.

Het is immers duidelijk dat de actieve samenleving aan een razend tempo verjongt. De tekenen zijn legio. Bedrijven worden geleid door alsmaar jongere directeurs en managers. In zakenrestaurants ziet men steeds meer dertigers en veertigers verschijnen, waar voorheen vijftigers en zestigers in maatpak de tafeltjes bezetten. In vele beroepstijdschriften en vakbladen zijn nog nauwelijks gezichten van vijftigplussers terug te vinden. Dit fenomeen is evenwel niet nieuw. In de jaren tachtig sprak men al van 'yuppies', maar dat was bij ons nog eerder uitzondering. Nu is het een feit.

Het was opmerkelijk toen men twintig jaar geleden in de media melding maakte van de 'Teletubbies', doelend op een stelletje 'jonge' politici van om en bij de vijfenveertig. Nu zijn er burgemeesters van dertig of zelfs jonger. In vele grote steden worden alsmaar meer leeftijdsrecords voor dit mandaat genoteerd. Ook ministers van die leeftijd zijn geen uitzonderingen meer. Charles Michel zat op zijn drieëntwintigste in de kamer, werd twee jaar daarna minister in de Waalse regering en beklom op zijn achtendertigste de premierstoel. Vijf jaar later wordt hij Europees president. De gemiddelde leeftijd van de verkozenen in de Kamer is na de laatste parlementsverkiezingen verder gedaald tot 44 jaar, ofschoon de ouderen meestal conservatief stemmen.

Op alle gebied komen jongeren meer op het voorplan. De actieve maatschappij verjongt zienderogen en de reclame en media spelen hier gretig op in. We stellen o.a. vast dat tv-zender één zich meer en meer focust op een jonger publiek. Het verschil met de jeugdzender Ketnet wordt alsmaar kleiner. Men zou de verjonging van de actieve maatschappij de 'verketnetting' van de samenleving kunnen noemen.

Sedert de technologieboom rond de eeuwwisseling, zijn het stilaan frisse hogeschool of universitair gediplomeerden die in de actieve wereld het heft in handen nemen. Van kindsbeen af hebben ze allerhande technologische gadgets gehanteerd. Via pc, notebook, tablet en smartphone hadden ze toegang tot onbegrensde informatiestromen. Ze hebben al de halve wereld afgereisd voor ze hun eerste stappen in het beroepsleven zetten. Kortom, ze hebben, in een veel kortere periode dan de vorige generatie, kennis en maturiteit opgebouwd in de breedste betekenis van het woord.

Maar zij zullen daar ook de prijs voor betalen. Die technologische omgeving zal tot op een zekere hoogte bijdragen tot de evolutie van de hersenen, maar dat is niet onbeperkt. De - wat we kunnen noemen - inputperiode, waarin via beroepsomgeving, workshops, opleidingen, stages, e.d. de nodige professionele ervaring wordt opgeslagen, gaat niet levenslang door. Het is welbekend dat het hoogtepunt in het cognitieve leervermogen bij de mens zich situeert rond de leeftijd van eenentwintig jaar. Daarna neemt de capaciteit om kennis te absorberen geleidelijk af. Levenslang leren is dus eigenlijk een relatief begrip. Het bijleren gaat steeds moeizamer. En nu vooral omdat nieuwe leerstof dikwijls door de snelle kennisevolutie niet eens meer aansluit bij de eerder verworven leercompetentie.

Op uitzonderingen na, volgt onherroepelijk een dieptepunt rond de leeftijd van veertig à vijfenveertig jaar. Op dit moment voelt men mentaal aan dat men het 'gehad' heeft. Het is een ogenblik waarop men onzeker de toekomst inkijkt. Zoiets is een al lang gekend fenomeen en maakt deel uit van de 'midlife crisis'. Het is ook een periode waarin men, zowel professioneel als op familiaal vlak, dikwijls onbezonnen dingen doet om zichzelf en de omgeving te bewijzen nog iets te kunnen realiseren. Maar gewoonlijk verdwijnt dit onbehaaglijk gevoel omdat men zijn weg vindt in het presteren op een ander gebied: professionele ervaring delen. En dat is wat we de outputperiode kunnen noemen. Een periode die zelfs dikwijls na de pensionering nog doorloopt als adviseur in besturen en raden. Verworven kennis delen met de jongeren. De regel is immers dat een rijke ervaring goud waard is. Of was. Want is dat nog zo?

De technologie en de bijbehorende denkprocessen evolueren zo snel dat de opgeslagen ervaring in vele gevallen al achterhaald is nog vooraleer men die kan delen. Ouderen moeten stilaan met lede ogen aanzien hoe ze niets meer kwijt kunnen aan de jongere generatie, die de steeds vernieuwende kennis zelf opbouwt. De outputperiode wordt bijgevolg een dode periode en de midlife crisis met een uitzichtloze toekomst zal snel ontaarden in een definitieve burn-out.

Daar waar vroeger een geleidelijke overgang bestond tussen de jongeren en ouderen, ontstaat nu een kloof die steeds maar groter zal worden. De signalen zijn er nu al. Hier en daar laten vijftigers horen dat ze op een zijspoor worden gezet. Bij sommige bedrijven, denk maar aan Proximus en recent nog KBC, worden massaal ouderen ontslagen om plaats te maken voor jongeren, niet in de eerste plaats vanwege het kostenplaatje, maar vooral wegens de vereiste technologische kennis en kunde.

Wie zich daarin echter niet kan vinden en denkt op latere leeftijd nog voldoende in de samenleving te kunnen functioneren en vooral de jongeren te kunnen adviseren, draait zichzelf een rad voor de ogen. Menigmaal wordt dan geargumenteerd dat jongeren te oppervlakkig zijn, te weinig levenservaring hebben en moeten blijven steunen op de kennis met diepgang van de ouderen. En daar zou een taak voor de oudere generatie weggelegd zijn.

Niets is echter minder waar. De ouderen hebben de neiging de jongeren te bekijken door de bril van hun eigen mentaliteit, opleiding en ervaring. Maar de jongeren zien het anders. Na een eerste diploma studeren ze dikwijls nog verder in een totaal andere discipline (de welbekende ManaMa) wat hun kennis verbreedt. Verder doen ze in hun vertrouwde milieu wel zelf de nodige kennis en levenservaring op. Zij moeten bij wijze van spreken niet gewezen worden op Gargantua en Pantagruel van Rabelais of Guernica van Picasso. De culturele achtergrond en levenswijsheid ontdekken ze zelf wel, eventueel op latere leeftijd.

Met hun rijke, doelgerichte bagage zijn ze in bepaalde opzichten dynamischer, hoppen van baan naar baan of vinden zich terug in zelfstandige beroepen, die twintig jaar geleden zelfs niet eens bestonden. Trouwens beroepen, die weinig inventiviteit vergen en meer gestoeld zijn op regelmaat of traditie, zullen verdwijnen. Laaggeschoolden worden vervangen door robots en software zal de plaats innemen van sommige hooggeschoolden. Samengevat, de jeugd doet het door de band genomen goed. Ze handelt nu al voldoende zelfstandig en voelt geen behoefte aan inbreng van de ouderen. Of hebben de jongeren toch meer nodig?

Tot besluit kunnen we alleen maar vaststellen dat de samenleving zich zorgelijk aan het opdelen is. Enerzijds wordt de actieve wereld meer en meer gedomineerd door dertigers en veertigers. Anderzijds worden de ouderen op de zijlijn gezet. Ze worden in de jonge samenleving niet meer aanvaard en vinden 'zichzelf' alleen nog terug tussen hun leeftijdsgenoten. Ze cocoonen in allerhande seniorenverenigingen, waar de toetredende leden alsmaar jonger worden.

Deze situatie staat diametraal tegenover een hogere pensioenleeftijd en wordt uiteindelijk onbetaalbaar. Er zijn bijgevolg dringend maatregelen nodig om de ouderen - binnenkort zelfs vijftigplussers - terug een plaats te geven in de actieve samenleving. Er moet werk gemaakt worden van een nieuwe symbiose tussen de twee leeftijdsgroepen. Een mentaliteitsverandering ten aanzien van de potentiële mogelijkheden van de ouderen, zou al een eerste stap in de goede richting zijn. Verder zijn er hoognodig nieuwe aangepaste leerprocedures en technologische hulpmiddelen vereist om de werkzaamheid van de ouderen in de snel evoluerende samenleving op peil te houden. En zoals columnist Jan Segers recent schreef, naar aanleiding van de herstructurering bij een bank: 'nooit mag de samenleving zich neerleggen bij de mens op overschot'.

Robert Vandenberghe (1945) studeerde natuurkunde aan de Universiteit Gent, waarna hij een academische carrière tot gewoon hoogleraar opbouwde. Na zijn definitieve afscheid van de universiteit in 2011, legde hij zich toe op diverse hobby's: muziek, luchtvaart en als auteur van thrillers. De permanente confrontatie van zijn leeftijd met de actieve samenleving, bracht hem tot een bezinning over de problematiek bij de ouderen.