Politici, het gerecht en de politie maken zich volgens Unia al lang zorgen over haatmisdrijven. "We stellen vast dat heel wat dossiers van deze aard worden geseponeerd en geen juridisch gevolg krijgen", zegt Dennis Bouwen van Unia. "Het is ook geweten dat slachtoffers van haatmisdrijven soms terughoudend zijn om stappen te ondernemen om hun rechten te verdedigen." Om beide fenomenen in kaart te brengen bestelden Unia, het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) en de Koning Boudewijnstichting twee studies. Ze kregen steun van het college van procureurs-generaal. "Het was de bedoeling om dezelfde realiteit vanuit twee invalshoeken te benaderen: de invalshoek van het slachtoffer en die van het parket", legt Bouwen uit. De eerste studie, geleid door het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC), wilde doorgronden wat de redenen zijn om dossiers te seponeren. Deze studie gaat over de kwalitatieve en kwantitatieve analyse van 371 dossiers, gebaseerd op de antidiscriminatiewetgeving, waarin het parket geen vervolging heeft ingesteld. Ze stoelt ook op groepsgesprekken met rechters. De studie bevestigt dat er nogal vaak wordt geseponeerd: in 66 tot 81 procent van de gevallen, afhankelijk van de gerechtelijke divisie. "Dat gebeurt voornamelijk om technische redenen: vervolging is onmogelijk. In meer zeldzame gevallen wordt er geseponeerd omdat het parket het niet opportuun vindt om te vervolgen", legt Bouwen uit. Hieruit mag volgens Unia niet worden afgeleid dat politie en gerecht een gebrek aan ijver aan de dag leggen. "De studie geeft aan dat dossiers in een erg groot aantal gevallen aandachtig worden behandeld, met onderzoeksfeiten, verhoren en diverse vormen van research. Maar vaak wordt er geseponeerd omdat het niet mogelijk is om de feiten precies vast te stellen, de daders te identificeren of alle noodzakelijke elementen te verzamelen." Voorts wil een seponering volgens Unia niet noodzakelijk zeggen dat er niet wordt gereageerd. "In heel wat gevallen wordt er gewezen op de wetgeving, wordt er gepraat met het slachtoffer of wordt een beroep gedaan op een alternatieve procedure. Zo begrijpen de betrokkenen dat de overheid het probleem ernstig neemt en moeite doet om bij te dragen tot een oplossing." In de tweede studie, van de Koning Boudewijnstichting, staan bevindingen op basis van diepgaande interviews met slachtoffers van haatdelicten. De stichting bekeek het parcours van deze slachtoffers. Zo wilden de auteurs van het rapport achterhalen wat de slachtoffers blokkeerde, wat hen ertoe aanzette om op bepaalde momenten te handelen en hoe ze dachten over het goedmaken van de geleden schade. "Uit de interviews met aangevallen personen blijkt dat de haatdelicten voor hen een wonde laten die dikwijls onzichtbaar blijft voor anderen", zegt Erika Racquet van de Koning Boudewijnstichting. "De slachtoffers kunnen niet altijd goed verwoorden wat ze voelen of ervaren. Ze willen dat op een empathische manier wordt geluisterd. Ze willen worden ernstig genomen en zich ondersteund voelen." Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen publiceert een derde luik over de toepassing van de seksismewet. (Belga)

Politici, het gerecht en de politie maken zich volgens Unia al lang zorgen over haatmisdrijven. "We stellen vast dat heel wat dossiers van deze aard worden geseponeerd en geen juridisch gevolg krijgen", zegt Dennis Bouwen van Unia. "Het is ook geweten dat slachtoffers van haatmisdrijven soms terughoudend zijn om stappen te ondernemen om hun rechten te verdedigen." Om beide fenomenen in kaart te brengen bestelden Unia, het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) en de Koning Boudewijnstichting twee studies. Ze kregen steun van het college van procureurs-generaal. "Het was de bedoeling om dezelfde realiteit vanuit twee invalshoeken te benaderen: de invalshoek van het slachtoffer en die van het parket", legt Bouwen uit. De eerste studie, geleid door het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC), wilde doorgronden wat de redenen zijn om dossiers te seponeren. Deze studie gaat over de kwalitatieve en kwantitatieve analyse van 371 dossiers, gebaseerd op de antidiscriminatiewetgeving, waarin het parket geen vervolging heeft ingesteld. Ze stoelt ook op groepsgesprekken met rechters. De studie bevestigt dat er nogal vaak wordt geseponeerd: in 66 tot 81 procent van de gevallen, afhankelijk van de gerechtelijke divisie. "Dat gebeurt voornamelijk om technische redenen: vervolging is onmogelijk. In meer zeldzame gevallen wordt er geseponeerd omdat het parket het niet opportuun vindt om te vervolgen", legt Bouwen uit. Hieruit mag volgens Unia niet worden afgeleid dat politie en gerecht een gebrek aan ijver aan de dag leggen. "De studie geeft aan dat dossiers in een erg groot aantal gevallen aandachtig worden behandeld, met onderzoeksfeiten, verhoren en diverse vormen van research. Maar vaak wordt er geseponeerd omdat het niet mogelijk is om de feiten precies vast te stellen, de daders te identificeren of alle noodzakelijke elementen te verzamelen." Voorts wil een seponering volgens Unia niet noodzakelijk zeggen dat er niet wordt gereageerd. "In heel wat gevallen wordt er gewezen op de wetgeving, wordt er gepraat met het slachtoffer of wordt een beroep gedaan op een alternatieve procedure. Zo begrijpen de betrokkenen dat de overheid het probleem ernstig neemt en moeite doet om bij te dragen tot een oplossing." In de tweede studie, van de Koning Boudewijnstichting, staan bevindingen op basis van diepgaande interviews met slachtoffers van haatdelicten. De stichting bekeek het parcours van deze slachtoffers. Zo wilden de auteurs van het rapport achterhalen wat de slachtoffers blokkeerde, wat hen ertoe aanzette om op bepaalde momenten te handelen en hoe ze dachten over het goedmaken van de geleden schade. "Uit de interviews met aangevallen personen blijkt dat de haatdelicten voor hen een wonde laten die dikwijls onzichtbaar blijft voor anderen", zegt Erika Racquet van de Koning Boudewijnstichting. "De slachtoffers kunnen niet altijd goed verwoorden wat ze voelen of ervaren. Ze willen dat op een empathische manier wordt geluisterd. Ze willen worden ernstig genomen en zich ondersteund voelen." Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen publiceert een derde luik over de toepassing van de seksismewet. (Belga)