Terwijl de Belgische profclubs in het seizoen 2016-2017 nog 14 miljoen euro winst maakten, was er vorig seizoen sprake van een gezamenlijk verlies van 48 miljoen euro. Een eerste verklaring ligt bij de sterk gestegen spelerssalarissen. Drie seizoenen geleden lagen die in verhouding tot de inkomsten nog op gemiddeld 51,2 procent, terwijl die verhouding vorig seizoen al is gestegen tot 56 procent. "De inkomsten van de clubs zijn dan wel toegenomen (+4 pct), maar onvoldoende om de hogere loonkosten voor de spelers te compenseren", luidt het in het rapport. Ter vergelijking: in de Bundesliga ligt de verhouding loonkost/inkomsten op amper 34,6 procent. Bovendien zijn er enorm grote verschillen tussen de G5-clubs (Anderlecht, Club Brugge, AA Gent, Standard, Genk) en de K11, én de clubs in de Proximus League. De grotere clubs kampen dan wel met (veel) hogere loonkosten, daar staan ook meer inkomsten tegenover. Gemiddeld ligt de verhouding loonkost/inkomsten van de G5 op 53 procent, tegen 60,3 procent voor de K11 en een dramatische 80,5 procent bij de clubs uit de Proximus League. Deloitte merkt op dat de Belgische profclubs sowieso moeten inzetten op goede spelerssalarissen, "om competitief te blijven ten opzichte van andere Europese landen in de strijd om talent". De clubs worden bij de betaling van de salarissen geholpen door bijzondere fiscale en sociale regimes. Als gevolg van het voetbalschandaal (operatie 'Propere Handen') gaan er steeds meer stemmen op om in deze regimes te snoeien, maar dan dreigt de salariskost volgens Deloitte te ontsporen. "De salariskost van een Belgische club bevindt zich nu rond het Europese gemiddelde (...) Mocht deze regelgeving voor de Belgische clubs verdwijnen, zou de Belgische competitie veruit de hoogste salariskost hebben van alle 18 landen. Concreet zou deze meer dan 38 procent hoger komen te liggen dan de huidige leider, Frankrijk", staat er in het rapport. Een tweede aspect dat weegt op de financiële situatie van het Belgische profvoetbal zijn de transfers. Netto zijn de transferbedragen voor de Belgische profclubs nog altijd positief (73 miljoen euro), maar ze liggen wel al flink lager dan het vorige seizoen (97 miljoen in 2016-2017). Het kopen van nieuwe spelers kost alsmaar meer, waardoor het Belgische model (aantrekken van jong buitenlands talent, red.) steeds meer onder druk komt te staan. "Belgische teams kunnen hiermee omgaan door meer nadruk te leggen op de vorming van hun jeugdspelers (...) Een goede pipeline van jonge spelers is nodig om financieel gezond te blijven", klinkt het in het rapport. Op twee jaar tijd is de waarde van de spelers op de balansen bijna verdubbeld, tot 141,6 miljoen euro. Aan inkomstenzijde doen de Belgische clubs het niet zo slecht. Tickets en abonnementen blijven de belangrijkste inkomstenbron en stegen het voorbije seizoen met 3,1 pct tot 92,5 miljoen euro. Ook de uitzendrechten (80,9 miljoen euro) worden alsmaar belangrijker. Sponsoring en reclame (68,2 miljoen euro) groeiden eveneens (+10 pct), maar hier hinkt de Belgische competitie achterop tegenover de rest van Europa. Bovendien zijn de inkomsten uit sponsoring sterk ongelijk verdeeld over de clubs. Het UEFA-prijzengeld was vorig seizoen goed voor 31,2 miljoen euro, een derde minder dan het jaar voordien. Deloitte merkt op dat deze inkomsten van nature erg onzeker zijn: "ze kunnen net zo snel stijgen als dalen". (Belga)

Terwijl de Belgische profclubs in het seizoen 2016-2017 nog 14 miljoen euro winst maakten, was er vorig seizoen sprake van een gezamenlijk verlies van 48 miljoen euro. Een eerste verklaring ligt bij de sterk gestegen spelerssalarissen. Drie seizoenen geleden lagen die in verhouding tot de inkomsten nog op gemiddeld 51,2 procent, terwijl die verhouding vorig seizoen al is gestegen tot 56 procent. "De inkomsten van de clubs zijn dan wel toegenomen (+4 pct), maar onvoldoende om de hogere loonkosten voor de spelers te compenseren", luidt het in het rapport. Ter vergelijking: in de Bundesliga ligt de verhouding loonkost/inkomsten op amper 34,6 procent. Bovendien zijn er enorm grote verschillen tussen de G5-clubs (Anderlecht, Club Brugge, AA Gent, Standard, Genk) en de K11, én de clubs in de Proximus League. De grotere clubs kampen dan wel met (veel) hogere loonkosten, daar staan ook meer inkomsten tegenover. Gemiddeld ligt de verhouding loonkost/inkomsten van de G5 op 53 procent, tegen 60,3 procent voor de K11 en een dramatische 80,5 procent bij de clubs uit de Proximus League. Deloitte merkt op dat de Belgische profclubs sowieso moeten inzetten op goede spelerssalarissen, "om competitief te blijven ten opzichte van andere Europese landen in de strijd om talent". De clubs worden bij de betaling van de salarissen geholpen door bijzondere fiscale en sociale regimes. Als gevolg van het voetbalschandaal (operatie 'Propere Handen') gaan er steeds meer stemmen op om in deze regimes te snoeien, maar dan dreigt de salariskost volgens Deloitte te ontsporen. "De salariskost van een Belgische club bevindt zich nu rond het Europese gemiddelde (...) Mocht deze regelgeving voor de Belgische clubs verdwijnen, zou de Belgische competitie veruit de hoogste salariskost hebben van alle 18 landen. Concreet zou deze meer dan 38 procent hoger komen te liggen dan de huidige leider, Frankrijk", staat er in het rapport. Een tweede aspect dat weegt op de financiële situatie van het Belgische profvoetbal zijn de transfers. Netto zijn de transferbedragen voor de Belgische profclubs nog altijd positief (73 miljoen euro), maar ze liggen wel al flink lager dan het vorige seizoen (97 miljoen in 2016-2017). Het kopen van nieuwe spelers kost alsmaar meer, waardoor het Belgische model (aantrekken van jong buitenlands talent, red.) steeds meer onder druk komt te staan. "Belgische teams kunnen hiermee omgaan door meer nadruk te leggen op de vorming van hun jeugdspelers (...) Een goede pipeline van jonge spelers is nodig om financieel gezond te blijven", klinkt het in het rapport. Op twee jaar tijd is de waarde van de spelers op de balansen bijna verdubbeld, tot 141,6 miljoen euro. Aan inkomstenzijde doen de Belgische clubs het niet zo slecht. Tickets en abonnementen blijven de belangrijkste inkomstenbron en stegen het voorbije seizoen met 3,1 pct tot 92,5 miljoen euro. Ook de uitzendrechten (80,9 miljoen euro) worden alsmaar belangrijker. Sponsoring en reclame (68,2 miljoen euro) groeiden eveneens (+10 pct), maar hier hinkt de Belgische competitie achterop tegenover de rest van Europa. Bovendien zijn de inkomsten uit sponsoring sterk ongelijk verdeeld over de clubs. Het UEFA-prijzengeld was vorig seizoen goed voor 31,2 miljoen euro, een derde minder dan het jaar voordien. Deloitte merkt op dat deze inkomsten van nature erg onzeker zijn: "ze kunnen net zo snel stijgen als dalen". (Belga)