Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

'Als de jongste achttien jaar is, keren we terug', zei haar vader altijd tegen haar moeder. Het was een vergezicht dat hem overeind hield, denkt schrijfster Amina Belôrf. Wanneer hij honderden meters diep de mijn indook of zijn handschoenen aan zijn handen vastvroren toen hij in de haven werkte, was er altijd dat lichtpunt. De dag waarop hij zijn gezicht zou warmen aan de zon in zijn geboorteland, in het huis dat hij geërfd had. Haar vader stierf voor die dag was aangebroken. Zij, zijn tweede jongste kind, was twintig. 'Ik ben opgegroeid met een zieke vader. Je kunt je nooit voorbereiden op een overlijden, maar mijn hele jeugd stond in het teken van het ogenblik waarop ik afscheid van hem zou moeten nemen. De dokters hadden hem drie jaar gegeven. Hij heeft nog acht jaar geleefd.' Uw vader had alzheimer? Amina Belôrf: Ja. Het begon met kleine gaten in zijn geheugen. Hij had zo zijn vaste routines. Hij wandelde veel, deed de boodschappen. Plots vertrok hij van huis zonder sleutels en werd hij boos omdat hij dacht dat wij ze hadden weggenomen. Of hij stond in de winkel en wilde met Belgische franken in plaats van met euro's betalen. De caissière weigerde zijn geld, waarop hij weigerde te vertrekken tot ze dat geld had aangenomen. Mijn broer is toen tussenbeide gekomen. Zo deden we het. Hij belandde in voor hem onbegrijpelijke situaties, en wij probeerden hem te redden. Het moeilijkste moment was toen hij verloren liep in de stad en de weg naar huis niet terugvond. Daarna wandelde mijn moeder altijd met hem mee, waarop hij haar verbaasd aankeek en vroeg: 'Ben jij hier ook?' Toen we de diagnose van alzheimer kregen, zei de dokter: 'Het is een aftakelingsproces.' We konden enkel de aftakeling afremmen. En dat hebben jullie met alle mogelijke warmte en liefde gedaan?Belôrf: Hij heeft al die jaren bij ons gewoond. Mijn moeder waakte erover dat hij at, bewoog. Als zijn hand te veel bibberde om te eten, hielpen we hem. Soms moest hij worden opgenomen. Dan legden we toerbeurten vast om bij hem te zijn, zodat hij nooit alleen was. In het ziekenhuis heb ik veel eenzame oude mensen gezien. Ze kregen hun eten voorgeschoteld, waren amper in staat om zichzelf te voeden omdat hun handen te veel trilden, en toch werd hun dienblad weggehaald nog voor ze klaar waren. Niemand had tijd om even bij hen te gaan zitten en hen te helpen. Door zulke kleine voorbeelden ben ik gaan beseffen hoe iedereen in de zorg voortdurend op zijn tandvlees loopt. Iets simpels zoals helpen bij het eten is niet meer mogelijk. Op welke manier heeft opgroeien met een zieke vader u als kind en puber getekend? Belôrf: De kloof die ik voelde met leeftijdsgenoten werd er alleen groter door. Alles bij ons thuis was anders, ook voordat mijn vader ziek werd. We hadden het niet breed en dat zag je aan ons. We droegen tweedehandskleren, mijn schoolgerei was een erfstuk van mijn broers en zussen. Tot mijn dertiende heb ik nooit een vriend of vriendin gehad. Ik vroeg aan de juf of ik tijdens de speeltijd kon helpen, om toch maar niet alleen op de speelplaats te staan. De ziekte van mijn vader maakte het verschil tussen mij en de rest van de wereld nog tastbaarder. Mijn puberteit was een les in leren loslaten, leren accepteren. Het was dat of doodongelukkig zijn. Ik voelde me niet gezien, niet gehoord, en het leek alsof ik geen recht van spreken had. Door zo jong geconfronteerd te worden met hoe destructief het leven is, besef je noodgedwongen dat de zaken niet altijd lopen zoals je hoopt of wilt. Het is een besef dat heel traag doorsijpelt. Als puber ben je niet klaar voor zo veel onthechte wijsheid. Mijn eerste reactie was om zo veel mogelijk zelf onder controle te houden. Hoe uitte zich dat?Belôrf: Door me heel erg op mijn studie te storten, door te willen excelleren en door zo zelfkritisch te zijn dat het veranderde in faalangst. Ik heb mijn vierde jaar middelbaar overgezeten omdat het zo slecht met me ging. Ik kon niet meer studeren, niets meer onthouden. Daar was al bij al weinig begrip voor. Ik wist dat ik de richting aankon, humane wetenschappen waren me op het lijf geschreven. Toch kreeg ik te horen dat het misschien te hoog gegrepen was. Natuurlijk begin je dan aan jezelf te twijfelen. Mijn zelfbeeld was al laag en het kreeg weer een knauw. Maar het stuwde me ook vooruit. Ik moest en zou bewijzen dat ik wel iets in mijn mars had. Schrijven was het enige wat me houvast bood. Ik schrijf al zo lang als ik me kan herinneren. Soms denk ik dat die drang me in leven heeft gehouden. Op mijn zestiende heb ik een gedicht van Leonard Nolens gelezen, waarvan één zin me altijd is bijgebleven. 'Maak van je pijn een stok om op te staan, een oog om te gaan zien.' Schrijven is voor mij een manier om open te blijven, me niet af te sluiten en me niet onzichtbaar te maken. Uw eerste dichtbundel, Zonder het licht te breken, verscheen in maart 2020, toen we in lockdown zaten. Omdat u niet kon optreden, stuurde u hem zelf rond met persoonlijke boodschappen, waarna u stapels brieven met dankbetuigingen en aangrijpende getuigenissen terugkreeg. Mensen putten hoop uit uw woorden en uit de demonen en worstelingen die u opvoert. Leren mensen kwetsbaar te zijn als iemand anders het hen voordoet? Belôrf:Ik heb mijn leven lang te horen gekregen dat ik niet zwak mocht overkomen, niet mocht morren, niet mocht blijven hangen in moeilijke situaties. Dat heb ik nooit kunnen aanvaarden. Ik voelde de uitputting die dat met zich meebracht. Ik heb wel lang gedacht dat de wereld een kille en koude plek was, die gewoon doordraaide als je een geliefde verloor, die je aanspoorde om je rug te rechten als je dreigde in te storten. Door me open te stellen, heb ik gelijkgestemde zielen ontdekt. Dat is een bijzondere ervaring. Is de druk om door te gaan bij verlies te groot? Hebben we te weinig geduld met rouw en verdriet?Belôrf:Mijn leven is lange tijd bepaald geweest door de dood. Een jaar na de dood van mijn vader stapte mijn beste vriendin uit het leven. Dat moet verschrikkelijk zijn. Belôrf:Dat was het ook. Als geliefden sterven, sterft een deel van jou met hen. Ze was mijn zielsverwante, we deelden een liefde voor taal en poëzie. Maar leven was moeilijk voor haar. Ze was 28 en had niets anders gekend dan van het ene ziekenhuis in het andere belanden. Ze is blijven vechten voor een ietwat leefbaar leven. Haar dood was moeilijk te aanvaarden. Het leek alsof we een afspraak hadden, dat we ondanks alle pijn die we voelden nooit die stap zouden zetten. Ik ben de laatste naar wie ze een berichtje heeft gestuurd. Toen het pas gebeurd was, voelde ik vooral boosheid en verdriet. Ondertussen heb ik dat kunnen ombuigen naar een gevoel van dankbaarheid. Ik ben blij dat ik haar gekend heb. Maar de pijn? Nee, die verdwijnt niet. Heelt de tijd niet alle wonden? Belôrf:Sorry, maar ik vind dat onzin. Tijd verzacht misschien, maakt de randen minder scherp, het verdriet minder rauw. Maar helen? Nee. Dat is wat ik nog altijd leer te accepteren. Dat rouw een deel van mij is. Ik word nog overvallen door momenten van gemis om wat was. Ik kan zo verlangen naar volledige windstilte in mijn hoofd. Soms zou ik willen dat ik wat oppervlakkiger was, maar het is me niet gegeven. Al heb ik er wel tegen gevochten. Ik wilde niet die persoon zijn die voortdurend rouwt. Ik wilde vooruit, normaal zijn. Ik rustte nooit. Het was alsof ik elk moment van de dag moest vullen met nuttig zijn. Twee dagen na het overlijden van Ornella, mijn vriendin, zat ik alweer in de les. Ik moest verder, mijn diploma halen. Dat is gelukt. Ik ben beginnen te werken. Ook dat is gelukt. Maar ik heb er wel een prijs voor betaald. Als je zo veel jaren overcompenseert, dan verlies je op een bepaald moment alle energie. Je loopt leeg. Het klinkt alsof u heel lang in uw hoofd leefde en daarbij vergat dat u een lichaam had?Belôrf:Mijn lichaam en geest waren totaal niet met elkaar verbonden. Als ik me slecht voelde, at ik slecht. Op een of andere manier botste ik overal tegenaan, alsof dat lichaam me totaal niet interesseerde. Ik leefde met een soort onverschilligheid. Als de dood zo dichtbij gekomen is, is het niet abnormaal dat je het leven ter discussie stelt. Tegelijkertijd stortte ik me op mijn job als sociaal werker. Niets van wat men vroeg, was te veel. Ik deed het allemaal. Tot mijn leidinggevende aangaf dat het hoog tijd was om voor mezelf te zorgen. Ze zag dat ik op mijn reserves aan het teren was. Officieel had ik een burn-out, maar eigenlijk was het een existentiële depressie. Waren er nog momenten waarop u kon herstellen? Sliep u nog?Belôrf: Ik sliep steeds slechter. Ook dat is begonnen na de dood van mijn vader. En toen Ornella stierf, heb ik zeker een week niet geslapen. Ik heb zwarte gaten in mijn geheugen van vermoeidheid. Uiteindelijk heeft een dokter slaapmedicatie voorgeschreven. Voor uitzonderlijke gevallen, zei hij. Ik hoor zijn waarschuwing nog. 'Het is zeer verslavend.' Als je met zo veel zwaarte zit, als je er enkel naar verlangt te vergeten, te slapen en vooral niet meer te voelen, dan is de verleiding heel groot om dat te verdoven met een pil. Ik nam ze vaker in dan goed voor me was. Een slaappil zorgt niet voor echte slaap. Het is een geconstrueerde slaap, waardoor je lichaam niet echt tot rust komt. Ik heb lange tijd niet kunnen slapen zonder medicatie. Gelukkig is dat nu anders. Uw werkgever stuurde u op ziekteverlof. Hebt u in die periode moeten leren om voor uzelf, uw geest en uw lichaam te zorgen?Belôrf:Ja, en het was een harde les. Ik dacht: prima, even de batterijen opladen en ik kan er weer tegenaan. Dat is ondertussen zes jaar geleden. Stilaan weet ik: het gaat niet over mezelf snel oplappen, het gaat over een andere manier van leven die ik mezelf moet aanleren. Op welke manier? Belôrf: Ik kan mijn lichaam niet langer beschouwen als een aanhangsel. Ik dacht dat ik tijd nodig had om mijn hoofd leeg te maken, maar plots pruttelde mijn lichaam op alle mogelijke manieren tegen. Ik had een vitaminetekort, mijn nieren faalden, ik was zo moe dat ik amper de trap op kon. Het inzicht rijpte dat je geest en lichaam niet van elkaar los kunt koppelen. Zolang ik bleef sukkelen met mijn lichaam, zou ik in mijn hoofd geen ruimte vinden om te doen wat ik graag deed. En dat was nog altijd schrijven en optreden. Dat heeft me wakker geschud. Ik begon te beseffen dat ik mijn hele wezen, mijn grootste passie, kapot aan het maken was door mijn lichaam niet de ruimte te geven die het verdiende. Hoe gaat het ondertussen met u? Waar staat u in uw herstel?Belôrf:Ik kan geluk ervaren en dat is een grote stap. Ik kan accepteren dat dit het leven is en ik ben er niet langer bang voor om te weten dat ik altijd dagen zal hebben waarop ik niet wakker wil worden. Het verschil met vroeger is dat, wanneer ik nu opsta met dat gevoel, ik er niet naar handel. Ik ga naar buiten, ik wandel naar een koffiebar om daar te schrijven, ik kom onder de mensen. Ik moet mezelf alert houden, onder de levenden blijven, want er is die neiging om me op mezelf terug te plooien en af te sluiten. Ik noem het oefenen in het leven. Helpt schrijven ook om de doden in leven te houden? Of om de gaten die in het geheugen van uw vader vielen te vullen en zo zijn herinneringen te laten voortbestaan? Belôrf:Sinds ik met ziekteverlof ben, woon ik opnieuw bij mijn moeder. Zij wordt soms gek van mijn vragen over vroeger. Ik vind het belangrijk om mensen die zo lang geen stem hebben gehad een verhaal en een gezicht te geven. Het huis in Marokko is nu een groot huis geworden. Een soort bedevaartsoord ook. Mijn vader is daar begraven en om de zoveel tijd organiseert mijn moeder er een sadaka, een koffietafel om de doden te eren en te herdenken. Mijn vader is geboren in 1932. Er zijn nog mensen in leven die hem gekend hebben. Ik wil hen allemaal nog spreken. Maar ik moet me haasten. Deze keer wilt u de dood voor zijn? Belôrf: Ja, ik wil de verhalen verzamelen voor het te laat is. Ooit vertelde mijn oudere broer me waar onze achternaam vandaan kwam. Tijdens de Franse kolonisatie kregen mensen een familienaam op basis van hun functie in het dorp. Belôrf is een afgeleide van olhorf, wat 'de wetende' of 'de wijze' betekent. In het dorp waren mijn voorvaderen degenen naar wie mensen kwamen om conflicten te beslechten. Ook mijn vader werd zo gezien, als de wijze. Ik groeide op met ouders die amper iets te betekenen hadden voor de buitenwereld. Mijn vader was hier om te werken, mijn moeder om voor hem en voor ons te zorgen. In Marokko gingen mijn ogen open. Iedereen daar kende mijn vader. Zelfs jaren na zijn dood vragen mensen naar hem. Hij was er iemand en dat heeft mij geholpen om iemand te worden, om trots te durven zijn op mezelf. Tot slot: u bent ook klimaatdichter. Volgens de Amerikaanse auteur Richard Powers zullen mensen pas in actie komen voor hun omgeving als ze geraakt worden door kunst en verhalen. Belôrf: Ik heb lange tijd gedacht dat klimaat niet mijn thema was. Het leek alsof ik al genoeg aan mijn hoofd had. Maar dat klopt niet helemaal. Alles hangt met elkaar samen. Iemand die zorgt voor zijn omgeving, voor de planten en de dieren, zal niet snel schouderophalend door het leven gaan. De zorg voor de plek waar je woont, bepaalt de zorg voor onszelf en onze medemens, maar ook je zelfbeeld. Als je op een vervuilde, ongezonde plaats woont met weinig groen, dan voel je jezelf ook overbodig. We zijn deel van onze omgeving. Als ik nu door mijn wijk loop, raap ik het vuil op. Het is echt niet zo moeilijk om de wereld om je heen wat mooier te maken.