De voorbije dagen verschenen enkele bevlogen pleidooien in dit weekblad voor een beter 'begrip van de imperfecties van het verleden' (van Philip Roose) en een 'serene omgang met het verleden' (van Luc Rasson). Dat kan ik als historicus alleen maar toejuichen.

Helaas heb ik ook wat opmerkingen. Beide opiniestukken maken enkele denksprongen die me eerder ahistorisch toeschijnen. Men verwijt het gilde der historici al eens dat het zich niet mengt in het publieke debat. Dat is geen hol verwijt. Wanneer we ons al eens vertonen, is dat toch vooral om te zeggen dat het 'allemaal zo eenvoudig niet is' en vervolgens omslachtig de historische context te schetsen. We zullen de laatsten zijn om een episode in de geschiedenis 'te vatten in zwart-wittermen'.

Geschiedenis is immers geen balance sheet waarbij we van elke gebeurtenis en elke figuur het morele krediet en debet keurig optekenen om vervolgens te beslissen hoe die herinnerd moet worden. In de trant van, bijvoorbeeld, Leopold II: wreed en despotisch in Congo (minpunt), maar een mooie zuilengalerij in Oostende (pluspunt). Dat doen we dus niet. Toch even: hoe lang ligt de zuilengalerij er al bij als een koloniale ruïne? Diegenen die zich zorgen maken over de nagedachtenis van de vorst in het straatbeeld, bekommeren zich daarbij blijkbaar vooral om zijn bronzen baard. Rassons vrees, dat als het stof van de vallende standbeelden is gaan liggen, een irrationele meute zich op elk gebouw met een kwalijk koloniaal fundament zal storten, zelfs hele 'steden met de grond gelijk' zal maken, is dus ongegrond. Onverschilligheid erodeert het verleden net zo goed.

Standbeelden zijn geen goede geschiedenisleraren.

Om maar te zeggen: historici zorgen zelden voor goede soundbytes. We passen maar moeilijk in de formats van mediadebatten. Het stuk van Philip Roose is een overschouwende cultuurkritiek, soms in manicheïstische termen als goed versus kwaad en conservatief versus progressief. Die linkt hij aan het omvergooien en bekladden van enkele standbeelden van historische figuren. Ook - de rode verf droogt elk jaar wat langzamer op de koude stenen huid - de standbeelden van Leopold II. Het stuk van Luc Rasson beperkt zich tot de standbeelden zelf. Beide auteurs laten daarbij de term 'beeldenstorm' vallen. De Beeldenstorm was een zestiende-eeuwse iconoclastische reformatiefurie die zich tegen de al te nadrukkelijk aanwezigheid van katholieke beelden en afbeeldingen keerde. Opgehitste protestanten namen zo op 20 augustus 1566 bijvoorbeeld de Antwerpse kathedraal onder handen.

Een curieuze en, zoals wel vaker bij schijnbare historische parallellen, manke vergelijking. Zowel Roose als Rasson ondergraven hiermee namelijk hun eigen argument, namelijk dat standbeelden als die van Leopold II een cruciaal want complex inzicht bieden op het verleden. De Beeldenstorm vernielde heiligenbeelden: beelden van heiligen. We raken hiermee aan de kern van de zaak: wat is een standbeeld? Waarom trekt men een standbeeld op van een individu, en plaatst men het prominent in de publieke ruimte? Soms, maar niet altijd, is dat ter herdenking. 'Omwille van hun historische verdiensten, die hun tekortkomingen overstijgen,' klinkt het bij Roose. Figuren met meer credit dan debet, dus, en het debet heeft geen plaats op de sokkel. Elk standbeeld wordt dan een 'expressie van dit ... maakbaarheidsdenken dat imperfectie niet toelaat'.

Standbeelden zijn geen goede geschiedenisleraren. Zij zijn wél uitstekende propagandamiddelen, al dan niet van een koloniaal project. Zij zijn daarnaast ook karikaturen. Misschien onbewust zegt ook Roose dit, wanneer hij het over 'standbeelden van de personages uit het verleden' heeft. Standbeelden van Leopold II maken van de koning een personage, driedimensionaal maar versteend. Historische actoren zijn zoveel meer dan een statische ruiter met een kloek profiel in brons of steen, beschilderd door duiven en activisten. Standbeelden zwijgen oorverdovend luid over de geschiedenis.

Geschiedenis is geen voltooid verleden tijd. Zij wordt elke dag opnieuw geschreven, wanneer nieuwe bronnen worden gevonden en nieuwe stemmen zich laten horen in het debat. Ze is niet statisch, en we moeten haar al helemaal niet op een sokkel hijsen. Ze bestaat niet uit helden en slechteriken. Dat geldt ook voor de standbeelden van Leopold II. Die staan niet onder een stolp. Ze zijn wel in het verleden gemaakt en gezet, maar hun geschiedenis is nog steeds vandaag. Een standbeeld van zijn sokkel trekken, is niet hetzelfde als de geschiedenis uitwissen, zoals Rasson beweert. Hij geeft terecht aan dat standbeelden als die van Leopold II 'zelf deel uitmaken van een geschiedenis'. Ze weghalen is dat echter ook: wanneer binnenkort de Britse über-imperialist Cecil Rhodes uit de façade van het Oxfordse Oriel College wordt gesloopt, is dat geen 'verarming van ons historisch besef' maar net een veruitwendiging ervan. Geen verenging tot zwartwit, maar een groeiend bewustzijn van de complexiteit van figuren als Rhodes: een complexiteit die zo'n standbeeld geen eer aandoet, net omdat het de figuur reduceert tot een personage opgetrokken uit verdiensten en propaganda.

Telkens zo'n standbeeld neerploft, leren we wat bij, om het met een formatvriendelijke oneliner te zeggen. Daarom moet nog niet elk standbeeld eraan geloven. Maar we kunnen momenten als deze ook lezen met de bril van de historicus: als momenten waarop een samenleving naar haar verleden kijkt en ermee in dialoog treedt. Dat deed men ook in de voormalige Sovjetunie waar stenen Lenins onder gejuich in het zand beten. Een vallend standbeeld kan een aanzet zijn tot de twijfel die Rasson terecht als een fundament van de geschiedenis benoemt. Een aanzet ook om naar andere, tot nog toe ongehoorde stemmen over die geschiedenis te luisteren. Dat daarbij net enkele 'militante zekerheden' sneuvelen, kan onze omgang met het verleden alleen maar ten goede komen.

Daar hoort een laatste kanttekening bij. Als men klaagt dat we Leopold II en andere koloniale individuen niet mogen beoordelen ('veroordelen') met de morele maatstaven van vandaag - vroeger dacht immers iedereen als hen - dan vraag ik me daarbij af naar wier stemmen we kiezen te luisteren, en voor welke stemmen we selectief doof blijven. Vorig jaar verscheen het boek Insurgent empire van Priyamvada Gopal, waarin antikoloniale stemmen zowel in Groot-Brittannië als in de Britse kolonies aan bod kwamen. Niet alle tijdgenoten dachten als Leopold II, minst van al de mensen die in Congo werden onderdrukt. 'Indien men al deze zaken', schrijft Roose, en 'al deze zaken' zijn genocides, slavenbezit en seksisme, 'niet vanuit een historisch perspectief wil of kan beoordelen, dan zal men ook hun bijdrage aan onze beschaving niet begrijpen, en zelfs volledig willen uitgommen.' Maar genocide en slavernij waren ook in Leopolds eigen tijd al 'hedendaagse zonden'.

Stellen dat de horrors uit het verleden tekenen van hun tijd zijn, dat we een andere cultuur niet kunnen analyseren als problematisch (althans, als die cultuur zich in het verleden bevindt; andere hedendaagse culturen verdienen die cultuurrelativistische goodwill vaak niet, the past is vaak het enige foreign country met dat privilege), is het zwijgen opleggen aan de moedige stemmen die de wreedheden van een systeem aanklaagden en zich ertegen verzetten. Stellen dat een weggesleept standbeeld een witwasoperatie van de geschiedenis is, impliceert dat dat standbeeld voordien deel uitmaakte van een genuanceerde discussie over het koloniale verleden. Maar dat is natuurlijk niet het geval geweest. Net zomin is de recente wijziging van de naam van een auditorium in University College London, van het 'Galton Lecture Theatre', genoemd naar de Victoriaanse eugeneticus Francis Galton, naar 'Lecture Theatre 115' een verarming van onze collectieve ervaring van de geschiedenis. Integendeel.

Zoals Roose opmerkt: vooruitgang is 'maar mogelijk door de imperfectie van het verleden, niet door het ervan te zuiveren'. De omgang met koloniale standbeelden plaatsen die imperfecties net weer onder het voetlicht. Of zoals Rasson zegt: het weghalen van een standbeeld lost het probleem niet op. Maar soms is het al een begin.

Lees ook:

- 'Koloniale systeem in Congo deed niet aan ontwikkelingssamenwerking'

- Moeten wij ons schamen om onze 'witte' geschiedenis?

- 'Wie rellen veroordeelt maar de oorzaken ervan niet aanpakt, is niet conservatief maar reactionair'

- Dyab Abou Jahjah: 'De meeste witte mensen hébben helemaal geen privileges'

- 'Gebrek aan kleur in Vlaamse media lijkt even hardnekkig als politiegeweld tegen Afro-Amerikanen'

De voorbije dagen verschenen enkele bevlogen pleidooien in dit weekblad voor een beter 'begrip van de imperfecties van het verleden' (van Philip Roose) en een 'serene omgang met het verleden' (van Luc Rasson). Dat kan ik als historicus alleen maar toejuichen.Helaas heb ik ook wat opmerkingen. Beide opiniestukken maken enkele denksprongen die me eerder ahistorisch toeschijnen. Men verwijt het gilde der historici al eens dat het zich niet mengt in het publieke debat. Dat is geen hol verwijt. Wanneer we ons al eens vertonen, is dat toch vooral om te zeggen dat het 'allemaal zo eenvoudig niet is' en vervolgens omslachtig de historische context te schetsen. We zullen de laatsten zijn om een episode in de geschiedenis 'te vatten in zwart-wittermen'.Geschiedenis is immers geen balance sheet waarbij we van elke gebeurtenis en elke figuur het morele krediet en debet keurig optekenen om vervolgens te beslissen hoe die herinnerd moet worden. In de trant van, bijvoorbeeld, Leopold II: wreed en despotisch in Congo (minpunt), maar een mooie zuilengalerij in Oostende (pluspunt). Dat doen we dus niet. Toch even: hoe lang ligt de zuilengalerij er al bij als een koloniale ruïne? Diegenen die zich zorgen maken over de nagedachtenis van de vorst in het straatbeeld, bekommeren zich daarbij blijkbaar vooral om zijn bronzen baard. Rassons vrees, dat als het stof van de vallende standbeelden is gaan liggen, een irrationele meute zich op elk gebouw met een kwalijk koloniaal fundament zal storten, zelfs hele 'steden met de grond gelijk' zal maken, is dus ongegrond. Onverschilligheid erodeert het verleden net zo goed.Om maar te zeggen: historici zorgen zelden voor goede soundbytes. We passen maar moeilijk in de formats van mediadebatten. Het stuk van Philip Roose is een overschouwende cultuurkritiek, soms in manicheïstische termen als goed versus kwaad en conservatief versus progressief. Die linkt hij aan het omvergooien en bekladden van enkele standbeelden van historische figuren. Ook - de rode verf droogt elk jaar wat langzamer op de koude stenen huid - de standbeelden van Leopold II. Het stuk van Luc Rasson beperkt zich tot de standbeelden zelf. Beide auteurs laten daarbij de term 'beeldenstorm' vallen. De Beeldenstorm was een zestiende-eeuwse iconoclastische reformatiefurie die zich tegen de al te nadrukkelijk aanwezigheid van katholieke beelden en afbeeldingen keerde. Opgehitste protestanten namen zo op 20 augustus 1566 bijvoorbeeld de Antwerpse kathedraal onder handen.Een curieuze en, zoals wel vaker bij schijnbare historische parallellen, manke vergelijking. Zowel Roose als Rasson ondergraven hiermee namelijk hun eigen argument, namelijk dat standbeelden als die van Leopold II een cruciaal want complex inzicht bieden op het verleden. De Beeldenstorm vernielde heiligenbeelden: beelden van heiligen. We raken hiermee aan de kern van de zaak: wat is een standbeeld? Waarom trekt men een standbeeld op van een individu, en plaatst men het prominent in de publieke ruimte? Soms, maar niet altijd, is dat ter herdenking. 'Omwille van hun historische verdiensten, die hun tekortkomingen overstijgen,' klinkt het bij Roose. Figuren met meer credit dan debet, dus, en het debet heeft geen plaats op de sokkel. Elk standbeeld wordt dan een 'expressie van dit ... maakbaarheidsdenken dat imperfectie niet toelaat'.Standbeelden zijn geen goede geschiedenisleraren. Zij zijn wél uitstekende propagandamiddelen, al dan niet van een koloniaal project. Zij zijn daarnaast ook karikaturen. Misschien onbewust zegt ook Roose dit, wanneer hij het over 'standbeelden van de personages uit het verleden' heeft. Standbeelden van Leopold II maken van de koning een personage, driedimensionaal maar versteend. Historische actoren zijn zoveel meer dan een statische ruiter met een kloek profiel in brons of steen, beschilderd door duiven en activisten. Standbeelden zwijgen oorverdovend luid over de geschiedenis.Geschiedenis is geen voltooid verleden tijd. Zij wordt elke dag opnieuw geschreven, wanneer nieuwe bronnen worden gevonden en nieuwe stemmen zich laten horen in het debat. Ze is niet statisch, en we moeten haar al helemaal niet op een sokkel hijsen. Ze bestaat niet uit helden en slechteriken. Dat geldt ook voor de standbeelden van Leopold II. Die staan niet onder een stolp. Ze zijn wel in het verleden gemaakt en gezet, maar hun geschiedenis is nog steeds vandaag. Een standbeeld van zijn sokkel trekken, is niet hetzelfde als de geschiedenis uitwissen, zoals Rasson beweert. Hij geeft terecht aan dat standbeelden als die van Leopold II 'zelf deel uitmaken van een geschiedenis'. Ze weghalen is dat echter ook: wanneer binnenkort de Britse über-imperialist Cecil Rhodes uit de façade van het Oxfordse Oriel College wordt gesloopt, is dat geen 'verarming van ons historisch besef' maar net een veruitwendiging ervan. Geen verenging tot zwartwit, maar een groeiend bewustzijn van de complexiteit van figuren als Rhodes: een complexiteit die zo'n standbeeld geen eer aandoet, net omdat het de figuur reduceert tot een personage opgetrokken uit verdiensten en propaganda.Telkens zo'n standbeeld neerploft, leren we wat bij, om het met een formatvriendelijke oneliner te zeggen. Daarom moet nog niet elk standbeeld eraan geloven. Maar we kunnen momenten als deze ook lezen met de bril van de historicus: als momenten waarop een samenleving naar haar verleden kijkt en ermee in dialoog treedt. Dat deed men ook in de voormalige Sovjetunie waar stenen Lenins onder gejuich in het zand beten. Een vallend standbeeld kan een aanzet zijn tot de twijfel die Rasson terecht als een fundament van de geschiedenis benoemt. Een aanzet ook om naar andere, tot nog toe ongehoorde stemmen over die geschiedenis te luisteren. Dat daarbij net enkele 'militante zekerheden' sneuvelen, kan onze omgang met het verleden alleen maar ten goede komen. Daar hoort een laatste kanttekening bij. Als men klaagt dat we Leopold II en andere koloniale individuen niet mogen beoordelen ('veroordelen') met de morele maatstaven van vandaag - vroeger dacht immers iedereen als hen - dan vraag ik me daarbij af naar wier stemmen we kiezen te luisteren, en voor welke stemmen we selectief doof blijven. Vorig jaar verscheen het boek Insurgent empire van Priyamvada Gopal, waarin antikoloniale stemmen zowel in Groot-Brittannië als in de Britse kolonies aan bod kwamen. Niet alle tijdgenoten dachten als Leopold II, minst van al de mensen die in Congo werden onderdrukt. 'Indien men al deze zaken', schrijft Roose, en 'al deze zaken' zijn genocides, slavenbezit en seksisme, 'niet vanuit een historisch perspectief wil of kan beoordelen, dan zal men ook hun bijdrage aan onze beschaving niet begrijpen, en zelfs volledig willen uitgommen.' Maar genocide en slavernij waren ook in Leopolds eigen tijd al 'hedendaagse zonden'.Stellen dat de horrors uit het verleden tekenen van hun tijd zijn, dat we een andere cultuur niet kunnen analyseren als problematisch (althans, als die cultuur zich in het verleden bevindt; andere hedendaagse culturen verdienen die cultuurrelativistische goodwill vaak niet, the past is vaak het enige foreign country met dat privilege), is het zwijgen opleggen aan de moedige stemmen die de wreedheden van een systeem aanklaagden en zich ertegen verzetten. Stellen dat een weggesleept standbeeld een witwasoperatie van de geschiedenis is, impliceert dat dat standbeeld voordien deel uitmaakte van een genuanceerde discussie over het koloniale verleden. Maar dat is natuurlijk niet het geval geweest. Net zomin is de recente wijziging van de naam van een auditorium in University College London, van het 'Galton Lecture Theatre', genoemd naar de Victoriaanse eugeneticus Francis Galton, naar 'Lecture Theatre 115' een verarming van onze collectieve ervaring van de geschiedenis. Integendeel.Zoals Roose opmerkt: vooruitgang is 'maar mogelijk door de imperfectie van het verleden, niet door het ervan te zuiveren'. De omgang met koloniale standbeelden plaatsen die imperfecties net weer onder het voetlicht. Of zoals Rasson zegt: het weghalen van een standbeeld lost het probleem niet op. Maar soms is het al een begin.Lees ook: - 'Koloniale systeem in Congo deed niet aan ontwikkelingssamenwerking'- Moeten wij ons schamen om onze 'witte' geschiedenis?- 'Wie rellen veroordeelt maar de oorzaken ervan niet aanpakt, is niet conservatief maar reactionair'- Dyab Abou Jahjah: 'De meeste witte mensen hébben helemaal geen privileges'- 'Gebrek aan kleur in Vlaamse media lijkt even hardnekkig als politiegeweld tegen Afro-Amerikanen'