Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

Een soort steen. Zo omschrijft Marian Donner zich breed glimlachend. 'Mijn favoriete bezigheid is een beetje kijken, lezen, denken, zitten. Ik ben niet zo'n actief persoon. Als ik niet aan het rollen wordt gebracht, gebeurt er niets.' Omdat ze die ochtend zonder mobiel van huis is vertrokken, kan ze geen Covid Safe Ticket tonen en zo belanden we op het terras van Dwaze Zaken op de Prins Hendrikkade, op een boogscheut van het station in Amsterdam. Een heerlijk toepasselijke naam, grijnst Donner en ze steekt een sigaret op. Ze heeft een zwak voor het onaangepaste en het tegendraadse. Met haar stenige houding verzet ze zich op haar eigen vrolijke wijze tegen een samenleving die altijd weer meer en groter en beter verwacht. 'We eisen zo veel van de ander en van onszelf. We mogen best wat milder zijn.' In 2019 schreef Donner met het Zelfverwoestingsboek een antizelfhulpboek en een oproep om vooral niet te hunkeren naar de meest blinkende, gladde en glunderende versie van onszelf. Ze spoort de lezer aan om het lelijke, het laveloze en onbeheerste dat we zo graag uit het verhaal van ons leven poetsen, in de schijnwerpers te zetten en te omarmen. Het boek, met als ondertitel 'Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen' werd een onverwacht succes, met vertalingen in het Duits, Pools, Spaans, Italiaans en Frans. En dat is best ironisch voor een pleidooi voor meer leven en minder streven. 'Een prachtig bewijs voor de relativiteit van succes', noemt Donner het. 'In de geest van de tijd hoor ik te vertellen dat ik het boek geschreven heb vanuit een innerlijke drang en noodzaak. Nou, zoals ik al zei, ben ik een erg stenig persoon. Voor ik in beweging kom, heb ik een zetje nodig. In dit geval was het een uitgever die me vroeg of ik niet eens een pamflet wilde schrijven. Ik had twee romans op mijn naam, waar weinig mensen om gaven, maar toen ik me aan non-fictie waagde, bleek ik een gevoelige snaar te raken. Daar ben ik blij om. Maar het zou misplaatst zijn de factor geluk uit te vlakken. We pakken graag uit met succes en pretenderen dat we dat helemaal aan onszelf te danken hebben. Maar als niemand me iets gevraagd had, was dat boek er niet gekomen. Daardoor weet ik ook dat er duizenden mensen moeten zijn met goede ideeën, die niet dat zetje krijgen en die niet komen bovendrijven.' Verzet begint bij ons lichaam, schrijft u. Hoe moet ik dat begrijpen? Marian Donner: Ik zie het als de laatste vesting. Er is veel waar we geen controle of zeggenschap over hebben, over ons lichaam hebben we dat wel. Als ik dan lees dat de helft van de tienjarige meisjes al een dieet heeft gevolgd en dus besluit dat in vergelijking met anderen hun lichaam niet voldoet, stemt me dat erg verdrietig. We geven zo hoog op van het individu, maar al die individuen zien er wel bijna hetzelfde uit. Door reclame, door al die mensen die op elkaar lijken op Instagram, worden we bijna aangeleerd ons lichaam te haten. Maar als je je lichaam haat, wat blijft er dan nog over om van te houden? In dat opzicht begint het verzet bij het accepteren van je lichaam, het omarmen van de zogenaamde imperfecties, van het niet optimale, het zelf saboterende. Ik ben heel vergevingsgezind geworden tegenover mijn cellulitis en mijn wallen. Was het makkelijk om dat zogenaamde schoonheidsideaal van glad en strak overboord te gooien? Donner: Welnee, ik ben ook maar een mens en geen enkele vrouw is ongevoelig voor het shamen. Het gaat daarbij niet alleen over hoe je eruitziet, maar ook over hoe je loopt, staat, praat. Het gebeurt nu steeds vaker bij mannen. Filmsterren zijn schijnbaar veel breder en gespierder dan vroeger. Jongens van veertien, vijftien trainen zich kapot om aan dat beeld te voldoen en zo vergroot de afzetmarkt voor mensen die vinden dat hun lichaam niet voldoet. Sommige feministen zeggen dan: nou goed, laten we mannen eens objectiveren, maar ik vind daar weinig goeds aan. Ik beweer niet dat ik mijn rimpels juichend verwelkom, maar ik heb wel een liefde voor mijn lichaam ontwikkeld. Zeker sinds ik mijn zoon heb gebaard, koester ik een bewondering voor de magie van wat dat lichaam kan, hoe het werkt, wat het doet buiten mijn weten. Maar het is zeker niet zo dat ik mezelf volledig bevrijd acht. Ik vraag me zelfs af of dat mogelijk is in deze samenleving. In mijn boek citeer ik niet voor niets Virginia Woolf. 'Als het voelt alsof er geen plek voor je is op deze wereld, moet je je niet afvragen wat er mis is met jou, maar wat er mis is met de wereld.' Dat verwijt u de hele industrie van zelfhulpboeken: ze proberen het individu bij te schaven en aan te passen aan een volgens u disfunctionele samenleving. Donner:Als we minder gestrest willen zijn, minder burn-outs willen hebben en minder depressies zullen we toch de samenleving moeten veranderen. Mijn nieuwste boek gaat daarover. Ik vertrek van De eendimensionale mens, de analyse van kapitalisme en consumentisme die Herbert Marcuse in 1964 schreef, en leg hem op deze tijd. Marcuse had het over de rationaliteit van de irrationaliteit. Hij bedoelde daarmee dat onder het mom van de rationaliteit, de efficiëntie en de productiviteit de meest irrationele dingen gebeuren, zoals de vernietiging van de aarde. We hebben de wereld steeds meer gereduceerd tot materie die te manipuleren is. Dat hebben we met de natuur gedaan. Wat kunnen we eruit persen? Hoeveel grondstoffen kunnen we ontginnen voor al onze spullen? Maar ook de mens wordt tot materie teruggebracht. We zijn ons brein. We zijn onze darmen. We kwantificeren, classificeren, herleiden alles tot data om de wereld te beheersen en ondertussen persen we zo, letterlijk en figuurlijk, overal het leven uit. Maar is er een alternatief? Donner: In mijn nieuwe boek kom ik uit bij de kwantummechanica, misschien wel de meest rationele tak van de wetenschap. En toch is in deze wereld alles even onbegrijpelijk en irrationeel. Waar ze in de kwantummechanica nu stilaan op uitkomen, is dat de wereld niet uit materie bestaat, maar uit relaties. Er zijn minder scheidslijnen dan verbindingen. In de natuurwetenschappen zijn ze daar erg mee bezig, ze kijken bijvoorbeeld hoe schimmeldraden een web spinnen in de bosgrond waarlangs bomen communiceren, maar ik vind dat het mensbeeld daarbij achterblijft. De mens is een relationeel wezen, we hebben zowel verbinding met de rest van het leven nodig als met andere mensen. Maar wat hebben we de voorbije decennia gedaan? We hebben onszelf wijsgemaakt dat we pas tot bloei komen en echte helden zijn als we het alleen maken. Zelfredzaamheid is de boodschap en dus worden alle plekken wegbezuinigd waar mensen elkaar ontmoeten zonder dat ze er consumeren: buurthuizen, bibliotheken. Als corona ons één ding geleerd heeft, dan toch dat mensen verpieteren als het contact met anderen doorgeknipt wordt. In het Zelfverwoestingsboek omschrijft u dansen als de ultieme vrijheid. Is dat omdat de dansende mens zich makkelijker verbindt met anderen? Donner: Oh ja, absoluut. Nu je dat zegt, besef ik dat het veel te lang geleden is dat ik gedanst heb. Ik hou er zo van, het maakt niet uit op welke muziek, maar het gaat over opgaan in iets groters, een soort samenhorigheid en hoe je lol kunt beleven zonder woorden, gewoon door in dat ritme met je lichaam te bewegen. Het hoort bij de roes? Ook daarvoor breekt u een lans. Donner: Voor alle duidelijkheid: ik ben me bewust van de gevaren van verslaving en een roes is pas waardevol als je er niet altijd inzit. Ik zie het als een tegenwicht tegen de alledaagse werkelijkheid. Bij de roes ga je net als bij dansen op in het moment, het is mindfulness zonder saaie meditatie. Bovendien verruimt het letterlijk onze blik. Ik kon vroeger behoorlijk angstig en zorgelijk zijn. Ik heb een keer xtc geslikt en alles viel van me af. Mijn zorgen zijn nooit helemaal verdwenen, maar ze wegen minder door. Misschien omdat ik even ervaren heb dat het anders kan? Alcohol is mijn drug of choice. Het maakt alles wat zachter. Toen ik zwanger was en niet mocht drinken, vond ik de wereld schel en fel. Van mij mag het wat meer gedempt. Verkiest u daarom de nacht boven de dag? Donner: Ik ben gewoon een nachtmens. Een van de redenen waarom ik op latere leeftijd moeder geworden ben, is omdat ik wist dat ik het vroege opstaan moeilijk zou vinden. Ondertussen is mijn zoon bijna zes en worstel ik nog altijd met het dagritme. Het lijkt alsof ik nooit helemaal wakker ben. Jarenlang heb ik 's nachts gewerkt. Achter de bar in een nachtclub, maar ook schrijven deed ik 's nachts. Als ik dan ergens een licht achter een raam zag branden, voelde ik me verbonden met die andere, onbekende persoon. De nacht is een soort gat in de tijd, een schaduwwereld waarin dat productieve minder doorweegt en alles wat vrijer wordt. Mijn vader hield ook meer van de nacht dan van de dag. Het gebeurde weleens dat hij rechtstreeks van het café kwam om mij naar school te brengen, waarna hij in zijn bed kroop. Uw vader, Hein Donner, was schaakkampioen en columnist. Hij stierf toen u 14 jaar was. Zijn uw denken en schrijven een eerbetoon aan hem? Donner: Het wordt soms zo gelezen. Hij stond voor alle dingen die ik belangrijk vind. Hij was een bohemien, notoir onaangepast, toen dat nog kon op een niet marginale manier. Mijn moeder was rechter en werkte vijf dagen op zeven. Het was mijn vader die altijd thuis was, die met me naar de film ging, naar de dierentuin. Ik herinner me hem als een lieve, zorgzame vader die me als kind heel ernstig nam. Hij zag me als evenwaardige persoon. Dus ja, het was heel ingrijpend toen hij wegviel. Op mijn negende heeft hij een hersenbloeding gekregen. We waren samen iets gaan eten, kwamen thuis en even later is het gebeurd. Ik heb mijn moeder gebeld. Hij is naar het ziekenhuis gebracht. Toen was ik mijn vader kwijt. Hij woonde niet langer bij ons, maar in een verzorgingstehuis. Hoe ging u daarmee om als kind? Donner: Hij was erg veranderd, zijn spraakcentrum was aangetast, hij kon niet meer goed lopen, zijn humeur was er niet op vooruitgegaan en hij werd egocentrischer. Gezien de omstandigheden allemaal erg begrijpelijk, maar voor een kind is het vooral verwarrend. Hij was een grote man van twee meter, met een grote baard, een grote buik en ineens zat hij in een kamertje van twee bij drie meter. Hij schreef nog, dat was het belangrijkste voor hem, maar voor een kind was geen plaats meer. Hij had zijn eigen sores en kon niet langer interesse opbrengen voor die van een kind. Ik heb twee keer mijn vader verloren. Toen hij zijn hersenbloeding kreeg en toen hij stierf. Onlangs had ik het met mijn beste vriendin over het verdriet om iemand die er niet meer is. Ze is haar zestienjarige zoon verloren. Echt vreselijk. Bij een ouder iemand slaat zoiets een groot gat, maar bij een jonger kind gaat dat anders. Dat gat is er ook, maar het gaapt niet zo, je bouwt er als het ware je persoonlijkheid omheen, er komt iets wankels op te staan en het wordt deel van je identiteit. In welke zin? Donner: Dat ik zijn weerbarstigheid voortzet? Ik heb bijvoorbeeld heel snel het idee van de klassieke carrière laten varen. Ik heb voor de PvdA (de sociaaldemocraten in Nederland, nvdr) gewerkt en voor een ngo rond eerlijke handel. Mijn drijfveer was waarschijnlijk te idealistisch om waar te zijn. Ik hoopte werkelijk de wereld te veranderen. Maar ik moest twee keer ontgoocheld vaststellen dat het via die wegen niet zou gebeuren. Jammer genoeg. Bovendien lag het kantoorleven me niet. Omdat ik het vage verlangen had te schrijven, werd ik barvrouw in een nachtclub. Daar kwam ik dan mensen tegen met wie ik nog had samengewerkt en die nu steil carrière aan het maken waren. Dat was een interessante confrontatie met de blik van de samenleving. Mensen vroegen me bezorgd wat er gebeurd was, alsof ik totaal was afgegleden. Ik werk aan een boek, mompelde ik dan. Heel veel indruk maakte dat niet. In hun ogen was ik van de ladder gestort en had ik nog nul status. Mij heeft het in ieder geval verlost van elk gevoel van schaamte. En wat is dat een bevrijding, je niet meer schamen. Het hilarische was: toen ik als telefoniste voor een escortbureau werkte, wat ik zo'n tien jaar heb gedaan, vonden mensen me wel weer interessant. Iedereen wilde graag weten hoe die wereld in elkaar zat. Het is een vraag die ook op mijn lippen brandt. Wat hebben die tien jaar bij een escortbureau u over de mens geleerd? Donner: Het was een erg exclusief bureau. In een derde van de gevallen was er tijdens afspraakjes niet eens sprake van seks, het draaide rond intimiteit, gezien en gehoord worden. De populairste vrouwen voldeden zelden aan de typische schoonheidsidealen. Wat telde, had ik na een tijd door, was de blik die een escorte op een man kon werpen. Daar waren die vrouwen heel goed in. Ze schonken mannen een liefdevolle, niet veroordelende blik. Hoe de ander naar ons kijkt, kan ons ophemelen of neerhalen. Maar er school ook iets triests achter. Mannen die zich eenzaam voelden in hun huwelijk, of die verliefd werden. Het was een vat vol emoties en psychologie dat je normaal niet te zien krijgt. Ik werkte daar graag, maar tien jaar was lang genoeg. Een vaste, veilige baan opzeggen: geen slechte beslissing voor iemand die zich als een steen omschrijft. Donner: Het was misschien wel mijn minst stenige beslissing. Ik vond het eng, ik trok mijn vangnet weg, maar ik wist ook: als het niet lukt met dat schrijven, kan ik terug. Nou, heeft dat even goed uitgepakt.