Sinds de uitbraak van het coronavirus hebben de medewerkers en vrijwilligers bij het ministerie van Buitenlandse Zaken meer dan 13.000 repatriëringen, 100.000 oproepen en tienduizenden e-mails moeten verwerken. Maar het water staat hen aan de lippen, benadrukt Peter Moors, topman van het departement.
...

Sinds de uitbraak van het coronavirus hebben de medewerkers en vrijwilligers bij het ministerie van Buitenlandse Zaken meer dan 13.000 repatriëringen, 100.000 oproepen en tienduizenden e-mails moeten verwerken. Maar het water staat hen aan de lippen, benadrukt Peter Moors, topman van het departement. Moors, die voordien aan de slag was op de liberale kabinetten van oud-premier Guy Verhofstadt en minister van Financiën en Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo, hekelt het gebrek aan politieke aandacht voor de internationale betrekkingen. 'Het is allemaal wat ironisch: naarmate het buitenland belangrijker wordt in de dorpsstraat, komt het minder aan bod in de Wetstraat', vertelt hij. Ook de zaak-Chovanec is daar volgens Moors een voorbeeld van. Hoe groot is de imagoschade voor België door de zaak-Chovanec? Moors: 'We moeten daar niet flauw over doen: de imagoschade is aanzienlijk. Over heel de wereld hebben mensen die schokkende beelden gezien en verschieten ze dat zoiets in België kan gebeuren. De opgelopen schade verminderen, wordt een moeilijke zaak. Het komt er nu op aan deze zaak zo grondig mogelijk te onderzoeken en aan te tonen dat onze rechtsstaat wel degelijk werkt. Hoe gebruikelijk is het dat een buitenlandse ambassadeur tweemaal op korte tijd bij een minister van Binnenlandse Zaken over de vloer komt? Moors: Dat is niet zo uitzonderlijk. Er hoeft gelukkig niet altijd iemand te sterven vooraleer een ambassadeur langsgaat bij een minister van Binnenlandse Zaken. De Belgische ambassadeur bij Slowakije is de afgelopen weken tweemaal op het matje geroepen. Eenmaal bij de eerste minister en eenmaal bij de minister van Buitenlandse Zaken. Moors: Ook dat is niet zo uitzonderlijk, al gebeurt het niet vaak. Tijdens de ontmoeting met onze ambassadeur heeft zowel de Slowaakse als de Belgische regering meer uitleg verstrekt over de kwestie. We hebben duidelijk aangegeven dat we de kwestie in alle transparantie zullen behandelen en tot op het bot zullen uitsptitten. Jan Jambon (N-VA) kon zich de ontmoeting met de Slowaakse ambassadeur over een overleden persoon in een politiecel niet herinneren. Moors: Los van dit specifieke voorval is het ietwat symptomatisch voor het feit dat internationale thema's de afgelopen jaren steeds minder aandacht hebben gekregen. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat België steeds meer inwaarts keert, terwijl de internationale dimensie steeds belangrijker wordt. In de Kamer wordt er amper nog gedebatteerd over buitenlandse ontwikkelingen en hoe België daarmee kan omgaan. Nochtans dringt het buitenland alsmaar vaker en dieper door tot in onze samenleving. De granaatoorlog in Antwerpen staat rechtstreeks in verband met Latijns-Amerikaanse drugkartels en de transmigranten in West-Vlaanderen zijn een direct gevolg van de instabiliteit aan onze Europese buitengrenzen. Dat maakt het allemaal wat ironisch. Om het met een boutade te zeggen: naarmate het buitenland belangrijker wordt in de dorpsstraat, komt het minder aan bod in de Wetstraat. Welke rol speelt de moeilijke politieke situatie in ons land daarbij? Moors: Een belangrijke rol. De afgelopen twaalf jaar heeft onze federale regering vier jaar lang in lopende zaken gezeten. België is niet langer het stabiele land van weleer. Het is niet onlogisch dat we daarom wat vaker met onszelf bezig zijn, maar we moeten wel beseffen dat zoiets gevolgen heeft. België is op Zwitserland en Nederland na de meest open economie ter wereld. We zijn dus enorm afhankelijk van wat er zich rondom ons afspeelt. Als we dat uit het oog verliezen, dan zullen we de dat ook in onze portefeuille voelen. Op het departement merken we dat al langer: de afgelopen tien jaar zijn een kwart van onze diplomatieke posten in het buitenland gesloten, op onze hoofdzetel lopen 200 mensen minder rond en onze werkingsmiddelen zijn met 15 procent gedaald. In Nederland en Duitsland investeren ze daarentegen al enkele jaren meer in hun buitenlandse betrekkingen. Bijna alle federale departementen vragen tegen de achtergrond van de regeringsonderhandelingen om meer budget. Maar dat is er niet. Moors: Ik vraag zelfs niet om bijkomende middelen, wel dat er niet verder wordt bespaard. Anders kunnen wij geen performante dienstverlening meer blijven verlenen en komen we met een roeiboot in een internationale stormzee terecht. Het aantal Belgen dat in het buitenland woont, is het laatste decennium bijna verdubbeld, tot bijna een half miljoen. Hoewel we die stuk voor stuk diensten en noodbijstand moeten kunnen verlenen, hebben we daarvoor geen bijkomende middelen gekregen. Met het coronavirus hebben we zonet de grootste repatriëringsoperatie uit onze geschiedenis achter de rug. Maar maak u geen illusies: in de landen waar we niet langer een diplomatieke post hebben, was dat gewoon een stuk moeilijker en is dat in sommige gevallen ook niet gelukt. Bovendien hebben we moeten werken met een heleboel vrijwilligers, want een permanente consulaire crisiscapaciteit is er nog niet. Ondervindt het departement rechtstreeks de gevolgen van de politieke stilstand? Moors: Op sommige vlakken wel. Reeds in 2018 wilden we elf miljoen euro uit ons werkingsbudget verschuiven om ons beter te wapenen tegen de dagelijkse cyberaanvallen. Maar omdat een regering in lopende zaken daarover geen beslissing kan nemen, is er van die plannen tot op vandaag niets in huis gekomen. Bovendien zorgt onze staatsstructuur ervoor dat het steeds moeilijker wordt om het intern eens te geraken over een Belgisch standpunt. Door interne onenigheid zijn we het enige land in de Europese Unie dat het Europees vrijhandelsakkoord met Centraal-Amerika niet heeft goedgekeurd. Bovendien bestaat er tussen de gewesten tot op vandaag onenigheid over het Belgische klimaatbeleid. Daar betalen we een prijs voor: we kunnen niet op de inhoud van zulke dossiers wegen, we worden minder uitgenodigd op verscheidene fora en komen minder aan bod.Onze Europese stellingname wordt nog steeds bepaald door een samenwerkingsakkoord uit 1994. Twee staatshervormingen en het verdrag van Lissabon later is dat niet langer actueel. PS en N-VA wilden dat aanpakken, maar intussen staat Vivaldi in de steigers. Moors: Het zou ontzettend jammer zijn wanneer de hervorming van de samenwerkingsakkoorden het slachtoffer wordt van de nieuwe politieke situatie in dit land. Het is hoog tijd om die communautaire symbolenstrijd, die ook op dit departement te lang geduurd heeft, achter ons te laten. Wat maakt het namelijk uit wat er op het naamkaartje van een Vlaamse vertegenwoordiger in Warschau staat? Het enige wat telt is een vlotte en efficiënte samenwerking tussen de verschillende niveaus zodat we onze diplomatieke positie zo goed mogelijk kunnen uitspelen. Op de Europese top in juli hebben de vertegenwoordiger van de Vlaamse en Waalse regering premier Sophie Wilmès vier dagen lang niet te zien of te horen gekregen. Is dat nog wel van deze tijd? Moors: Ik kan wel begrip opbrengen voor de vraag van de deelstaten. Je kunt de manier waarop dit land politiek en grondwettelijk is georganiseerd niet blijven ontkennen. De zaken die op die Europese top werden besloten, hadden rechtstreekse impact op Vlaanderen en Wallonië. De vertegenwoordigers verdienen daarom om nauw bij de gesprekken betrokken te worden en zouden wat mij betreft niet als pottenkijkers beschouwd mogen worden. De afgelopen maanden kwam er heel wat kritiek op de kleurencodes die dit land hanteert voor het buitenland. Heel wat reizigers klagen over het feit dat de codes snel veranderen en ze daardoor in quarantaine moeten. Moors: Er moet me iets van het hart. Enkele dagen geleden hoorde ik op de radio dat 'Buitenlandse Zaken de kleurencodes heeft aangepast.' Maar het is de Celeval, waar Buitenlandse Zaken niet in vertegenwoordigd is, dat beslist over de kleurencodes. Dat wij daarvoor met de vinger worden gewezen én dat we niet eens in de Celeval zitten, is alweer symptomatisch voor de manier waarop er in dit land met onze internationale omgeving wordt omgegaan. Onze vrijwilligers krijgen honderden telefoons van woedende reizigers die niet meer naar Spanje kunnen reizen of in quarantaine moeten bij terugkeer. Tegelijkertijd hebben wij enkel een observatorstatus in een subcomité van de Celeval. Dat is een gemiste kans om de ervaring en de expertise van Buitenlandse Zaken te gebruiken..U vraagt om een prominente rol in de Celeval?Moors: Dat is een ander voorbeeld van de dalende aandacht voor de internationale dimensie. Is er internationale dimensie aan deze crisis? Het antwoord is 'ja'. Is het verantwoordelijke departement vertegenwoordigd in het adviesorgaan? Het antwoord is 'nee'. Aan u het oordeel of u dat logisch vindt. Even naar de interne keuken van het departement: een diplomaat met heel wat ervaring op de teller vertelde me recent dat de toewijzing van de posten nog nooit zo gepolitiseerd was als vandaag. Moors: De afgelopen twintig jaar is de verdeling van belangrijke politieke benoemingen inderdaad te ver doorgeschoten. Let wel: het werk van een aantal ambassadeurs, zoals die bij de Europese Unie en de NAVO, zal altijd wel een zekere politieke dimensie hebben.. Maar wanneer ik tien maanden geleden aan deze job ben begonnen, moest ik helaas met regelmaat vernemen dat het personeelsbeleid niet langer als billijk wordt ervaren. Als leidinggevend ambtenaar doet zoiets pijn. Daarom hebben we een aantal maatregelen genomen om de benoemingsprocedure opnieuw hygiënischer te maken, waarmee ik bedoel transparanter en op basis van objectieve criteria. Er zijn checks and balances nodig, de aberraties moeten eruit.Het departement heeft objectiveringscriteria opgesteld, waarbij ervaring een belangrijke rol speelt. Sommigen zien daarin een manoeuvre om diplomaten die in het verleden politiek benoemd werden net voor langere tijd te beschermen. Moors: Op een bepaald ogenblik moet je een streep zetten onder een systeem dat niet meer functioneert. Sommigen zullen zich daarvoor benadeeld voelen, anderen bevoordeeld. Ervaring is ook maar een van de criteria. We hebben bijvoorbeeld een systeem ingevoerd dat mensen die een 'moeilijke' post toegewezen krijgen, de volgende keer een 'lichtere' krijgen. Ook hebben we beslist dat diplomaten voortaan een minimum aan ervaring moeten hebben alvorens ze ambassadeur kunnen worden. Bovendien ben ik ook positief gestemd over het feit dat jongere diplomaten er vaker prat op gaan dat ze geen partijkaart hebben. Al moeten ze de daad bij het woord voegen, want nog steeds komen er telefoontjes van partijvoorzitters die hun zegje willen doen. U heeft zelf tien jaar op een kabinet gezeten. Bent u op dat vlak voldoende geloofwaardig? Moors: Ik ben verantwoordelijk voor een departement waarvan ik besef dat het op dat vlak beter kan. Toen ik mijn mandaat begon, ben ik alle diensten persoonlijk gaan bezoeken en heb ik gezegd dat ik daar werk van wil maken. Dat is een duidelijk engagement. De benoeming van diplomaten wordt dit jaar versneld. Volgens kwatongen een manoeuvre van de MR om er invloed op uit te oefenen nu het nog de minister levert. Moors: Dat klopt niet. We proberen de diplomaten vooral sneller op de hoogte te brengen waar ze de volgende vier jaar van hun leven zullen doorbrengen. We proberen meer rekening te houden met de familiale dimensie, bijvoorbeeld de scholen. Als er dan toch bezwaren opduiken, hebben we meer tijd om daar op in te spelen. Dat brengt meer rust in de organisatie. Kijk, de belangrijkste posten (Washington en New York, nvdr.) die Franstalige diplomaten recent kregen toegewezen zijn naar personen gegaan die geen MR-signatuur hebben. U heeft vorige week een nieuwe strategie binnen het departement uitgerold. Wat staat er op de planning? Moors: We hebben een 74-tal punten verzameld die we de komende drie à vier jaar willen verwezenlijken. Als we daar in slagen, zal hier binnen enkele jaren een ander departement staan. Onze ICT-infrastructuur is verouderd, het gros van onze 350 gebouwen in het buitenland zijn momenteel niet duurzaam en onze communicatie verloopt op sommige vlakken te oubollig. We moeten ook streven naar meer diversiteit en gendergelijkheid binnen het departement, hoewel het momenteel al in de goede richting evolueert. België heeft een breed postennetwerk, maar heeft daardoor in belangrijke posten zoals Berlijn en Parijs maar een viertal diplomaten rondlopen. Zweden doet bijvoorbeeld het met heel wat minder ambassades, maar stuurt meer diplomaten per post uit. Doen we niet aan overstretch? Moors: We zijn momenteel aan het nadenken in welke mate we daar verandering in willen brengen. Een opvallend cijfer in die context: België staat op de 26ste plaats van de wereldranglijst van grootte van de economie én op die van de grootte van het postennetwerk. Ik denk dat het voor België enorm moeilijk zal zijn om op de economische rangschikking te stijgen als het tegelijkertijd daalt op de diplomatieke. De welvaart van ons land komt voor een groot deel vanuit het buitenland en voor een kwart buiten Europa.In het kader van de besparingen zijn er de afgelopen jaren heel wat diplomatieke gebouwen verkocht om financiële putten te vullen. In plaats daarvan is België zich vaker op de huurmarkt gaan begeven. Heeft die strategie iets opgeleverd? Moors: Qua werkingskosten brengt de inkrimping van een achttiental posten in 2016 jaarlijks zes miljoen op. Op korte termijn levert het dus een klein beetje op, op lange termijn dreigt het zelfs duurder uit te vallen. Nu kost de Belgische diplomatie de Belgische belastingbetaler 285 miljoen euro. Dat is 0.46% van het federale budget. Dat lijkt me toch een verantwoorde investering voor het soort land dat we zijn, niet?