In een verklaring schreef het hof dat de moorden op en de verdrijving van Albanese Kosovaren in april1999 zijn gepleegd in de dorpen Sllovi en Terbovc in het centrum van Kosovo. De veroordeelde, die door de Kosovaarse pers werd geïdentificeerd als Goran Stanisic, was lid van de reservemacht van het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken en had als dusdanig deelgenomen aan "systematische en grootschalige aanvallen" op de Albanese bevolking van de dorpen. Overlevende getuigen, meestal vrouwen, beschreven hoe hij behoorde tot de groepen Servische politie en paramilitairen die mannen met hun rug tegen de muur van hun achtertuin zetten voordat ze hen executeren in het bijzijn van hun familie. Leden van die eenheden verdreven ook honderden Albanese burgers uit de twee dorpen. De man, die in Sllovi woonde en na de oorlog naar Servië verhuisde, werd gearresteerd toen hij in juli 2019 de grens in de andere richting overstak. Hij ontkent de misdaden en kan in beroep gaan tegen het vonnis, dat nog niet definitief is. Volgens Kosovaarse mensenrechtengroeperingen vielen bij de aanval van Servische troepen op Sllovi en Terbovc in totaal 45 doden en 11 gewonden, terwijl bijna 100 Albanese huizen in brand werden gestoken. De oorlog van 1998 en 1999 tussen Kosovaarse onafhankelijkheidsstrijders en Servische troepen heeft 13.000 doden geëist, van wie de overgrote meerderheid Albanezen. Het conflict eindigde met een NAVO-bombardementscampagne die Belgrado dwong zijn troepen terug te trekken. In 2008 riep Kosovo zijn onafhankelijkheid uit, die nog steeds niet door Servië wordt erkend. Een dergelijke veroordeling is zeer zeldzaam in Kosovo, dat geen diplomatieke betrekkingen met Servië onderhoudt. Iedere samenwerking tussen Pristina en Belgrado om verdachten van de ene kant aan de andere kant uit te leveren, is onmogelijk. (Belga)

In een verklaring schreef het hof dat de moorden op en de verdrijving van Albanese Kosovaren in april1999 zijn gepleegd in de dorpen Sllovi en Terbovc in het centrum van Kosovo. De veroordeelde, die door de Kosovaarse pers werd geïdentificeerd als Goran Stanisic, was lid van de reservemacht van het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken en had als dusdanig deelgenomen aan "systematische en grootschalige aanvallen" op de Albanese bevolking van de dorpen. Overlevende getuigen, meestal vrouwen, beschreven hoe hij behoorde tot de groepen Servische politie en paramilitairen die mannen met hun rug tegen de muur van hun achtertuin zetten voordat ze hen executeren in het bijzijn van hun familie. Leden van die eenheden verdreven ook honderden Albanese burgers uit de twee dorpen. De man, die in Sllovi woonde en na de oorlog naar Servië verhuisde, werd gearresteerd toen hij in juli 2019 de grens in de andere richting overstak. Hij ontkent de misdaden en kan in beroep gaan tegen het vonnis, dat nog niet definitief is. Volgens Kosovaarse mensenrechtengroeperingen vielen bij de aanval van Servische troepen op Sllovi en Terbovc in totaal 45 doden en 11 gewonden, terwijl bijna 100 Albanese huizen in brand werden gestoken. De oorlog van 1998 en 1999 tussen Kosovaarse onafhankelijkheidsstrijders en Servische troepen heeft 13.000 doden geëist, van wie de overgrote meerderheid Albanezen. Het conflict eindigde met een NAVO-bombardementscampagne die Belgrado dwong zijn troepen terug te trekken. In 2008 riep Kosovo zijn onafhankelijkheid uit, die nog steeds niet door Servië wordt erkend. Een dergelijke veroordeling is zeer zeldzaam in Kosovo, dat geen diplomatieke betrekkingen met Servië onderhoudt. Iedere samenwerking tussen Pristina en Belgrado om verdachten van de ene kant aan de andere kant uit te leveren, is onmogelijk. (Belga)