Op 9 november organiseert EAJS een herdenking van Kristallnacht(samen met Rachida Aziz, Tafel van Vrede en Elcker-Ik Centrum) om aandacht te vestigen voor de hedendaagse antisemitisme, Islamofobie, en onderdrukking van vluchtelingen.

Vaak denk ik terug aan het uit de Talmud geïnspireerde citaat van Emmanuel Levinas, dat ik beschouw als een belangrijk waarschuwing voor ons vandaag:

De misdaad van uitroeiing begint nog voor het moorden gestart is; onderdrukking en economische ontworteling vormen reeds een eerste indicatie, net als de rassenwetten van Neurenberg reeds de kiemen bevatten van de Endlösung en de horror van de uitroeiingskampen.

Zoals Levinas beschreef in de jaren '30, is er ook nu ongelofelijk veel onderdrukking en economische ontworteling. Waarom zijn er niet dagelijks protesten tegen alle deze vormen van onrechtvaardigheid? Waar is de solidariteit tussen de mensen? Zoals toen, is solidariteit vandaag meer dan ooit nodig, om te beletten dat er een nieuwe Kristallnacht of erger zou kunnen plaatsvinden. Dit is de les die ik geleerd heb van mijn grootmoeder en die ik graag zou willen delen.

'Tragisch dat minderheden zich nog steeds tegen elkaar laten uitspelen op manier waar niemand beter van wordt'

Op 9 november 1938 was mijn grootmoeder Pola Sara Topperman 19 jaar oud. Net als meer dan 70,000 Joden in Duitsland, was zij van Oost-Europese afkomst. Deze Joden, afkomstig uit Polen, Oekraïne of Tsjecho-Slowakije hadden geen hoop op een toekomst in Oost-Europa en beseften nog niet hoe erg het was in Duitsland. Hun realiteit veranderde echter abrupt op 28 oktober 1938, tien dagen voor Kristallnacht. In 24 uur tijd werden bijna 20.000 Oost-Europese Joden gedeporteerd.

Het gebeurde op een vrijdag, de Joodse sabbat. In een oogwenk werden alle niet Duits-geboren Joden opgepakt. Mannen, vrouwen, en kinderen. De meesten onder hen, ook de minder gelovigen, waren op dat moment volop bezig met de maaltijdvoorbereidingen voor de komende sabbat. Ze kregen het bevel om binnen een paar uur, met een minimum aan bagage, te verzamelen bij een opvangcentrum. Tegen de avond werd het duidelijk dat over heel Duitsland, op heel efficiënte wijze, Joden van Oost-Europese afkomst massaal waren opgepakt. Ze werden snel en zonder pardon het land uitgezet, om nooit meer terug te keren en nooit meer te worden gehoord.

Vals gevoel van veiligheid

Volgens getuigenissen bleven de Joden die in Duitsland mochten blijven, allemaal in shock achter. Er werd over niets anders gesproken. De volgende dag werden in synagoges talrijke discussies gevoerd over de relatie tussen de Duitse Joden en die uit Oost-Europa. Al moesten ze volgens de racistische wet allemaal hun namen veranderen door er Sara of Israel aan toe te voegen, toch was er een verschil tussen Oost-Europese Joden en West-Europese Joden. De overblijvers waren Duitse Joden, Duitse burgers, geworteld in de Duitse cultuur, deel van het publieke leven, betrokken bij de handel, de kunst, de vrije beroepen. "Dit heeft kunnen gebeuren met de Ostjuden," vertelden ze zichzelf. "Maar bij ons, Duitsers? Nooit." Ze hadden dus nog steeds een vals gevoel van veiligheid.

Nog geen 10 dagen later, op 9 november 1938, de "Nacht van gebroken glas", kwam er een einde aan dat valse gevoel van veiligheid onder de Duitse Joden. Honderden synagogen ging in vlammen op; bedrijven werden geplunderd; mensen werden doodgeslagen. Bijna 30.000 Joodse mannen werden gearresteerd.

Wat vaak vergeten wordt, is dat een schietpartij in Parijs hiervoor als voorwendsel werd gebruikt, waarbij een nazidiplomaat door een Duitse Jood werd doodgeschoten. Zijn ouders maakten deel uit van de massa mensen die waren weggestuurd naar Polen, zoals mijn grootmoeder, naar de vergetelheid. Voor Oost-Europese Joden zoals mijn grootmoeder was Kristallnacht geen 'turning point.' Eerlijk gezegd had ze gedacht en gehoopt dat Kristallnacht heel Europa zou wakker schudden - Joden en niet-Joden. Dat niémand echt veilig is als niet iedereen veilig is, was de harde realiteit.

'Als we een wereld zonder geweld willen, dan kunnen we onze ogen niet sluiten voor het onrecht dat nu vandaag, in naam van het verleden, wordt uitgeoefend op anderen.'

Dat was toen, maar ook vandaag, een boodschap die velen liever niet onder ogen zien. Wanneer we dus zeggen "nooit meer", dan moet het 'nooit meer' voor iedereen gelden en niet alleen voor mensen met dezelfde religie, nationaliteit, kleur, enzovoort als ik, als wij.

Als we een wereld zonder geweld willen, dan kunnen we onze ogen niet sluiten voor het onrecht dat nu vandaag, in naam van het verleden, wordt uitgeoefend op anderen. Mijn grootmoeder vond in 1938 het gebrek aan solidariteit voor de ander, toen de Joden in Europa, tragisch. Waarom heeft niemand iets gedaan toen 20 000 Joden werden gedeporteerd op 28 oktober 1938? Het gebrek aan solidariteit tussen Joden uit Oost en West, vond ze hartverscheurend.

Daarom dat de hoop/belofte 'NEVER AGAIN - nooit meer' op twee manieren geinterpreteerd kan worden: dit zal de joden nooit meer overkomen of we staan het niet toe dat dit iemand, ooit nog kan overkomen. Het is met die laatste interpretatie dat ik ben opgevoed: niemand mag uitgesloten worden, want eens je dat toestaat, komt er geen einde aan de cirkel van haat en uitsluiting.

Dat principe hou ik hoog, elke dag, in mijn dagelijks leven, in mijn onderzoek aan de universiteit. Mijn grootouders waren overlevenden van de Shoah en mijn ouders waren vluchtelingen uit Polen ten gevolge van het antisemitische overheidsbeleid in 1968. Deze ervaringen van uitsluiting zitten sterk verweven in mijn familiegeschiedenis.

Het is precies voor deze reden dat ik het belangrijk vind dat er geen vergelijkingen of concurrentie zou bestaan tussen slachtoffers van geweld waar dan ook ter wereld. Waarom zou het feit dat ik ook slachtoffer ben, jouw lijdensweg aan waarde doen inboeten? Als Poolse en Joodse ben ik zeer bewust dat beide groepen slachtoffers waren. We moeten naar elkaar luisteren en elkaar proberen te begrijpen in plaats van te concurreren met slachtofferschap. Slachtofferschap kan je niet meten, het is een heel subjectieve en persoonlijke beleving.

'In plaats van te concurreren, moeten groepen slachtoffers elkaar erkennen en steunen.'

Eén van de belangrijkste lessen die wij moeten trekken uit de Shoah is het gevaar van dit soort van instrumenteel denken dat gefocust is op het berekenen en meten. Pijn, verlies, uitsluiting... welke meetlat leg je daarnaast? Dit geldt ook bij de concurrentie die vandaag soms lijkt te bestaan tussen de slachtoffers van antisemitisme en islamofobie. In plaats van te concurreren, moeten beide groepen slachtoffers elkaar erkennen en steunen. Erkenning kunnen geven aan de ander veronderstelt dat je verbeeldingskracht hebt om het perspectief van de ander te begrijpen. Haat en uitsluiting verlammen die verbeelding. Alleen zo kunnen we een rechtvaardigere en inclusievere samenleving creëren voor de Ander - Tikkun Olam zoals we zeggen in het Hebreeuws.

Zowel de slachtoffers van antisemitisme als die van islamofobie - hier, maar ook in Israël en Palestina - zouden zich er meer bewust van moeten zijn dat ze beiden slachtoffer zijn van dezelfde uitsluitingsmechanismen.

Archiefbeeld van een anti-islambetoging in Londen in 2012. © Reuters

Het is tragisch dat minderheden, in Europa maar ook elders zoals in Israel en Palestina, zich tegen elkaar laten uitspelen op een manier waar niémand beter van wordt.

Wat ik door het verhaal van mijn groetmoeder Pola Sara Topperman probeer uit te leggen is dat wij het gebrek aan solidariteit tussen mensen - niet alleen in 1938, maar ook vandaag - met een andere bril moeten bekijken. In plaats van onszelf steeds te vergelijken met iemand anders, individu of groep, moeten wij misschien beginnen bij onszelf.

Wij moeten allemaal in de spiegel durven kijken en ons de vraag stellen: welke privileges heb ik cadeau gekregen en wat zijn de vooroordelen van waaruit ik de wereld ervaar. Dit geldt zeker voor al wie hier in Europa is opgegroeid, en daardoor soms met een blinde vlek naar de wereld lijkt te kijken. Zoals de filosoof Emmanuel Levinas ons heeft geleerd: verantwoordelijkheid kan je enkel in de eerste persoon uitspreken, ík ben verantwoordelijk. Het allerbelangrijkste is om te reflecteren welke verantwoordelijkheid we zelf heb in deze conflicten, en van daaruit te zoeken naar welke rol we zelf kunnen spelen in dit hedendaags gebrek aan solidariteit.

Anya Topolski isCanadees-Pools-Belgische politiek filosoof aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, en oprichter van Een Andere Joodse Stem

Een Andere Joodse Stem is een Joodse groep, die ijvert voor vrede en sociale rechtvaardigheid. We wensen deze visie uit te dragen in Europa en in Israël-Palestina, twee plaatsen die historich aan elkaar gelinkt zijn. We verwerpen elke vorm van onderdrukking en alle vormen van racisme, zowel institutioneel als vanuit de basis, met inbegrip van antisemtisme, islamofobie en xenofobie.