1. Hoe is de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) aan de slag gegaan met de Panama Papers?

Frank Philipsen: Onderzoeken van de BBI starten op basis van alle denkbare bronnen: informatie van justitie, de antiwitwascel, nationale en internationale persartikels, klachten, anonieme tips, eigen onderzoek, enzovoort. Meteen nadat de eerste persartikels over het Panamese advocatenkantoor Mossack Fonseca verschenen, zijn we gestart met de eerste identificatie van de namen die opdoken in artikels. Die namen dubbelcheckten we met open bronnen en met onze eigen interne bronnen. Stonden ze op andere leaks-lijsten? Konden we ze koppelen aan andere relevante informatie uit de fiscale aangifte?
...

Frank Philipsen: Onderzoeken van de BBI starten op basis van alle denkbare bronnen: informatie van justitie, de antiwitwascel, nationale en internationale persartikels, klachten, anonieme tips, eigen onderzoek, enzovoort. Meteen nadat de eerste persartikels over het Panamese advocatenkantoor Mossack Fonseca verschenen, zijn we gestart met de eerste identificatie van de namen die opdoken in artikels. Die namen dubbelcheckten we met open bronnen en met onze eigen interne bronnen. Stonden ze op andere leaks-lijsten? Konden we ze koppelen aan andere relevante informatie uit de fiscale aangifte? We zijn nagegaan of de betrokkenen hun buitenlandse constructie hadden aangegeven -een verplichting sinds 2013. In 2015 deden 2548 Belgen aangifte van zo'n buitenlandse constructie. Maar als je mag uitgaan van 732 personen gelinkt aan België -zoals de journalisten schrijven- en er rekening mee houdt dat Mossack Fonseca maar een van de kleinere advocatenkantoren van Panama is, dan vrees ik dat het cijfer 2548 veel te laag is. Frank Philipsen: We hadden sinds enige tijd binnen onze vijfde directie al een speciale eenheid, specifiek gericht op risico-analyse op basis van datamining. Die eenheid houdt zich nu bezig met de Panama Papers, maar ze laat zich niet enkel inspireren door leaks. Ze verzamelt heel wat informatie en doet vervolgens sociale netwerkanalyse. Frank Philipsen: Het gaat om lijsten die werden gepubliceerd, géén mails, bestanden of uittreksels. We zijn zo vlug mogelijk begonnen die lijsten uit te kuisen. Op de korte termijn hebben we in eerste instantie alle offshores die voor 2011 uit de registers geschrapt zijn buiten beeld gelaten. Eerstdaags zetten wij onze oefening verder "in het verleden". Daarbij moeten we uiteraard wel rekening houden met de geldende verjaringstermijnen. We merkten immers dat veel betrokken offshore bedrijven in de jaren negentig waren stopgezet -ik denk dat dat fiscaal gezien niet meer bruikbaar is voor taxatie. Op basis van de beschikbare informatie zijn we er uiteindelijk in geslaagd om voorlopig 149 Belgen te lokaliseren. Die hebben we vervolgens verdeeld over de verschillende gewestelijke directies van de BBI: Antwerpen (50), Brussel (56), Gent (22) en Namen (21). Frank Philipsen: Het feit dat hun namen in de pers of op de lijsten van ICIJ voorkomen, volstaat an sich niet om een controle te starten. Via een lokaal vooronderzoek moet eerst de beschikbare informatie verrijkt worden, onder meer met informatie uit open bronnen. Een krantenartikel alleen is tot mijn grote spijt niet voldoende om te zeggen dat persoon X daadwerkelijk betrokken is in zo'n constructie. Maar dat is precies de uitdaging voor ons: om van dat punt te vertrekken, dat te koppelen aan andere informatie , en vervolgens na te gaan of de fiscale aangifte van de betrokkene overeenstemt met de fiscale waarheid. Wanneer het mogelijk is, zullen we ook specifieke onderzoeksdaden stellen. Een bankonderzoek doen bijvoorbeeld, of gefundeerde vragen om inlichtingen stellen aan de betrokken belastingplichtigen. Maar die specifieke onderzoeksdaden zijn pas mogelijk wanneer we voldoende elementen voorhanden hebben. We zullen elk dossier op zijn merites beoordelen. Louter op basis van een krantenartikel alleen kunnen we geen dossier openen. Frank Philipsen: Dat is uiteraard een zeer belangrijke vraag. Maar voor alles moet elke ambtenaar van de BBI de hem aangereikte gegevens gebruiken, en dit uiteraard met respect voor alle geldende procedures. Wij hebben op wettelijke wijze kennis genomen van de publicatie van de Panama Papers-databank en verrichten daarop nu onze onderzoeken. In fine zal de rechter oordelen over de rechtsgeldigheid waarop de administratie de informatie heeft verkregen.Frank Philipsen: We leven in een rechtstaat en moeten rekening houden met wat kan binnen de mogelijkheden van de BBI. Onze administratieve onderzoeksbevoegdheden zijn beperkt. We mogen bijvoorbeeld niet naar het buitenland gaan, zoals de politie in het kader van een rogatoire commissie, en we moeten rekening houden met verjaringstermijnen. Een andere hinderpaal is de soms gebrekkige internationale samenwerking, ondanks alle bestaande richtlijnen en verordeningen. Een voorbeeld. Na LuxLeaks hebben we aan Luxemburg alle rulings opgevraagd, maar we hebben er maar 13 ontvangen. Waarom het daarbij bleef, moet u aan de premier van Luxemburg vragen. Ik kan dat alleen maar betreuren.Frank Philipsen: Wanneer we personen op het spoor komen die zijn tussengekomen om fraudestructuren op te zetten -bijvoorbeeld een fiscaal advocaat, financieel raadgever of notaris- dan dienen wij altijd een kennisgeving in bij justitie. Zo schrijft artikel 29 van het wetboek van strafvordering het voor. In de zaak-Panama Papers hebben we tot nu toe geen kennisgeving ingediend. Nog niet. Wel is er al overleg geweest bij de verschillende parketten.Wat de specifieke controle van banken betreft, verwijs ik naar artikel 318: als we een controle doen bij een bank, kunnen we die info nooit gebruiken om de klanten van de bank te belasten, tenzij we zouden vaststellen dat er een bijdrage was tot het bestaan of de voorbereiding van een fraude-mechanisme. Dat banken soms betrokken zijn bij belastingparadijzen, is niet nieuw. In de pers verschenen ook artikels over de zogenaamde Dexia-route, en een brief die daarover in 2009 circuleerde. De minister van Financiën heeft een intern onderzoek naar de kwestie gevraagd. Dat onderzoek is intussen afgesloten. Het verslag daarover zal via de minister van Financiën aan het parlement worden overgemaakt. Frank Philipsen: Geen enkele sector ontsnapt aan de aandacht van de BBI. We hebben een hele tijd geleden al een specifieke inspectie opgezet in Antwerpen die zich in de hoofdzaak bezighoudt met dossiers over de diamantsector. Frank Philipsen: Op 13 april hebben we in Parijs deelgenomen aan een vergadering van het JITSIC-netwerk, het Joint International Tax Shelter Information and Collaboration Network. Liefst 40 landen waren er vertegenwoordigd. We hebben er een actieplan uitgewerkt rond zeven punten: onder meer een brief aan de journalisten van ICIJ die de Panama Papers uitbrachten, de oprichting van een task force, het oplijsten van typologieën, en vooral het uitwisselen van informatie en kennis van de tussenpersonen, en de screening van de 46 Mossack Fonseca-kantoren. In de komende weken volgt nog een bilateraal overleg met Nederland en een Benelux-overleg. En op 13 juni is er nog een opvolgingsvergadering van JITSIC. Frank Philipsen: Dat is een zeer moeilijke oefening. Vraag het aan vier professoren en u krijgt vier verschillende inschattingen. Wanneer je zou kunnen komen tot gelijklopende parameters en uitgangspunten, dan zou je een interessant debat kunnen houden over de inschatting van de fraude. Frank Philipsen: Die Kaaimantaks is in voege sinds 1 januari 2015 en geldt dus vanaf het aanslagjaar 2016. De aangiftes van dat aanslagjaar zijn op dit ogenblik echter nog niet ingediend. We hebben dus nog geen controles kunnen verrichten met betrekking tot de Kaaimantaks. Dat geldt niet enkel voor de BBI maar ook voor de fiscus als geheel. Wel zal de Kaaimantaks ongetwijfeld een zeer interessante bron van informatie zijn voor onze risico-analyses. Frank Philipsen: Ik pleit voor een echt geïntegreerde aanpak, bijvoorbeeld in de vorm van een speciaal antifraudeagentschap onder hoede van de eerste minister. Het idee is dat alle relevante gegevens- en databanken inzake fiscaliteit, sociale zaken, economische zaken in één entiteit worden samengebracht. Dat agentschap zou een kleine staf hebben maar grote bevoegdheden. We kunnen er alleen maar bij winnen door zo vlug mogelijk alle informatie met mekaar te linken, met respect voor de persoonlijke levenssfeer. Het is ook niet de bedoeling dat dat agentschap alle controles verricht die in België nodig zijn, maar wel insteken geeft en dan doorstuurt naar de klassieke administraties bij economische zaken, financiën en sociale zaken. Natuurlijk zou de oprichting van zo'n agentschap veel gevolgen met zich meebrengen: de herziening van het charter van de belastingplichtige, eventueel de toekenning van de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie aan de staf... Maar al die zaken zijn volgens mij de moeite waard om over na te denken. Verder zou je erover kunnen nadenken om een BBI op Europees niveau op te richten. In België hebben we dan weer nood aan een duidelijke en stabiele fiscale wetgeving die niet om de haverklap wordt bijgestuurd. Ook een eenduidige definitie van belastingparadijs ontbreekt nog. En wat de werking van de BBI betreft, hebben we dringend nood aan onbeperkte toegang tot relevante internationale gegevensbanken zoals Graydon en tot alle databanken bij Financiën -wat vandaag niet steeds het geval is.Ten slotte kan je nadenken over een klokkenluidersregeling. A priori ben ik tegen verklikken, maar als het gaat over het algemeen belang, dan moeten we het debat durven aangaan over een beschermende regeling voor klokkenluiders. Bovenstaande tekst is gebaseerd op de hoorzitting van Frank Philipsen in de Kamercommissie Panama Papers op 17 mei 2016, en werd voor publicatie nog aan de BBI voorgelegd voor aanvullingen.