Het was een start vol tumult voor de nieuwe minister-president/minister van Cultuur Jan Jambon (N-VA). De tekst van het regeerakkoord was nog niet droog, een aantal besparingen amper aangekondigd, of de cultuursector deed iets waartoe hij niet meer in staat werd geacht: collectief op straat komen. Bovendien deden de kunstenaars dat met een koppigheid en een vasthoudendheid waaraan veel professionele ABVV- of ACV-vakbondslui een puntje kunnen zuigen. Al in de herfst stonden ze massaal te betogen: voor het kabinet-Jambon op het Martelarenplein in Brussel, maar ook op de vele podia die Vlaanderen rijk is, van de Arenbergschouwburg in Antwerpen tot de bühne van provinciale cultuurcentra in Blankenberge of Heist-op-den-Berg.
...

Het was een start vol tumult voor de nieuwe minister-president/minister van Cultuur Jan Jambon (N-VA). De tekst van het regeerakkoord was nog niet droog, een aantal besparingen amper aangekondigd, of de cultuursector deed iets waartoe hij niet meer in staat werd geacht: collectief op straat komen. Bovendien deden de kunstenaars dat met een koppigheid en een vasthoudendheid waaraan veel professionele ABVV- of ACV-vakbondslui een puntje kunnen zuigen. Al in de herfst stonden ze massaal te betogen: voor het kabinet-Jambon op het Martelarenplein in Brussel, maar ook op de vele podia die Vlaanderen rijk is, van de Arenbergschouwburg in Antwerpen tot de bühne van provinciale cultuurcentra in Blankenberge of Heist-op-den-Berg.Een even bont als breed front van schrijvers, beeldend kunstenaars, muzikanten, dansers, acteurs, kunststudenten en zelfs reclamevolk geeft sinds de herfst van 2019 uiting aan zijn ongenoegen op sociale media, in open brieven en ingezonden stukken, op straat, op podia en natuurlijk op tv. Mikpunt van hun protest: het cultuurbeleid van de nieuwe Vlaamse regering. Nochtans moet je ver teruggaan in de tijd om nog een Vlaams regeerakkoord te vinden dat zó veel aandacht had voor cultuur. De politieke vertaling daarvan is dat voor het eerst de minister-president ook minister van Cultuur is. Daar begint het misverstand. Zeker voor de N-VA onderstreept dit engagement van Jambon het politieke gewicht dat deze Vlaamse regering aan cultuur hecht. Maar voor de cultuursector is het een teken aan de wand dat er voor het eerst geen voltijdse minister van Cultuur is, en dus geen volwaardige belangenbehartiger van de sector. Dan moest de persoonlijke aanval op Jan Jambon nog komen. Eerst werd hij uitgejouwd tijdens de uitreiking van de Mia's. Ook al vonden lang niet alle aanwezigen dat boegeroep even chic, laat staan nuttig, het werd nog erger. Uitgerekend op de uitreiking van de Ultimas, de officiële cultuurprijzen van de Vlaamse Gemeenschap, regende het afzeggingen van prominent cultuurvolk. Ook Luc Tuymans, die de Ultima voor Algemene Culturele Verdienste zou ontvangen, stuurde zijn kat. Toen moesten de tomaten nog geworpen worden. En weerklonk de kreet 'fascist!'. Fascist: het was ernstig bedoeld. En dat alleen omdat in het cultuurbudget de hakbijl was gezet in de projectsubsidies? Nee natuurlijk - hoe vitaal dat geld ook is voor beginnende kunstenaars. Het wijst erop dat een deel van de cultuursector de indruk heeft dat deze besparingsronde nog maar het prille begin is van een existentieel gevecht: zij tegen ons. Hoezeer de Vlaamse regering deze besparingsronde ook met zakelijke of beleidsmatige argumenten verantwoordt - 'alle sectoren moeten geld inleveren om meer te kunnen investeren in het onderwijs en voor het wegwerken van de wachtlijsten in de zorg' - het doet er niet toe. Naast de inleveringen voor cultuur in enge zin heeft deze Vlaamse regering duidelijk gemaakt dat er minder marge zal zijn, financieel én inhoudelijk, voor de VRT en voor het sociaal-culturele middenveld. De N-VA heeft zwaar gewogen op de inhoud en zelfs de letter van het Vlaamse regeerakkoord. In eigen rangen was er bij afloop van de Vlaamse regeringsvorming zelfs enige euforie omdat de onderhandelaars (toch op papier) durfden door te duwen wat bij de vorming van de regering-Bourgeois in 2014 nog niet echt de ambitie was: een regeerakkoord dat de Vlaamse samenleving in een identitair-conservatieve richting stuurt. In die optiek was het cultuurministerschap voor Jan Jambon méér dan een ijdel lintje voor een man die in zijn vrije tijd graag naar de opera gaat. Het was een publiek signaal dat het deze Vlaamse regering menens is om uit te voeren wat op papier was gezet. N-VA-voorzitter Bart De Wever had tijdens de verkiezingscampagne al de voorzet gegeven in zijn boek Over Identiteit. Daarin wordt omstandig gepleit voor een leitkultur - hoewel cultuur (in de betekenis van 'de kunsten') helemaal níét aan bod komt. Het versterkt het idee dat cultuur, in enge zin, vooral gezien wordt als een uitvloeisel van de brede maatschappelijke cultuur, een middel om het Vlaanderen zoals de N-VA dat ziet op de Europese kaart te zetten. Zoals Luc Tuymans het niet zo lang geleden verwoordde: 'In de rechtse hoek wapent men zich voor een echte kulturkampf.' In 2011 al legde hij in De Standaard uit wat hij daarmee bedoelde: 'Het is wel oorlog, heren.' Een strijd, volgens Tuymans, tussen rechts en, welja, 'links' als breed verzamelbegrip van theaterliefhebbers, boekenmensen, festival- en museumbezoekers, muzikanten, schilders, kunstenaars allerhande. Een strijd tegen mensen die op sociale media gemakshalve worden weggezet als 'culturo's' - dat zijn per tweet minder leestekens dan 'cultuurmarxisten', maar het komt daar wel op neer. Als cultuurliefhebbers ineens in groep 'links' zouden zijn - quod non - dan is dat ook omdat de rechterzijde hen zo neerzet. Historisch gezien is het flauwekul om cultuur te verengen tot een 'links' project. Alsof kunst van nature subversief zou zijn, of per definitie tegen het establishment gericht. Eeuwenlang stonden de schone kunsten in dienst van de macht. De hooggeprezen tentoonstelling rond Jan Van Eyck in het Gentse MSK is er het zichtbare bewijs van. De beste en bekendste kunstenaars behoorden zelf tot de elite en leefden in grote, zo niet opzichtige welstand. Of denkt men dat elke zeventiende-eeuwse Antwerpenaar zich een Rubenshuis kon veroorloven? Ze verdienden dat geld omdat ze met hun kunst de bestaande orde verheerlijkten en zo de positie van de machthebbers nog meer versterkten. Hun kunst diende om de werkelijkheid te verdoezelen en verdraaien. Letterlijk. Toen Sophia, keurvorstin van Hannover, in 1641 de Engelse koningin Maria Henriëtte Stuart ontmoette, schreef ze naar huis: 'Het prachtige portret dat (de in Antwerpen geboren schilder Anthony, nvdr) Van Dyck had gemaakt, had mij zo'n verheven idee gebracht van de schoonheid van de Engelse vrouw dat ik stomverbaasd was toen ik zag dat de koningin, die geschilderd zo knap leek, in werkelijkheid een kleine vrouw was met lange knokige armen en met tanden die als een verdedigingsgordel uit haar mond staken.' Pas in de volgende eeuwen zouden de functie en het (zelf)beeld van de kunstenaar veranderen, beetje bij beetje, via het humanisme, de verlichting, de moderniteit, het marxisme of het individualisme - en het houdt niet op. Niet alleen de positie van de kunstenaar of de inhoud van zijn werk, maar ook de vorm werd voorwerp van debat, van tegenspraak en zelfs van vervolging. Als jonge schilder werd Marc Chagall (1887-1985), door de bolsjewieken omarmd als een exponent van de modernistische avant-garde, 'de esthetische arm van de revolutie'. Geen vijf jaar na de machtsgreep van de Sovjets kwam Chagall al in de problemen: zijn kunst week af van de officiële Sovjetstijl - het (geometrische) 'suprematisme' van Kazimir Malevitsj - en werd afgedaan als een typische uiting van 'bourgeois-individualisme'. In het veel rijkere Westen begonnen na de Eerste (en zeker na de Tweede) Wereldoorlog de verhoudingen omgekeerd te liggen. Met name het linkse gedachtegoed oefende een merkwaardige aantrekkingskracht uit op talloze kunstenaars. In Frankrijk sloot de uitgeweken Spaanse kunstenaar Pablo Picasso zich al in 1944 aan bij de Parti Communiste. Hoewel er in de loop der jaren een verwijdering optrad tussen Picasso en de partijtop bleef hij zijn lidkaart behouden tot zijn dood in 1973. Picasso verantwoordde zich voor zijn keuze in een manifest: Waarom ik communist werd. Daarin schreef hij: 'Mijn toetreding tot de Communistische Partij is een logische stap, ze geeft zin aan mijn leven en mijn werk. Door vorm en kleur heb ik geprobeerd om dieper begrip en kennis te krijgen van de wereld en van de mens. Maar in tijden van bezetting en verzet vond ik dat dit niet volstond. Ik ben dus een communist geworden omdat onze partij, meer dan alle andere, ernaar streeft om deze wereld te leren kennen en op te bouwen, zodat de mensen helderder kunnen denken, vrijer en gelukkiger.' Het doet vreemd aan: een lofzang van de bekendste schilder van zijn tijd op het communisme omdat die ideologie de belofte in zich droeg van meer menselijkheid en vrijheid. Picasso was natuurlijk niet de enige vooraanstaande kunstenaar of intellectueel die zich tot het communisme bekende, of op z'n minst tot het socialisme. De filosoof Jean-Paul Sartre en de schrijver Louis Aragon waren twee andere culturele uithangborden van de Parti Communiste. In eigen land trad de surrealistische kunstenaar René Magritte in 1945 toe tot de Kommunistische Partij van België (KPB). Natuurlijk waren er ook kunstenaars met een fascinatie voor rechts. Hoe excentriek hij ook was, Salvador Dali liet zich decennialang fêteren door het fascistoïde regime van de Spaanse dictator Franco. De Amerikaanse schrijver Ezra Pound viel voor Benito Mussolini - hij hield er een internering van meer dan tien jaar aan over. Na de Tweede Wereldoorlog kozen in eigen land zowel de wereldvermaarde architect Henry Van de Velde als Albert Servaes, een van de bekendste schilders van de Latemse School, voor een vrijwillige ballingschap in Zwitserland - wegens vermeende collaboratie (Van de Velde) en/of openlijke sympathieën met de kunstpolitiek van de nazi's (Servaes). Geen enkele politieke stroming kan een claim leggen op 'de' wereld van kunst en cultuur. Maar de blijvende invloed van het linkse gedachtegoed was meer dan een tijdgebonden modegril. Zo zorgde Fidel Castro's revolutionaire machtsovername in Cuba vanaf 1960 voor wereldwijd artistiek enthousiasme. Alberto Korda's iconische foto van Che Guevara droeg bij tot de 'revolutionaire' tijdgeest en het sexappeal van radicaal-links. Samen met onder meer Harry Mulisch maakte Hugo Claus twee 'solidariteitsreizen' naar Cuba, zij het 'gekleed in het licht pak der Amerikanen'. Claus hield er ook geen proletarische levensstijl opna. In 1963 weigerde hij de prijs van het Referendum der Vlaamse Letterkunde voor zijn roman De verwondering 'omdat er geen bedrag aan verbonden is'. Die houding zou hij zijn hele leven volhouden. Nog in 1999 verklaarde Claus bij de uitreiking van de driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor de bekroning van zijn schrijversloopbaan: 'Voortaan aanvaard ik alleen nog prijzen die meer voorstellen dan het maandloon van een ongeschoold minister.' Desalniettemin was Claus een icoon van het postkatholieke Vlaanderen, van een generatie die zich had losgemaakt van de moraliteit van een voorbije tijd. Dat paste in een mentaliteitsomslag waarbij kunstenaars en intellectuelen vanaf de jaren vijftig het haast als hun bestaansreden zagen om de macht uit te dagen, of minstens ter discussie te stellen. In Past Imperfect (1992), een indringend essay over de naoorlogse Franse intellectuelen, beschreef wijlen Tony Judt hoe dat groeide. Een schrijver als Jean-Paul Sartre vond van zichzelf dat hij leefde in een permanente staat van 'verraad': door zich met het volk te verbinden, verraadt de intellectueel zijn eigen elitaire klasse. Tegelijk wint zijn leven en zijn werk ook aan authenticiteit. Daarom is het uitgesloten dat de links geworden intellectueel ooit nog zoete broodjes zou bakken met de macht: dan zou hij een 'collaborateur' worden. Dergelijke 'lafaards' zagen zich uitgesloten door de progressieve weldenkenden. Het is niet uitgesloten dat een soortgelijk zelfbeeld en groepsgevoel - kunstenaars en intellectuelen als een 'artistieke voorhoede' - meespelen in het Vlaamse cultuurconflict. Er valt wat voor te zeggen dat Luc Tuymans een hedendaagse Rubens is, een welgesteld zakenman die voor zijn schilderijen zowat kan vragen wat hij wil. Tegelijk is Tuymans niet te beroerd om tegen het establishment aan te stampen. Zijn (peperdure) schilderijen bevatten kritische verwijzingen naar het kolonialisme, het Vlaams-nationalisme en de concentratiekampen. Ook zijn verzet tegen Jan Jambon komt niet uit de lucht vallen. Tegen de Nederlandse krant NRC verklaarde hij in 2012 dat 'moderne kunst' voor de N-VA evengoed 'weg kan, er is toch niemand die dat snapt'. Voormalig minister-president Geert Bourgeois zei nog dat hij het werk van Tom Lanoye en Luc Tuymans bewondert, 'ook al verafschuwen zij mijn politieke gedachtegoed'. Sindsdien geven steeds meer N-VA'ers openlijk blijk van hun dedain voor 'moderne kunsten'. Een nochtans gecultiveerd man als Peter De Roover, N-VA-fractieleider in de Kamer, kon het niet laten om op te merken: 'Ik denk dat de voorbije jaren het gegeven dat kunst schoonheid is, te veel is vergeten. We hadden vroeger kunstenaars die een beter oog voor schoonheid hadden.' Een andere N-VA'er, Kamerlid Tomas Roggeman, drukte het nog sterker uit: 'Welke Vlaamse beeldende kunstenaar creëerde de voorbije decennia stukken die de oude meesters kunnen evenaren in schoonheid of technische vaardigheid? Wie van hen zal de kunstgeschiedenis ingaan en door komende generaties geroemd worden?' Zou hij echt menen dat er sinds 'de oude meesters' in dit land geen schilderkunst van wereldniveau werd geproduceerd? Als dat zo is, dan zijn wij een volk in regressie met een cultuur in verval. Zou Roggeman James Ensor kennen? Rik Wouters? Kan hij Théo Van Rysselberghe en Emile Claus naar waarde schatten? Zou hij weten dat Félicien Rops en Pierre Alechinsky landgenoten zijn? Behoren de imposante muurschilderingen in het casino van Knokke eigenlijk tot de Vlaamse cultuur, al gaat het om werken van de Franstalige Brusselaar René Magritte? En waarom dwepen zo veel Vlaamse ondernemers met de Latemse school, en tellen ze veel geld neer voor Constant Permeke, Valerius De Saedeleer of Frits Van den Berghe? De cultuursector voelt dat onuitgesproken gebrek aan appreciatie vanwege de N-VA messcherp aan, en de linkse oppositie laat natuurlijk niet na hen voluit te steunen. Al evolueert ook dat. Toen Louis Tobback (SP.A) nog burgemeester van Leuven was, liet hij zich ooit ontvallen: 'Over wat kunst is, kan men eindeloos discussiëren. Vorig jaar had in de Kruidtuin iemand een streep in het gras getrokken, en het scheelde niet veel of hij werd bekroond.' Maar over het algemeen komt de liefde van twee kanten. Ook dat bleek op de uitreiking van de Ultimas. De 73-jarige Walter Swennen, de laureaat van de Ultima voor Beeldende Kunst, was om gezondheidsredenen afwezig. Hij liet een mededeling voorlezen. Eerst had hij overwogen om de prijs te weigeren, klonk het. 'Welke kunstenaar wenst of aanvaardt zijn naam verbonden te zien met de communicatie van de macht en de canonieke idee van cultuur die daardoor wordt uitgedragen?' Maar Swennen bedacht zich: 'Mijn tweede gedachte was: 10.000 knotsen zijn toch 10.000 knotsen.' Waarop hij als een oude Vlaamse Picasso aankondigde hij het bedrag wegschonk aan de communisten van de PVDA-PTB, 'een partij die ijvert voor het welzijn van ons allemaal en niet meedoet aan het opdelen van de gemeenschappen'. De strijd tussen rechts en links eindigt natuurlijk nooit. En nog altijd kiezen kunstenaars kant.