Voor de algemene bevolking baseert Sciensano zich voor het eerst mee op de resultaten van een onderzoek op basis van speekselstalen van een willekeurig gekozen groep volwassenen (SalivaHIS-studie). Daaruit blijkt dat 28,9 procent begin april antistoffen had tegen het coronavirus. Bij de deelnemers die aangaven nog niet gevaccineerd te zijn, gaat het om 19,4 procent. Daarnaast voert Sciensano samen met het Rode Kruis al geruime tijd analyses uit op het bloed van Belgische donoren. Uit de laatst beschikbare resultaten van begin februari blijkt dat 20,3 procent antistoffen had. "Bij de niet-gevaccineerde volwassen bevolking zien we een gelijklopend percentage personen met antistoffen in de studie bij de bloeddonoren en in de steekproef onder de algemene bevolking", benadrukt Sciensano. Om de situatie bij kinderen en schoolpersoneel op te volgen, organiseert het gezondheidsinstituut testmomenten. In maart had 17,5 procent van de leerlingen en 19 procent van het schoolpersoneel in de lagere school en in de eerste graad van het secundair onderwijs antistoffen. In vergelijking met het eerste testmoment, tussen december en januari, komt dat voor beide groepen neer op een stijging met ongeveer 4 procent. "Deze stijging is mogelijk het effect van de derde golf en het opduiken van nieuwe virusvarianten", luidt het. "De regionale verschillen in de aanwezigheid van antistoffen bij de leerlingen en het schoolpersoneel blijven duidelijk. Deze verschillen weerspiegelen de hogere doorgemaakte infectiegraad in Brussel en Wallonië in vergelijking met Vlaanderen." Terwijl ongeveer evenveel leerlingen in de lagere school (17,1 procent) antistoffen hebben als leerlingen in de middelbare school (18 procent), is er wel een significant verschil tussen schoolpersoneel in de lagere school enerzijds (22,5 procent) en in de middelbare school anderzijds (14,9 procent). Ook tussen het personeel in het lager onderwijs en lagereschoolkinderen is er een groot onderscheid. Tot slot werden de gezondheidsmedewerkers sinds januari massaal gevaccineerd, en dat weerspiegelt zich dan ook in de resultaten. Eind april hadden 97 procent van het zorgpersoneel in de ziekenhuizen en 84,1 procent van de eerstelijnszorgverleners antistoffen. Tussen december en begin januari, net voor de vaccinatiecampagne, ging het om respectievelijk zowat 20 en 15 procent. Eind april had al 95 procent van de gezondheidswerkers in ziekenhuizen minstens één vaccindosis gekregen en was 91 procent volledig gevaccineerd. Voor eerstelijnsgezondheidsmedewerkers was dat respectievelijk 96,6 en 81,1 procent. (Belga)

Voor de algemene bevolking baseert Sciensano zich voor het eerst mee op de resultaten van een onderzoek op basis van speekselstalen van een willekeurig gekozen groep volwassenen (SalivaHIS-studie). Daaruit blijkt dat 28,9 procent begin april antistoffen had tegen het coronavirus. Bij de deelnemers die aangaven nog niet gevaccineerd te zijn, gaat het om 19,4 procent. Daarnaast voert Sciensano samen met het Rode Kruis al geruime tijd analyses uit op het bloed van Belgische donoren. Uit de laatst beschikbare resultaten van begin februari blijkt dat 20,3 procent antistoffen had. "Bij de niet-gevaccineerde volwassen bevolking zien we een gelijklopend percentage personen met antistoffen in de studie bij de bloeddonoren en in de steekproef onder de algemene bevolking", benadrukt Sciensano. Om de situatie bij kinderen en schoolpersoneel op te volgen, organiseert het gezondheidsinstituut testmomenten. In maart had 17,5 procent van de leerlingen en 19 procent van het schoolpersoneel in de lagere school en in de eerste graad van het secundair onderwijs antistoffen. In vergelijking met het eerste testmoment, tussen december en januari, komt dat voor beide groepen neer op een stijging met ongeveer 4 procent. "Deze stijging is mogelijk het effect van de derde golf en het opduiken van nieuwe virusvarianten", luidt het. "De regionale verschillen in de aanwezigheid van antistoffen bij de leerlingen en het schoolpersoneel blijven duidelijk. Deze verschillen weerspiegelen de hogere doorgemaakte infectiegraad in Brussel en Wallonië in vergelijking met Vlaanderen." Terwijl ongeveer evenveel leerlingen in de lagere school (17,1 procent) antistoffen hebben als leerlingen in de middelbare school (18 procent), is er wel een significant verschil tussen schoolpersoneel in de lagere school enerzijds (22,5 procent) en in de middelbare school anderzijds (14,9 procent). Ook tussen het personeel in het lager onderwijs en lagereschoolkinderen is er een groot onderscheid. Tot slot werden de gezondheidsmedewerkers sinds januari massaal gevaccineerd, en dat weerspiegelt zich dan ook in de resultaten. Eind april hadden 97 procent van het zorgpersoneel in de ziekenhuizen en 84,1 procent van de eerstelijnszorgverleners antistoffen. Tussen december en begin januari, net voor de vaccinatiecampagne, ging het om respectievelijk zowat 20 en 15 procent. Eind april had al 95 procent van de gezondheidswerkers in ziekenhuizen minstens één vaccindosis gekregen en was 91 procent volledig gevaccineerd. Voor eerstelijnsgezondheidsmedewerkers was dat respectievelijk 96,6 en 81,1 procent. (Belga)