'Politiek is showbusiness met lelijke mensen': het zijn gevleugelde woorden van Roger Stone, de doortrapte campagnestrateeg die onder meer met Richard Nixon en Donald Trump heeft gewerkt. De Vlaamse variant, de versie van N-VA-voorzitter Bart De Wever, klinkt iets genereuzer voor ons politieke personeel: 'Politiek is slecht theater met briljante acteurs.' Maar wat we zagen in de laatste aflevering van Jambers in de politiek, de docureeks die deels al tijdens de voorbije campagne werd uitgezonden, kwam niet eens in de buurt: het was slecht theater met slechte acteurs.
...

'Politiek is showbusiness met lelijke mensen': het zijn gevleugelde woorden van Roger Stone, de doortrapte campagnestrateeg die onder meer met Richard Nixon en Donald Trump heeft gewerkt. De Vlaamse variant, de versie van N-VA-voorzitter Bart De Wever, klinkt iets genereuzer voor ons politieke personeel: 'Politiek is slecht theater met briljante acteurs.' Maar wat we zagen in de laatste aflevering van Jambers in de politiek, de docureeks die deels al tijdens de voorbije campagne werd uitgezonden, kwam niet eens in de buurt: het was slecht theater met slechte acteurs. De veelbesproken passage waarin De Wever in zijn oorlogskamer de binnenlopende verkiezingsresultaten opvolgt en bij wijze van epifanie ter plekke inziet dat het toch wat minder kan met die polarisering: ze overtuigt niet. De N-VA-voorzitter, een politiek beest zonder noemenswaardige tegenstander én een marketingwonder, grijpt het embedded journalism van Paul Jambers aan om de coalitiegesprekken in Antwerpen in te leiden, en in één moeite door ook te anticiperen op die na de verkiezingen van mei 2019: 'We kunnen zo niet verder tegen links, ik word daar zo moe van, die oorlog elke dag.' Na jaren van beenharde tackles, waarin zelden een kans gemist werd om politieke concurrenten of critici van het centrumrechtse establishment voor het blok te zetten, moest tv-kijkend Vlaanderen plots geloven dat het genoeg was geweest. Vermoeidheid, het komt voor in de beste families. Een beetje schijnheiligheid ook. De N-VA scoorde bij de kiezer aanvankelijk met communautaire thema's, gekoppeld aan de belofte van goed bestuur. Maar bij de vorming van de Zweedse coalitie in 2014 gingen de plannen voor zelfbestuur voor onbepaalde tijd in de koelkast. De N-VA kwam ermee weg: voor een goed beleid, zo heette het voortaan, was de communautaire knoop niet langer van cruciaal belang. Het vooruitzicht van een efficiënte centrumrechtse regering, die de overheid zou saneren, kon de kiezer overtuigen. Maar de economische balans van de regering-Michel blijkt geen onverdeeld succes. Afgelopen weekend maakte de zakenkrant De Tijd bekend dat de Europese Commissie ook dit jaar streng zal oordelen over het Belgische begrotingsbeleid: we zitten in het voortknoeiende 'Club Med'-groepje, met onder meer Frankrijk, Spanje en Portugal, landen die ook 'significant' afwijken van de voorgeschreven recepten. De laatste tijd was dan weer een spijkerhard migratiediscours aan de orde van de dag, dat de slabakkende economische hervormingen moest doen vergeten. Nu in de gemeenteraadsverkiezingen is gebleken dat de scherpe uithalen van onder meer Theo Francken niet noodzakelijk de eigen partij maar wel Vlaams Belang groter maken, wordt het zoeken naar een nieuwe adem. Niet een tweede adem, niet een derde adem, maar een vierde adem. Na het bevroren communautaire verhaal, de half mislukte economische projecten en het tegen de xenofobie aanschurkende migratiediscours is het niet uitgesloten dat de N-VA-kiezer in mei 2019 een beetje tureluurs in het stemhokje zal staan. Ten langen leste wordt de enige inhoudelijke troef van de N-VA de zwakte van de tegenstanders. Dat kan genoeg zijn: kiezers beseffen heel goed dat er in een democratie compromissen moeten worden gesloten en dat het parler vrai van een partijtje van 5 procent al gauw plaatsmaakt voor het gedraai van een regeringspartij. Zoals Bart De Wever zelf zei bij de komst van Siegfried Bracke bij de N-VA in 2010: 'Een mens die niet verandert, is een heel saaie mens. En een achterban die niets aankan, is een heel saaie achterban.' Maar het zijn ondertussen wel véél bochten. Als er geen aansluiting wordt gevonden met de ideologische kern - Vlaams zelfbestuur en een rechts economisch beleid - dan dreigt die domweg te verdampen en wordt de N-VA de meest postmoderne partij van Vlaanderen: anything goes, versie Deurne-Zuid. En dan komt er plots wél weer ruimte voor de concurrentie. Het personalisme van CD&V-voorzitter Wouter Beke mag dan een schimmige ideologie zijn, het heeft tenminste nooit in het vriesvak gezeten. De Open VLD van Gwendolyn Rutten heeft haar karretje aan de N-VA-locomotief kunnen hangen zonder al te veel te hoeven korten op de oerkreet van de liberalen - minder belastingen. En Groen heeft het voordeel al zo lang in de oppositie te zitten dat het van weinig wanbeleid kan worden beschuldigd. Spectaculaire troeven zijn dat allemaal niet. Maar nu Groen de eerste tekenen van strategisch inzicht vertoont, wordt het tijd dat De Wever zelf nog eens inhoudelijk scoort.