De Rekenkamer werd gevraagd om haar licht te laten schijnen op vijf wetsvoorstellen over de materie die afgelopen voorjaar ter behandeling bij de Kamer zijn ingediend. Eén van de speerpunten van de regering-De Croo is de ambitie om de laagste sociale uitkeringen op te trekken tot aan de armoedegrens. Volgens het Rekenhof hangt de budgettaire impact van dergelijke maatregelen sterk af van de manier waarop het inkomen wordt berekend en of er al dan niet rekening wordt gehouden met de grootte van de huishoudens. Ook werd beoordeeld of er al dan niet rekening werd gehouden met gezinstoelagen (regionale bevoegdheid). De Rekenkamer formuleerde drie hypothesen, onderverdeeld in twee subhypothesen. De ene toont de huidige begunstigden, de andere de mensen die momenteel geen uitkering ontvangen, maar wiens inkomen onder de armoedegrens ligt. De budgettaire impact van een lineaire verhoging van de socialebeschermingsuitkeringen tot het niveau van de armoedegrens, met behoud van de huidige categorieën begunstigden (alleenstaanden, samenwonenden, samenwonenden met personen ten laste) zou tussen 717 miljoen euro (zonder nieuwe begunstigden) en 1,377 miljard euro (met nieuwe begunstigden) bedragen. In de tweede hypothese zou de budgettaire impact van de verhoging van de toelagen, rekening houdend met de grootte van het huishouden, tussen 812,5 miljoen euro (zonder nieuwe begunstigden) en 1,551 miljard euro (met nieuwe begunstigden) bedragen. Als rekening wordt gehouden met gezinstoelagen, de derde hypothese, zou de budgettaire impact lager zijn voor de federale overheid: tussen 468,4 miljoen euro (zonder nieuwe begunstigden) en 1,137 miljard euro (met nieuwe begunstigden). De Rekenkamer heeft ook het verwachte rendementseffect van dergelijke maatregelen berekend. De nieuwe inkomsten voor de staat zouden bijna uitsluitend uit indirecte belastingen komen. Vier jaar na de invoering van de verhoging van de toelagen schat de Rekenkamer het rendementseffect tussen 168,6 miljoen euro (tweede hypothese zonder nieuwe begunstigden) en 558,5 miljoen euro (tweede hypothese met nieuwe begunstigden). (Belga)

De Rekenkamer werd gevraagd om haar licht te laten schijnen op vijf wetsvoorstellen over de materie die afgelopen voorjaar ter behandeling bij de Kamer zijn ingediend. Eén van de speerpunten van de regering-De Croo is de ambitie om de laagste sociale uitkeringen op te trekken tot aan de armoedegrens. Volgens het Rekenhof hangt de budgettaire impact van dergelijke maatregelen sterk af van de manier waarop het inkomen wordt berekend en of er al dan niet rekening wordt gehouden met de grootte van de huishoudens. Ook werd beoordeeld of er al dan niet rekening werd gehouden met gezinstoelagen (regionale bevoegdheid). De Rekenkamer formuleerde drie hypothesen, onderverdeeld in twee subhypothesen. De ene toont de huidige begunstigden, de andere de mensen die momenteel geen uitkering ontvangen, maar wiens inkomen onder de armoedegrens ligt. De budgettaire impact van een lineaire verhoging van de socialebeschermingsuitkeringen tot het niveau van de armoedegrens, met behoud van de huidige categorieën begunstigden (alleenstaanden, samenwonenden, samenwonenden met personen ten laste) zou tussen 717 miljoen euro (zonder nieuwe begunstigden) en 1,377 miljard euro (met nieuwe begunstigden) bedragen. In de tweede hypothese zou de budgettaire impact van de verhoging van de toelagen, rekening houdend met de grootte van het huishouden, tussen 812,5 miljoen euro (zonder nieuwe begunstigden) en 1,551 miljard euro (met nieuwe begunstigden) bedragen. Als rekening wordt gehouden met gezinstoelagen, de derde hypothese, zou de budgettaire impact lager zijn voor de federale overheid: tussen 468,4 miljoen euro (zonder nieuwe begunstigden) en 1,137 miljard euro (met nieuwe begunstigden). De Rekenkamer heeft ook het verwachte rendementseffect van dergelijke maatregelen berekend. De nieuwe inkomsten voor de staat zouden bijna uitsluitend uit indirecte belastingen komen. Vier jaar na de invoering van de verhoging van de toelagen schat de Rekenkamer het rendementseffect tussen 168,6 miljoen euro (tweede hypothese zonder nieuwe begunstigden) en 558,5 miljoen euro (tweede hypothese met nieuwe begunstigden). (Belga)