In een vorige column zoomde ik in op de 5 symptomen van de neergang van de traditionele partijen in Vlaanderen: een gehalveerd marktaandeel, nostalgie naar het roemrijke verleden, gebrek aan vers bloed uit eigen rangen, opportunistische recrutering van BV's en een onweerstaanbare drang naar meer marketing en rebranding om de malaise te camoufleren.

Als symptomen verschijnselen zijn van een onderliggende aandoening, dan stelt zich uiteraard ook de vraag wat dan eigenlijk de diagnose is van dit ziektebeeld. Blijven ideologieën uit de 19de eeuw relevant voor de uitdagingen van de 21ste eeuw? De traditionele partijen zelf lijken alvast zelf niet bepaald happig om de spindokters in te ruilen voor een echte (politieke) dokter. Vragen over de relevantie van de eigen ideologie anno 2021 worden angstvallig gemeden. Bij deze toch een voorzichtige poging om deze ideologieën even tegen het licht te houden.

De paradox van het eigen succes

Ten eerste zou men kunnen opmerken dat de traditionele partijen eigenlijk slachtoffer werden van hun eigen succes. Kort door de bocht zouden we kunnen stellen dat de centrale missie van elke partij eigenlijk min of meer verwezenlijkt werd sinds hun oprichting. Door het samenspel van liberalen, socialisten en christendemocraten zijn we stapsgewijs aanbeland in een samenleving waarin de centrale waarden als vrijheid, solidariteit en menselijke verbondenheid door niemand nog gecontesteerd worden. We leven in een fundamenteel vrije en open samen-leving, waarin individuele vrijheden gekoppeld werden aan een stevige sociale zekerheid.

Traditionele partijen lijken niet happig om spindokters in te ruilen voor een echte (politieke) dokter.

Dat blijkt trouwens ook uit de recente communicatie van de voorzitters van de traditionele partijen. Zo publiceerde Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert een opiniestuk waarin hij een pleidooi hield voor solidariteit tussen de generaties in deze coronapandemie. De socialist Frank Vandenbroucke orakelde dan weer in het parlement dat het "Rijk der Vrijheid" in zicht was. Wanneer liberalen pleiten voor het behoud van solidariteit en socialisten pleiten voor de terugkeer van de vrijheid, kan men zich alvast niet meer in de 19de eeuw wanen. Bovendien verdwijnt zo ook de centrale rol van de christendemocratie, als historische verzoener tussen liberalen en socialisten. Dat bleek trouwens overduidelijk bij de vorming van Vivaldi. Daar waar de CVP/CD&V vroeger altijd in het midden van het bed lag, was er nu nog maar net plaats op de gastenkamer. Om het in marketing speak te zeggen: de traditionele partijen zijn hun unique selling proposition kwijt.

Ten tweede moeten we echter een vreemde paradox vaststellen. Alhoewel de waarden zelf waarvoor de traditionele partijen staan meer dan ooit algemeen aanvaard zijn en breed gedragen worden, blijkt in de praktijk dan weer dat de praktische verwezenlijking van die waarden niettemin vaak nog te wensen overlaat. We leven inderdaad in een vrije samenleving, maar voor velen is de vrijheid waarover ze beschikken een holle vrijheid door gebrek aan eigen middelen. We leven ook in een solidaire samenleving met een goed uitgewerkte sociale zekerheid, maar tegelijkertijd groeit de maatschappelijke ongelijkheid de laatste 40 jaar aan een duizelingwekkend tempo. Tot slot zijn we door revoluties in transport en communicatiemiddelen meer dan ooit met elkaar verbonden, en toch lijken we eenzamer dan ooit tevoren. Op basis hiervan claimen de traditionele partijen dan dat zij wel degelijk nog steeds relevant zijn. Maar waarom zou je stemmen voor partijen wiens "unieke" waarden eigenlijk gemeengoed zijn geworden, maar die er tegelijkertijd niet in slagen ze ook echt in de praktijk te brengen voor iedereen?

Een oligarchie van impotentie kan geen relevantie meer claimen

In hun claim op relevantie anno 2021 gaan de traditionele partijen pijnlijk voorbij aan vier cruciale problemen die de hernieuwing van hun centrale rol in het politieke bestel zwaar bemoeilijken.

Ten eerste zijn de traditionele partijen de laatste 2 decennia steeds meer gaan lijken op een oligarchie van impotentie. Sinds de krachttoer van Jean-Luc Dehaene om België toch nog in de eurozone te brengen, zijn er geen grote akkoorden meer gemaakt. Vele belangrijke dossiers worden steevast verder vooruitgeschoven uit angst voor de kiezer: een degelijke pensioenhervorming, een oplossing voor het mobiliteitsvraagstuk, een structureel gezonde begroting, een "finale" staatshervorming, etc.... Op geen van deze domeinen werden nog echt allesomvattende en bevredigende akkoorden afgesloten.

Ten tweede blijken de traditionele partijen ook schromelijk te kort te schieten in allerlei "kleinere" dossiers, waarbij constant beloftes gebroken worden. Het recente fiasco rond de terugdraaiende tellers van de zonnepanelen sprak daarbij boekdelen. Maar er was evenzeer de onbegrijpelijke vernietiging van de stock aan mondmaskers. Of de invoering van allerlei coronamaatregelen die dan weer totaal niet gehandhaafd konden worden: het "verplicht" testen van reizigers op straffe van boetes, het "verplichte" telewerk, en uiteraard de komische maatregelen rond het al dan niet aan het raam zitten op de trein. Tot slot waren er nog de beloftes dat er "nooit meer" een lockdown zou komen, dat de kappers bij opening "voorgoed" zouden openen, en dat de vaccinatiecampagne als een trein zou lopen. Het beleidsmatig parcours laat met andere woorden te wensen over.

Ten derde hebben de traditionele partijen de afgelopen decennia ook in die mate aan persoonlijke politieke geloofwaardigheid ingeboet, dat een terugkeer naar het glorieuze verleden weinig waarschijnlijk lijkt. Het simpele feit is dat er tijdens 1 jaar coronacrisis niet één politicus/a is die ook maar 1 euro heeft moeten inleveren, terwijl de bevolking getrakteerd werd op de ene blunder na de ander, met ernstige gevolgen op vlak van fysieke en mentale gezondheid, familiaal leed en voor velen ook onmetelijke economische schade. Bij Open VLD hield men een vrolijke nieuwjaarsreceptie, bij SP.A lanceerde men de nieuwe naam tijdens het aanzwellen van de derde golf, en bij CD&V ging de voorzitter lunchen op hotel nadat de regering net voor iedereen de restaurants had gesloten.

Ten slot moet men zich toch de vraag stellen hoe richtinggevend de liberale, socialistische en christendemocratische ideologieën nog wel zijn om een antwoord te bieden op de nieuwe grote globale uitdagingen van onze tijd: de klimaatverandering, de migratiedruk en bijhorende diversiteit, de razendsnelle digitalisering, de opkomst van China, enzovoort... Daarnaast is er nog het specifieke probleem van de krakkemikkige Belgische staatsstructuur.De coronacrisis heeft aangetoond dat de huidige staatsstructuur niet alleen inefficiënt is en handen vol geld kost, je kan je zelfs afvragen in hoeverre deze ingewikkelde situatie ook de menselijke tol van deze crisis heeft vergroot.

Wat leren het liberalisme, het socialisme of de christendemocratie ons over hoe je het Belgische institutionele imbroglio ontwart? Bitter weinig. Tien jaar geleden was onze premier Alexander De Croo bijvoorbeeld een confederalist, vandaag een overtuigd Belgicist. Net zoals zijn liberale voorganger Guy Verhofstadt trouwens. Echt standvastig is de liberale leer op dit punt alvast niet.

Conclusie

Op basis van bovenstaand ziektebeeld lijkt de diagnose dan ook onverbiddelijk: de traditionele partijen hebben hun tijd gehad. Ze zullen ongetwijfeld blijven proberen zichzelf opnieuw uit te vinden, maar zolang men de relevantie van de eigen ideologie niet in vraag durft stellen, zullen dat ijdele pogingen blijven. Ligt niet net daar de verklaring voor de opgang van partijen aan de uiteinden van het politieke spectrum en het wegsmelten van het centrum? Eigenlijk ontbreekt nu enkel nog een echte nieuwe politieke beweging in Vlaanderen om dit hele kaartenhuisje ineen te doen storten.

Jan Wostyn is gastschrijver voor Vlinks.

In een vorige column zoomde ik in op de 5 symptomen van de neergang van de traditionele partijen in Vlaanderen: een gehalveerd marktaandeel, nostalgie naar het roemrijke verleden, gebrek aan vers bloed uit eigen rangen, opportunistische recrutering van BV's en een onweerstaanbare drang naar meer marketing en rebranding om de malaise te camoufleren. Als symptomen verschijnselen zijn van een onderliggende aandoening, dan stelt zich uiteraard ook de vraag wat dan eigenlijk de diagnose is van dit ziektebeeld. Blijven ideologieën uit de 19de eeuw relevant voor de uitdagingen van de 21ste eeuw? De traditionele partijen zelf lijken alvast zelf niet bepaald happig om de spindokters in te ruilen voor een echte (politieke) dokter. Vragen over de relevantie van de eigen ideologie anno 2021 worden angstvallig gemeden. Bij deze toch een voorzichtige poging om deze ideologieën even tegen het licht te houden. Ten eerste zou men kunnen opmerken dat de traditionele partijen eigenlijk slachtoffer werden van hun eigen succes. Kort door de bocht zouden we kunnen stellen dat de centrale missie van elke partij eigenlijk min of meer verwezenlijkt werd sinds hun oprichting. Door het samenspel van liberalen, socialisten en christendemocraten zijn we stapsgewijs aanbeland in een samenleving waarin de centrale waarden als vrijheid, solidariteit en menselijke verbondenheid door niemand nog gecontesteerd worden. We leven in een fundamenteel vrije en open samen-leving, waarin individuele vrijheden gekoppeld werden aan een stevige sociale zekerheid.Dat blijkt trouwens ook uit de recente communicatie van de voorzitters van de traditionele partijen. Zo publiceerde Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert een opiniestuk waarin hij een pleidooi hield voor solidariteit tussen de generaties in deze coronapandemie. De socialist Frank Vandenbroucke orakelde dan weer in het parlement dat het "Rijk der Vrijheid" in zicht was. Wanneer liberalen pleiten voor het behoud van solidariteit en socialisten pleiten voor de terugkeer van de vrijheid, kan men zich alvast niet meer in de 19de eeuw wanen. Bovendien verdwijnt zo ook de centrale rol van de christendemocratie, als historische verzoener tussen liberalen en socialisten. Dat bleek trouwens overduidelijk bij de vorming van Vivaldi. Daar waar de CVP/CD&V vroeger altijd in het midden van het bed lag, was er nu nog maar net plaats op de gastenkamer. Om het in marketing speak te zeggen: de traditionele partijen zijn hun unique selling proposition kwijt. Ten tweede moeten we echter een vreemde paradox vaststellen. Alhoewel de waarden zelf waarvoor de traditionele partijen staan meer dan ooit algemeen aanvaard zijn en breed gedragen worden, blijkt in de praktijk dan weer dat de praktische verwezenlijking van die waarden niettemin vaak nog te wensen overlaat. We leven inderdaad in een vrije samenleving, maar voor velen is de vrijheid waarover ze beschikken een holle vrijheid door gebrek aan eigen middelen. We leven ook in een solidaire samenleving met een goed uitgewerkte sociale zekerheid, maar tegelijkertijd groeit de maatschappelijke ongelijkheid de laatste 40 jaar aan een duizelingwekkend tempo. Tot slot zijn we door revoluties in transport en communicatiemiddelen meer dan ooit met elkaar verbonden, en toch lijken we eenzamer dan ooit tevoren. Op basis hiervan claimen de traditionele partijen dan dat zij wel degelijk nog steeds relevant zijn. Maar waarom zou je stemmen voor partijen wiens "unieke" waarden eigenlijk gemeengoed zijn geworden, maar die er tegelijkertijd niet in slagen ze ook echt in de praktijk te brengen voor iedereen?In hun claim op relevantie anno 2021 gaan de traditionele partijen pijnlijk voorbij aan vier cruciale problemen die de hernieuwing van hun centrale rol in het politieke bestel zwaar bemoeilijken. Ten eerste zijn de traditionele partijen de laatste 2 decennia steeds meer gaan lijken op een oligarchie van impotentie. Sinds de krachttoer van Jean-Luc Dehaene om België toch nog in de eurozone te brengen, zijn er geen grote akkoorden meer gemaakt. Vele belangrijke dossiers worden steevast verder vooruitgeschoven uit angst voor de kiezer: een degelijke pensioenhervorming, een oplossing voor het mobiliteitsvraagstuk, een structureel gezonde begroting, een "finale" staatshervorming, etc.... Op geen van deze domeinen werden nog echt allesomvattende en bevredigende akkoorden afgesloten.Ten tweede blijken de traditionele partijen ook schromelijk te kort te schieten in allerlei "kleinere" dossiers, waarbij constant beloftes gebroken worden. Het recente fiasco rond de terugdraaiende tellers van de zonnepanelen sprak daarbij boekdelen. Maar er was evenzeer de onbegrijpelijke vernietiging van de stock aan mondmaskers. Of de invoering van allerlei coronamaatregelen die dan weer totaal niet gehandhaafd konden worden: het "verplicht" testen van reizigers op straffe van boetes, het "verplichte" telewerk, en uiteraard de komische maatregelen rond het al dan niet aan het raam zitten op de trein. Tot slot waren er nog de beloftes dat er "nooit meer" een lockdown zou komen, dat de kappers bij opening "voorgoed" zouden openen, en dat de vaccinatiecampagne als een trein zou lopen. Het beleidsmatig parcours laat met andere woorden te wensen over. Ten derde hebben de traditionele partijen de afgelopen decennia ook in die mate aan persoonlijke politieke geloofwaardigheid ingeboet, dat een terugkeer naar het glorieuze verleden weinig waarschijnlijk lijkt. Het simpele feit is dat er tijdens 1 jaar coronacrisis niet één politicus/a is die ook maar 1 euro heeft moeten inleveren, terwijl de bevolking getrakteerd werd op de ene blunder na de ander, met ernstige gevolgen op vlak van fysieke en mentale gezondheid, familiaal leed en voor velen ook onmetelijke economische schade. Bij Open VLD hield men een vrolijke nieuwjaarsreceptie, bij SP.A lanceerde men de nieuwe naam tijdens het aanzwellen van de derde golf, en bij CD&V ging de voorzitter lunchen op hotel nadat de regering net voor iedereen de restaurants had gesloten. Ten slot moet men zich toch de vraag stellen hoe richtinggevend de liberale, socialistische en christendemocratische ideologieën nog wel zijn om een antwoord te bieden op de nieuwe grote globale uitdagingen van onze tijd: de klimaatverandering, de migratiedruk en bijhorende diversiteit, de razendsnelle digitalisering, de opkomst van China, enzovoort... Daarnaast is er nog het specifieke probleem van de krakkemikkige Belgische staatsstructuur.De coronacrisis heeft aangetoond dat de huidige staatsstructuur niet alleen inefficiënt is en handen vol geld kost, je kan je zelfs afvragen in hoeverre deze ingewikkelde situatie ook de menselijke tol van deze crisis heeft vergroot. Wat leren het liberalisme, het socialisme of de christendemocratie ons over hoe je het Belgische institutionele imbroglio ontwart? Bitter weinig. Tien jaar geleden was onze premier Alexander De Croo bijvoorbeeld een confederalist, vandaag een overtuigd Belgicist. Net zoals zijn liberale voorganger Guy Verhofstadt trouwens. Echt standvastig is de liberale leer op dit punt alvast niet. Op basis van bovenstaand ziektebeeld lijkt de diagnose dan ook onverbiddelijk: de traditionele partijen hebben hun tijd gehad. Ze zullen ongetwijfeld blijven proberen zichzelf opnieuw uit te vinden, maar zolang men de relevantie van de eigen ideologie niet in vraag durft stellen, zullen dat ijdele pogingen blijven. Ligt niet net daar de verklaring voor de opgang van partijen aan de uiteinden van het politieke spectrum en het wegsmelten van het centrum? Eigenlijk ontbreekt nu enkel nog een echte nieuwe politieke beweging in Vlaanderen om dit hele kaartenhuisje ineen te doen storten. Jan Wostyn is gastschrijver voor Vlinks.