Heel wat internationale onderzoeksgroepen zijn dezer dagen volop in de weer om zo snel mogelijk een vaccin voor het coronavirus te ontwikkelen én vervolgens op grote schaal te produceren. "Maar het gaat niet om het bereiken van een eurekamoment van 'we hebben iets', het gaat om het zo snel mogelijk zoveel mogelijk mensen kunnen helpen", vindt Van Hoof. "Het zou kunnen dat anderen sneller zullen kunnen zeggen dat ze iets gevonden hebben, ons voordeel is dan weer dat we snel op grote schaal zullen kunnen produceren. Bovendien is het goed dat er verschillende benaderingen zijn die ook tot verschillende vaccins kunnen leiden. Het ene vaccin heeft misschien bij bepaalde bevolkingsgroepen een beter effect dan een ander." De klassieke onderzoekscyclus om een vaccin te ontwikkelen en op de markt te krijgen, duurt volgens Van Hoof vijf tot tien jaar. Eerst is er een preklinische fase nodig om mogelijke vaccins te onderzoeken en bij diermodellen na te gaan of ze beschermen én niet schadelijk zijn. In een tweede fase volgen kleinschalige testen met uiteenlopende dosissen op mensen om te zien of de immuunrespons naar verwachting is en of er andere reacties zijn. Pas daarna volgt een grootschalige studie en wordt er parallel een grootschalige productie voorbereid. De urgentie rond het coronavirus, maar ook de mogelijkheid om voort te bouwen op de ontwikkeling van een SARS-vaccin, maakt dat er nu op ongeveer één jaar wordt gemikt. (Belga)

Heel wat internationale onderzoeksgroepen zijn dezer dagen volop in de weer om zo snel mogelijk een vaccin voor het coronavirus te ontwikkelen én vervolgens op grote schaal te produceren. "Maar het gaat niet om het bereiken van een eurekamoment van 'we hebben iets', het gaat om het zo snel mogelijk zoveel mogelijk mensen kunnen helpen", vindt Van Hoof. "Het zou kunnen dat anderen sneller zullen kunnen zeggen dat ze iets gevonden hebben, ons voordeel is dan weer dat we snel op grote schaal zullen kunnen produceren. Bovendien is het goed dat er verschillende benaderingen zijn die ook tot verschillende vaccins kunnen leiden. Het ene vaccin heeft misschien bij bepaalde bevolkingsgroepen een beter effect dan een ander." De klassieke onderzoekscyclus om een vaccin te ontwikkelen en op de markt te krijgen, duurt volgens Van Hoof vijf tot tien jaar. Eerst is er een preklinische fase nodig om mogelijke vaccins te onderzoeken en bij diermodellen na te gaan of ze beschermen én niet schadelijk zijn. In een tweede fase volgen kleinschalige testen met uiteenlopende dosissen op mensen om te zien of de immuunrespons naar verwachting is en of er andere reacties zijn. Pas daarna volgt een grootschalige studie en wordt er parallel een grootschalige productie voorbereid. De urgentie rond het coronavirus, maar ook de mogelijkheid om voort te bouwen op de ontwikkeling van een SARS-vaccin, maakt dat er nu op ongeveer één jaar wordt gemikt. (Belga)