Vroeg 's ochtends aan de grote keukentafel, terwijl de rest van het gezin zich klaarmaakt om aan de dag te beginnen en de hond vrolijk bezoekers verwelkomt, is misschien niet de meest geschikte tijd noch plaats om het emotioneel geladen thema van de nieuwe voorstelling van theatermaker Stijn Devillé aan te snijden. Devillé, auteur van toneelstukken over onder meer de moord op Julien Lahaut en extreemlinks terrorisme, en van een vlijmscherpe toneeltrilogie over de financiële crisis, richt met zijn nieuwe voorstelling over de dood van een kind voor het eerst de blik naar binnen. De aanleiding is een tragedie die hem had kunnen, maar net niet is overkomen.
...

Vroeg 's ochtends aan de grote keukentafel, terwijl de rest van het gezin zich klaarmaakt om aan de dag te beginnen en de hond vrolijk bezoekers verwelkomt, is misschien niet de meest geschikte tijd noch plaats om het emotioneel geladen thema van de nieuwe voorstelling van theatermaker Stijn Devillé aan te snijden. Devillé, auteur van toneelstukken over onder meer de moord op Julien Lahaut en extreemlinks terrorisme, en van een vlijmscherpe toneeltrilogie over de financiële crisis, richt met zijn nieuwe voorstelling over de dood van een kind voor het eerst de blik naar binnen. De aanleiding is een tragedie die hem had kunnen, maar net niet is overkomen. Stijn Devillé: 'Het uitgangspunt van de voorstelling is in elk geval heel persoonlijk. Het gaat over een koppel dat een kind verliest. Dat is ons gelukkig inderdaad niet overkomen, maar wel bijna. Acht jaar geleden is onze dochter tijdens een bezoek bij schoonfamilie in Gent van de trap gevallen. Ze was domweg over een losse veter gestruikeld en met haar hoofd tegen de muur beland. We hebben haar onderaan de trap levenloos teruggevonden in een plas urine. Ik herkende dat beeld, al wist ik niet van waar. Maar je beseft meteen: als iemand dood gaat, is zich ontlasten kennelijk het eerste wat hij doet. Ik heb haar toen vastgepakt, wat je in die omstandigheden natuurlijk helemaal niet mag doen, en met haar geschud. Maar daardoor voelde ik wel dat ze geen hartslag had en niet meer ademde. Ze begon ook blauw te worden. Ik heb haar dan proberen te beademen. Ik wist niet hoe dat moest, maar het is gelukt. Een paar minuten later was de MUG er en is ze naar de spoed gebracht. En ze is eruit gekomen zonder er ook maar iets aan over te houden. Maar het bizarre was dat mijn vrouw en ik verwachtten dat zich vervolgens een soort opluchting bij ons zou manifesteren, het gevoel goed te zijn weggekomen. Maar dat gevoel kwam niet.' Welk gevoel was er dan wel? Stijn Devillé: Een onbestemde leegte. Het was alsof we aan het rouwen waren om een kind dat we niet verloren hadden. Dat heeft acht maanden geduurd en sloeg vaak op heel onverwachte momenten toe. Haar naam op een brooddoos zien staan en dan onbedaarlijk beginnen te huilen. Omdat plotseling het besef opduikt: voor hetzelfde geld was ze er niet meer. Ik vond dat tegelijk ook een vies gevoel. Hoe aanstellerig en melodramatisch van mezelf, er was immers niets gebeurd. Ik heb daarom heel lang gedacht dat dit niet iets was om theater over te maken. Maar door ontmoetingen met mensen die wel een kind hadden verloren, ben ik onder de indruk geraakt van de veerkracht waarmee zij in het leven staan. Zij vertelden me dat ze het als een soort plicht en eerbetoon tegenover hun kind opvatten om niet aan hun verdriet ten onder te gaan. Ik vond dat inspirerend en hoopgevend, en daar heb ik een verhaal rond gebouwd. Het gaat over een koppel dat na het verlies van hun dochter toch 'kiest voor het leven' en naar Singapore verhuist, waar de moeder als onderzoekster in de nanotechnologie aan de slag gaat. Moest het per se Singapore zijn? Devillé: Toch wel, want het gaat mij om het contrast tussen de absolute stilstand waarin die ouders door de dood van hun dochter terechtkomen en een plek waar het leven nog veel sneller gaat dan wij gewend zijn, en waar op de technologische vooruitgang geen maat staat. Dat vond ik een interessant spanningsgebied. Het publiek zal misschien wel verrast zijn, want dat kent u vooral van erg politiek geëngageerde voorstellingen. Devillé: Dat klopt, al zit in deze voorstelling toch ook wel een politieke laag. Zo gaat het bijvoorbeeld ook over het kantelpunt waarop onze hoogtechnologische samenlevingen zich bevinden, en waarover de afgelopen maanden in de media veel te doen is geweest. Singapore wordt door heel veel mensen beschouwd als een fantastische stad, omdat alles er werkt en alles er netjes is, een soort modern Utopia. Maar ook het Utopia van Thomas More was alleen mogelijk op een eiland dat zijn grenzen hermetisch afsloot. Een utopie duldt immers geen tegenspraak. Singapore is een eenpartijstaat, waar nog lijfstraffen worden toegepast. Maar daar staan wij niet bij stil, omdat in Singapore ons samenlevingsmodel van de vrije markt bloeit en groeit. Alles wat we met een dictatuur associëren, zit meer aan de Kim Jong-un-kant van onze verbeelding. Ten onrechte. Dus die zaken komen in de voorstelling ook aan de orde. Deze voorstelling kwam mede tot stand dankzij het systeem van de tax shelter van de federale overheid, een belastingkorting voor investeringen in film en podiumkunsten, waarover u zich in het verleden heel kritisch hebt uitgelaten. Devillé: De tax shelter blijft voor mij een dure en niet-democratische manier om cultuur te ondersteunen. Klassieke subsidiëring gaat via de belastingen waarvoor de hele gemeenschap samenlegt. Bij tax shelter gaat het om een waanzinnige belastingvrijstelling voor een selecte club. Het systeem werkt ook alleen maar omdat het belastingvoordeel zo belachelijk groot is, namelijk een gegarandeerd nettorendement van 8 à 10 procent op jaarbasis. Geef mij één andere belegging met zo'n rendement. Je zou als kleine zelfstandige wel heel dom zijn om je geld nog op de beurs te beleggen. Want om van de tax shelter gebruik te kunnen maken, moet je natuurlijk wel over een vennootschap beschikken. Dit is niet weggelegd voor Jan met de pet. Je krijg dus een systeem dat twee partijen ten goede komt, de kunstensector, waarvoor dank, en de vrije beroepen. Want dat weten we intussen ook, dat de tax shelter vooral wordt gebruikt door tandartsen, notarissen, dokters en apothekers. Maar ondanks het feit dat ik een koele minnaar van de tax shelter ben, denk ik ook: hoe meer geld er naar cultuur gaat, hoe beter. En dus zou u, als kleine cultuurondernemer, ook goed gek zijn om er geen gebruik van te maken? Devillé: Meer nog, ik denk dat het mij kwalijk zou worden genomen als ik het niet zou doen. En dat ik er bij een volgende subsidieronde op zal worden afgerekend, als zou blijken dat ik niet alle andere financieringskanalen maximaal benut. Iets anders: is theater eigenlijk nog van deze tijd? Devillé: Ik denk het wel. We hebben meer dan ooit behoefte aan menselijke ontmoetingen. En theater is precies dat: de ontmoeting tussen een artiest en het publiek. Je zit in dezelfde ruimte, je ademt dezelfde lucht, je beleeft dezelfde tijd. Dat is niet het geval met televisie, film of je smartphone. Het is een directe ervaring die je ook terugvindt bij sportwedstrijden. Waarom is het leuker om naar het voetbal te gaan dan om voor je televisie te zitten? Omdat je erbij bent, omdat er iets gebeurt. Dat vind ik belangrijk en het mooiste wat er is. U bent ook een van de weinige echte toneelschrijvers in Vlaanderen. Devillé: Er zijn er eigenlijk best wel wat, hoor. Maar ik heb het voordeel dat ik mijn eigen gezelschap heb en mijn eigen werk produceer, waardoor het ook zichtbaar wordt. Maar u behoort wel tot een generatie van theatermakers die de tekst heeft gerehabiliteerd? Devillé: Dat is zeker zo. De organisatie Kunstenpunt is momenteel een publicatie aan het voorbereiden over de revival van de theatertekst. Ik heb daarover met hen een gesprek gehad. Toen ik mijn opleiding aan het RITCS kreeg, was het nog heel erg in de mode om collagevoorstellingen te maken. Iedereen werkte collectief: we gooien onze ideeën in de groep en daar brouwen we een voorstelling van. De aandacht voor de tekst - en dan bedoel ik niet alleen op het niveau van de zin, maar ook de coherentie van het geheel - werd daarbij vaak uit het oog verloren. Dat kon heel geestige voorstellingen opleveren, maar ik bleef toch vaak met een onvoldaan gevoel achter, en met mij een paar generatiegenoten. Michaël De Cock bijvoorbeeld, is ook gewoon zelf beginnen te schrijven, net zoals Johan Petit, Bart Van Nuffelen, en binnen mijn gezelschap mensen als Adriaan Van Aken en Kris Cuppens. En zo waren we rond de eeuwwisseling opeens met een aantal mensen die opnieuw zochten naar een eigen toneeltaal en naar eenheid in de tekst. Krijgen toneelschrijvers voldoende erkenning? Devillé: Het kan altijd beter, want de toneelauteur blijft inderdaad vaak onzichtbaar. Ik denk dat de sector daarvoor zelf best ook wat extra inspanningen kan doen. In Nederland bijvoorbeeld, bestaan er voor alles prijzen. Het Nederlands theaterfestival is één groot prijzenfestival. Er worden prijzen uitgereikt voor beste acteur, beste actrice, beste mannelijke bijrol, beste vrouwelijke bijrol, beste jeugdtheatervoorstelling en ga zo maar door. In Vlaanderen wordt dat gezien als een plat commercieel circus. 'Daar gaan we toch niet aan meedoen? Dat heeft toch geen stijl!' Terwijl dit wel een manier is om je eigen sector op een feestelijke manier voor het voetlicht te brengen. Soms krijg je de indruk dat je de kunstensector zelf haast alleen maar hoort als het over geld of subsidies gaat. Daar moeten we van af. Ik betreur het dat uit wat vroeger de Staatsprijs voor Letterkunde was en nadien de Vlaamse Cultuurprijzen zijn geworden, de prijs voor toneelletterkunde geruisloos is verdwenen. Die werd driejaarlijks uitgereikt en de laatste keer was in 2009. Terwijl het schrijven van toneelstukken echt wel een vak apart is. Wilt u dat uw toneelteksten ook zelfstandig kunnen worden gelezen? Devillé: Ik wil vooral dat ze beschikbaar zijn voor nieuwe opvoeringen. Wat gelukkig ook gebeurt, zowel professionele gezelschappen als amateurs gaan ermee aan de slag. Ik vind het belangrijk dat het toneelrepertoire blijft groeien en niet stopt bij pakweg Een bruid in de morgen van Hugo Claus uit 1960. Ziet u zichzelf ooit een Shakespeare of Tsjechov opvoeren? Devillé: Het voordeel met klassiekers is dat je ze helemaal en zonder schroom naar je hand kunt zetten. Maar ik stel me soms vragen bij de manier waarop men die teksten gebruikt om iets te zeggen over de tijd van vandaag. Dat zal wel, denk ik dan, maar waarom hebben we daar Shakespeare voor nodig? Ik vind dat een vreemde omweg. Misschien is het uit angst om een te directe boodschap te geven. Maar dat deed Shakespeare toch ook? Dus waarom zouden we dat vandaag ook niet proberen te doen? Critici vonden dat de politieke boodschap er in uw voorstellingen soms nogal dik op lag. Devillé: Daar ben ik het niet mee eens. Die kritiek is ook vaak geworteld in de vreemde aanname dat wat sommige personages op het podium verkondigen, ook mijn mening is. Los daarvan is theater de kunst van het hier en nu. Dat is een cliché waarmee je in de toneelopleiding om de oren wordt geslagen. Wat ze daar op de toneelschool mee bedoelen, is dat je als acteur alert moet zijn en onmiddellijk moet reageren op wat je tegenspeler zegt, en, als de context van de voorstelling het toelaat, op reacties uit de zaal. Sinds Bertolt Brecht bestaat de vierde wand, die de spelers denkbeeldig van het publiek afsnijdt, eigenlijk niet meer. Maar voor mij gaat dat hier en nu nog een stuk verder. Want als je gedurende twee uur samen opgesloten zit in een en dezelfde ruimte, dan kun je het toch maar beter hebben over de dingen die ons vandaag aanbelangen, niet? We hebben niet zoveel plekken waar we daarover van gedachten kunnen wisselen. In het theater kan dat nog wel. Kun je dan niet evengoed de krant lezen? Devillé: In het theater heb je de directe aanwezigheid van de acteurs en daardoor krijgen abstracte onderwerpen iets menselijks. Een stem, een lichaam, een emotie: dat is een wezenlijk verschil. Wat vond u van het plan van NT Gent-regisseur Milo Rau om IS-strijders op het podium te brengen? Devillé:(lacht) Ik geloofde het niet, ik dacht dat het een pr-stunt was. Want het is natuurlijk ontzettend naïef om te denken dat je door middel van een contactadvertentie - 'Gezocht: IS-strijder, gelieve u te melden voor een openbare auditie' - dat soort mensen zult bereiken. Aangezien ik Milo Rau en zijn entourage niet van naïviteit verdenk, leek het me gewoon een manier om een polemiek uit te lokken en in de media te komen. En dan vraag ik me dus af hoe productief dat is, want tegelijk blijkt dat ze daadwerkelijk op zoek waren naar Syriëstrijders of jihadisten en daarover wel degelijk met een aantal overheidsinstanties in gesprek waren. Hebt u er ethisch of inhoudelijk moeite mee dat echte Syriëstrijders ten tonele zouden worden gevoerd? Devillé: Ik denk niet dat ik ze zelf een podium zou bieden, maar ik vind wel dat hij dat mag doen. De kunst is vrij om te provoceren. In een opiniestuk op Knack.be deed u uw beklag over het snel krimpende aanbod van toneelvoorstellingen in de Vlaamse cultuurcentra. Sinds begin dit jaar heeft Het nieuwstedelijk, naast eigen zalen in OPEK, het openbaar entrepot voor de kunsten in Leuven, ook een eigen theaterzaal in Hasselt geopend. Dat is ook een manier om daar wat aan te doen? Devillé: Ik ben inderdaad niet iemand die alleen maar te zitten zeuren. Ik wil ook werken aan een oplossing. Zelf een zaal openen in Hasselt, is daar een klein deeltje van. Dat bleek overigens niet zo moeilijk en er zijn geen miljoenen voor nodig. Maar dat neemt niet weg dat het aantal theatervoorstellingen in de cultuurcentra tussen 2011 en 2015 met 33 procent is gedaald. Het is dus cruciaal dat we daarover blijven nadenken. Als we dat niet doen, schiet er over een aantal jaren niets meer over. En dan zijn we kunsten aan het subsidiëren die niemand nog kan zien. De volgende stap zal zijn dat mensen zich afvragen: waarom doen we dat eigenlijk nog? Weg ermee. (lacht) Dat zou ik natuurlijk wel heel jammer vinden.