Kind&Gezin heeft zonet de nieuwste Vlaamse en gemeentelijke index kansarmoede bij zeer jonge kinderen gepubliceerd. Niet meteen een moment om een gat in de lucht te springen. In Vlaanderen niet, waar het cijfer stagneert, maar zelfs niet in de steden en gemeenten waar de cijfers dalen. Laat het eerder een wake up-call zijn voor de verschillende bestuursniveaus om op een samenhangende manier nu eindelijk echt werk te maken van de strijd tegen armoede.

De jaarlijkse publicatie van de armoede-index van Kind & Gezin is uitgegroeid tot een event voor iedereen in Vlaanderen die met armoede begaan is. Terecht, want de cijfers drukken elke beleidsmaker - op welk niveau ook - telkens weer met de neus op de feiten. We got still a lot of work to do. En met corona niet minder. Maar de index houdt ook een risico in: met name dat een daling of een stijging in een gemeente al snel wordt geïnterpreteerd als een succes of falen van lokaal beleid. Sommige steden en gemeenten zullen zich nu op de borst kloppen, anderen met de vinger worden gewezen. Ook dat is een jaarlijks weerkerend fenomeen.

Nu zal je maar een stad of een gemeente zijn die veel middelen investeert in sociale voorzieningen en jaar na jaar een slechter cijfer gepubliceerd ziet: 'Al dat schoon geld meneer, dat brengt toch allemaal geen verbetering, hé?'

Het omgekeerde is ook waar: een daling in de lokale Kind&Gezin-cijfers (zoals in mijn stad, waar we een daling noteren van 18,2 naar 16,2%) is geen reden om ons nu op de borst te kloppen. De metingen zeggen immers weinig over het oorzakelijke verband tussen de inspanningen van een gemeente (of het gebrek daaraan) en de evolutie van het indexcijfer kansarmoede bij kinderen in die gemeente. Omdat gemeenten bijvoorbeeld weinig vat hebben op een aantal 'signalen' die gemeten worden, zoals de gezondheidstoestand in een gezin of het opleidingsniveau van de ouders. Of omdat de registratie een momentopname is en, zoals Kind & Gezin zegt, 'inspanningen of trajecten die in de concrete gezinnen worden opgezet, niet leiden tot een nieuwe beoordeling van de kansarmoede in dat gezin'.

Daarom is het tijd om de metingen te hanteren waar ze echt bedoeld voor zijn: een wake up-call om samen veel beter te doen. Dat kan met een pact waarbij de verschillende bestuursniveaus zich scharen rond een afgestemde aanpak van armoede en waarbij lokale besturen niet alleen de verantwoordelijkheid maar ook de middelen krijgen om er een prominente rol in te spelen.

Belangrijke stemmen in Vlaanderen, onder wie socioloog Koen Hermans, relativeren de rol van lokale besturen in de materie. 'Zonder ingrijpend beleid op regionaal, federaal en Europees vlak vermogen de steden en gemeenten maar weinig', zegt Hermans. En gelijk heeft hij. Een herverdelende kinderbijslag, hogere uitkeringen en minimumlonen, meer sociale woningen, maatregelen voor een verhoogde arbeidsparticipatie, allemaal moeten ze inderdaad van hogerhand komen. Maar die stelling houdt ook een gevaar in: ze kan leiden tot lokale laksheid en zelfs moedeloosheid. "Daar kunnen we hier ter plaatse toch niks aan doen, hé meneer, dat speelt zich toch allemaal boven onze hoofden af."

Laat ons moedeloos noch laks worden. In Kortrijk hebben we de voorbije jaren extra ingezet om armoede te bestrijden. Met onder meer brugfiguren in het onderwijs om armoede te detecteren en kinderen vooruit te helpen, met een intens en persoonlijk activeringsbeleid, met meer betaalbare kinderopvang, een aanvulling op het leefloon (het Kortrijks Menswaardig Inkomen), een Huurgarantiefonds om financieel zwakkere inwoners te steunen op de huurmarkt, een unieke digitale rechtenverkenner of nog, de professionalisering van de voedselherverdeling.

Gezinnen in armoede werden ook intensief en langdurig begeleid door een persoonlijke coach en de resultaten van die aanpak wetenschappelijk gemeten door armoede-expert Wim Van Lancker. Besluit: een lokaal bestuur kan binnen de eigen bevoegdheden wel degelijk voor verbetering zorgen maar op een hoger niveau liggen veel knelpunten.

Andere Vlaamse steden en gemeenten - over de partijkleuren heen - ontwikkelden de voorbije jaren een even sterk armoedebeleid met even waardevolle ingrepen. Het is het bewijs dat het lokale beleid hier en daar wel degelijk het verschil wil en kan maken. De eerder geciteerde Koen Hermans beaamt dat met de vaststelling 'dat het OCMW samen met de gemeente de tekorten van de hogere overheden wegwerkt'.

Vele steden en gemeenten hebben dus aangetoond dat ze, alle verhoudingen in acht genomen, meer dan hun deel doen. Ze verdienen het dan ook om ondersteuning te krijgen voor een betere detectie van armoede, een lokale opdracht bij uitstek. Voor het ontwikkelen van gezinsbegeleiding op maat om rechten beter te ontsluiten. Voor extra financiële steun aan gezinnen in armoede, of die nu leven van een uitkering, van bijstand of van een te gering inkomen uit arbeid.

Mag ik al een eerste eenvoudig voorstel doen naar aanleiding van de nieuwe cijfers en procenten van Kind&Gezin? Verhoog de gebruikswaarde van die cijfers en laat de lokale besturen, vanzelfsprekend met akkoord van de betrokkenen, weten wie de mensen achter die procenten zijn. Dat kost geen geld en doet ons allen veel tijd winnen om meteen begeleiding op maat te starten.

En vervolgens op naar een pact tussen gemeenten en de Vlaamse en federale overheid. Het betekent dat men samen - over de grenzen van oppositie en meerderheid en over legislaturen heen - ambitieuze maar realistische doelstellingen vastlegt. En dat elkeen bereid is om ernstige engagementen te nemen op vlak van onderwijs, huisvesting, inkomenszekerheid, gezondheidszorg, tewerkstelling en begeleiding. Voorwaar geen simpele opdracht. Maar zeggen we niet allemaal en voortdurend dat het ons menens is om armoede te bannen?

Philippe De Coene is schepen van sociale vooruitgang in Kortrijk.

Kind&Gezin heeft zonet de nieuwste Vlaamse en gemeentelijke index kansarmoede bij zeer jonge kinderen gepubliceerd. Niet meteen een moment om een gat in de lucht te springen. In Vlaanderen niet, waar het cijfer stagneert, maar zelfs niet in de steden en gemeenten waar de cijfers dalen. Laat het eerder een wake up-call zijn voor de verschillende bestuursniveaus om op een samenhangende manier nu eindelijk echt werk te maken van de strijd tegen armoede.De jaarlijkse publicatie van de armoede-index van Kind & Gezin is uitgegroeid tot een event voor iedereen in Vlaanderen die met armoede begaan is. Terecht, want de cijfers drukken elke beleidsmaker - op welk niveau ook - telkens weer met de neus op de feiten. We got still a lot of work to do. En met corona niet minder. Maar de index houdt ook een risico in: met name dat een daling of een stijging in een gemeente al snel wordt geïnterpreteerd als een succes of falen van lokaal beleid. Sommige steden en gemeenten zullen zich nu op de borst kloppen, anderen met de vinger worden gewezen. Ook dat is een jaarlijks weerkerend fenomeen. Nu zal je maar een stad of een gemeente zijn die veel middelen investeert in sociale voorzieningen en jaar na jaar een slechter cijfer gepubliceerd ziet: 'Al dat schoon geld meneer, dat brengt toch allemaal geen verbetering, hé?'Het omgekeerde is ook waar: een daling in de lokale Kind&Gezin-cijfers (zoals in mijn stad, waar we een daling noteren van 18,2 naar 16,2%) is geen reden om ons nu op de borst te kloppen. De metingen zeggen immers weinig over het oorzakelijke verband tussen de inspanningen van een gemeente (of het gebrek daaraan) en de evolutie van het indexcijfer kansarmoede bij kinderen in die gemeente. Omdat gemeenten bijvoorbeeld weinig vat hebben op een aantal 'signalen' die gemeten worden, zoals de gezondheidstoestand in een gezin of het opleidingsniveau van de ouders. Of omdat de registratie een momentopname is en, zoals Kind & Gezin zegt, 'inspanningen of trajecten die in de concrete gezinnen worden opgezet, niet leiden tot een nieuwe beoordeling van de kansarmoede in dat gezin'.Daarom is het tijd om de metingen te hanteren waar ze echt bedoeld voor zijn: een wake up-call om samen veel beter te doen. Dat kan met een pact waarbij de verschillende bestuursniveaus zich scharen rond een afgestemde aanpak van armoede en waarbij lokale besturen niet alleen de verantwoordelijkheid maar ook de middelen krijgen om er een prominente rol in te spelen.Belangrijke stemmen in Vlaanderen, onder wie socioloog Koen Hermans, relativeren de rol van lokale besturen in de materie. 'Zonder ingrijpend beleid op regionaal, federaal en Europees vlak vermogen de steden en gemeenten maar weinig', zegt Hermans. En gelijk heeft hij. Een herverdelende kinderbijslag, hogere uitkeringen en minimumlonen, meer sociale woningen, maatregelen voor een verhoogde arbeidsparticipatie, allemaal moeten ze inderdaad van hogerhand komen. Maar die stelling houdt ook een gevaar in: ze kan leiden tot lokale laksheid en zelfs moedeloosheid. "Daar kunnen we hier ter plaatse toch niks aan doen, hé meneer, dat speelt zich toch allemaal boven onze hoofden af."Laat ons moedeloos noch laks worden. In Kortrijk hebben we de voorbije jaren extra ingezet om armoede te bestrijden. Met onder meer brugfiguren in het onderwijs om armoede te detecteren en kinderen vooruit te helpen, met een intens en persoonlijk activeringsbeleid, met meer betaalbare kinderopvang, een aanvulling op het leefloon (het Kortrijks Menswaardig Inkomen), een Huurgarantiefonds om financieel zwakkere inwoners te steunen op de huurmarkt, een unieke digitale rechtenverkenner of nog, de professionalisering van de voedselherverdeling.Gezinnen in armoede werden ook intensief en langdurig begeleid door een persoonlijke coach en de resultaten van die aanpak wetenschappelijk gemeten door armoede-expert Wim Van Lancker. Besluit: een lokaal bestuur kan binnen de eigen bevoegdheden wel degelijk voor verbetering zorgen maar op een hoger niveau liggen veel knelpunten. Andere Vlaamse steden en gemeenten - over de partijkleuren heen - ontwikkelden de voorbije jaren een even sterk armoedebeleid met even waardevolle ingrepen. Het is het bewijs dat het lokale beleid hier en daar wel degelijk het verschil wil en kan maken. De eerder geciteerde Koen Hermans beaamt dat met de vaststelling 'dat het OCMW samen met de gemeente de tekorten van de hogere overheden wegwerkt'.Vele steden en gemeenten hebben dus aangetoond dat ze, alle verhoudingen in acht genomen, meer dan hun deel doen. Ze verdienen het dan ook om ondersteuning te krijgen voor een betere detectie van armoede, een lokale opdracht bij uitstek. Voor het ontwikkelen van gezinsbegeleiding op maat om rechten beter te ontsluiten. Voor extra financiële steun aan gezinnen in armoede, of die nu leven van een uitkering, van bijstand of van een te gering inkomen uit arbeid.Mag ik al een eerste eenvoudig voorstel doen naar aanleiding van de nieuwe cijfers en procenten van Kind&Gezin? Verhoog de gebruikswaarde van die cijfers en laat de lokale besturen, vanzelfsprekend met akkoord van de betrokkenen, weten wie de mensen achter die procenten zijn. Dat kost geen geld en doet ons allen veel tijd winnen om meteen begeleiding op maat te starten.En vervolgens op naar een pact tussen gemeenten en de Vlaamse en federale overheid. Het betekent dat men samen - over de grenzen van oppositie en meerderheid en over legislaturen heen - ambitieuze maar realistische doelstellingen vastlegt. En dat elkeen bereid is om ernstige engagementen te nemen op vlak van onderwijs, huisvesting, inkomenszekerheid, gezondheidszorg, tewerkstelling en begeleiding. Voorwaar geen simpele opdracht. Maar zeggen we niet allemaal en voortdurend dat het ons menens is om armoede te bannen?Philippe De Coene is schepen van sociale vooruitgang in Kortrijk.