Bijdragen over regionalisme beginnen doorgaans met weeklachten over de uniformiteit die onze geglobaliseerde wereld kenmerkt. Overal hetzelfde winstbejag. Dezelfde producten. Dezelfde hotels ook. In de jaren negentig hield ik geregeld lezingen in een of ander Sheraton Hotel. De conference rooms lagen altijd in de kelder, beschikten over geen enkel raam, de lage plafonds vielen op je hoofd en de stoelen met ovale omranding waren overal dezelfde. Zouden ze nog bestaan, die stoelen? Ik zocht het op, en ja hoor, in het Kansas City Airport Hotel. Bordeaux bekleding, goudkleurige randen. Meteen begon ik ze mooier te vinden. Hun verbondenheid met een vorig tijdperk geeft de stoelen een glans die vroeger ontbrak.
...

Bijdragen over regionalisme beginnen doorgaans met weeklachten over de uniformiteit die onze geglobaliseerde wereld kenmerkt. Overal hetzelfde winstbejag. Dezelfde producten. Dezelfde hotels ook. In de jaren negentig hield ik geregeld lezingen in een of ander Sheraton Hotel. De conference rooms lagen altijd in de kelder, beschikten over geen enkel raam, de lage plafonds vielen op je hoofd en de stoelen met ovale omranding waren overal dezelfde. Zouden ze nog bestaan, die stoelen? Ik zocht het op, en ja hoor, in het Kansas City Airport Hotel. Bordeaux bekleding, goudkleurige randen. Meteen begon ik ze mooier te vinden. Hun verbondenheid met een vorig tijdperk geeft de stoelen een glans die vroeger ontbrak. De kritiek op de al te gladde globalisering is natuurlijk terecht. Mensen verzetten zich ertegen door streekproducten aan te bieden en ijverig dialect te spreken. Toch zit het probleem dieper. De boosdoener is niet enkel de economie, maar meer nog de dominantie van een schijnbaar volkomen rationeel, overal ter wereld geldend, gedachtegoed. Andersdenkenden lijken geen denkenden meer, maar mensen die op een dwaalspoor zijn beland. Wetenschap wordt steeds vaker met werkelijkheid verward. Almaar luider klinkt de roep om meer technocratie. Laat experts de grote maatschappelijke beslissingen nemen, klinkt het, hun redelijkheid maakt hen immuun voor populistische keuzes. Ondertussen leiden onmisbare documenten, zoals internationale mensenrechtenverklaringen, op een verrassende manier tot identitaire groepsdwang en uniform denken. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt dat de rechten en vrijheden voor iedereen gelden, zonder enig onderscheid, op basis van ras en geslacht bijvoorbeeld. Je zou verwachten dat die waarschuwing tot een minutieuze beveiliging van het gelijkheidsbeginsel leidt, waarbij de rechten van ieder individu centraal staan, maar neen, het tegendeel gebeurt. Juist rondom ras en geslacht, die in principe niet tot ongelijkheid mogen leiden, verenigen mensen zich om hun groep te versterken. Het dwingt van de weeromstuit wie niet tot de groep hoort, van een andere deel uit te maken. Tegen wil en dank. Dat schept vervreemding. Het is niet omdat vrouwen zich zusters voelen, dat mannen elkaars broeders moeten zijn. Mannelijke camaraderie zei mij nooit wat. Met seksegenoten de wederwaardigheden van het man-zijn analyseren? Help! En toch dwingt vrouwelijke solidariteit een man een man te zijn. Idem dito voor rassenbelangen. Mijn hele leven al doceer ik aan een faculteit met negentig procent buitenlandse studenten uit de vijf continenten. Allemaal toekomstige kerkjuristen. Ik voel mij dichter bij hen dan bij seculiere blanke stedelingen met een diep kosmisch besef, een bakfiets en een voorbeeldige levenswandel. Maar als het ras de breuklijn vormt, kan dat plotseling veel minder. Samengevat, onze particuliere identiteit krijgt het hard te verduren. De geglobaliseerde economie bevordert uniformiteit. Dat doet ook het monopolie van de rede. En het non-discriminatiebeginsel sluit mensen op in een categorie waarin ze zich soms niet thuis voelen, die van vrouw of allochtoon bijvoorbeeld. Of die van blanke man. De aldus ontstane vervreemding voedt een verlangen naar het specifieke. Die hunkering - waarvan regionalisme één, maar niet de enige uiting is - verzet zich tegen het onredelijke wat de ratio ons belooft: de illusie van de maakbare mens, de gedachte dat ethische vooruitgang mogelijk is. Particularisme daarentegen honoreert ieders streven naar een heel eigen, herkenbare plek in de wereld, waar hij aan het monopolie van de rede en aan onverbiddelijke syllogismen kan ontsnappen. Mensen willen niet opgesloten worden in de groep waartoe zij vanuit een theoretisch oogpunt behoren. Wanneer een groot wetenschapper van rond de vijftig elke nacht slaapt met de troetelbeer uit zijn kindertijd, wordt hij geen mindere wetenschapper maar een dierbaarder mens. Voor mij althans, want in de ogen van sommigen dient de wetenschapper ook wetenschappelijk, waarmee impliciet wordt bedoeld rationeel, te leven, wat de positie van de troetelbeer danig in het gedrang brengt. Toch hebben ook heel slimme mensen die nodig, willen ze niet aan de drank raken. Een volstrekt redelijk leven is geen leven. Terwijl we er angstaanjagend dichtbij komen. Laten we eerst even kijken wat iemand vandaag moet doen om maatschappelijke waardering te oogsten. Op intellectueel vlak richt hij zich op de veralgemeenbaarheid van het denken als ideaal. Dat betekent meer wiskunde dan filosofie gecombineerd met een eerder onverbiddelijke moraal: als voorbeeldig leven mogelijk is, waarom zouden we dan barmhartig zijn tegenover wie daarin zwakheden vertoont? Economisch kleeft hij het geloof in de vrije handel aan. Die leidt niet enkel tot een optimalisering van de productie, maar ook van de behoeften. De minderheid neemt de smaak en levensstijl over van de meerderheid. Overal dezelfde stoelen in elke Sheraton. Ze zijn het best zo sober mogelijk, want elk artistiek detail kan de universaliseerbaarheid in het gedrang brengen. Het is geen toeval dat minimalistische architectuur in onze tijd erg populair is. Zij laat geen ruimte voor individuele wansmaak. Hoewel die juist heel hard nodig blijft. Mijn punt is immers dat een mens rigide logica niet aankan, er finaal aan ten onder gaat. Om rationeel te blijven denken, heeft een mens ruimte nodig voor onredelijkheid en aangename onzin, die hem zuurstof geven om op andere momenten met de harde wetten van de rede overweg te kunnen. Dus moet een dubbel monopolie worden doorbroken: dat van de commerciële eenheidsworst en dat van het op pure ratio gebaseerde uniforme denken. De geglobaliseerde economie en het filosofische overwicht van het exclusief redelijke laten mensen nauwelijks ruimte om particuliere en regionale accenten te leggen. Te veel rechtlijnigheid. Te veel ernst. Vreemd genoeg: wat het kapitalisme en het zuiver rationele denken niet kunnen, pakte het christendom op zijn betere momenten - ik ontken natuurlijk niet dat er ook heel wat andere waren - wel goed aan. Dan had het de kracht om de ziel van mensen te redden zonder hun hart te verliezen. Het christendom vond inculturatie perfect acceptabel. Het kreeg vaste voet aan de grond bij de Germanen, niet door hun feestdagen af te schaffen en hun goden te vernederen, maar door ze te kerstenen, waardoor Kerstmis plotseling viel op het moment dat de winter terrein prijsgeeft en de dagen lengen. Belangrijk: wat een feest was, bleef een feest. Zoiets vraagt genoeg zelfvertrouwen dat toelaat de essentie van een geloof te beschermen zonder de culturele aspecten ervan dwingend op te leggen. Wie dat ook probeerde, was Matteo Ricci (1552-1610), jezuïet en missionaris, die het katholicisme verkondigde in China. Hij volgde de leefstijl en etiquette van de geletterde Chinese elite. Nieuwe wetenschappelijke inzichten uit Europa reikte hij aan in een wonderlijke mix met de boodschap van Christus. De verering van voorouders en van Confucius achtte hij verenigbaar met de christelijke leer. Zijn succes bleef beperkt. Maar opvallend is het respect van Ricci tegenover de lokale cultuur en traditie. Daarin was hij beter dan het wilde kapitalisme en de zuiver rationele levensopvatting vandaag. Terwijl het perfect mogelijk moet zijn om de voordelen van globalisering aan respect voor cultuur en traditie te koppelen. Ook mensenrechtencatalogi, met hun universele ambities, zijn niet per se in tegenspraak met lokale gevoeligheden. Zo kent de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de wetgevers van de verschillende lidstaten een margin of appreciation toe bij het begrenzen van mensenrechten om, bijvoorbeeld, de openbare veiligheid of gezondheid te beschermen. Een precieze inschatting daarvan vergt aandacht voor lokale omstandigheden. Een universeel mensenrecht sluit een enigszins specifieke benadering niet uit. Vorig jaar protesteerden mevrouw Suzan Shown Harjo en andere native Americans tegen de Indiaan in het logo van voetbalclub AA Gent. Ook de mascottes - Buffalo Ben en squaw Mel - moesten het ontgelden. Diep kwetsend allemaal, vond de activiste. Terecht? Wat in de Verenigde Staten problematisch kan zijn wegens het historisch onrecht waarvan native Americans het slachtoffer zijn, is in Gent niet veel anders dan volkse folklore. Niemand betwist dat Gentenaars wereldburgers zijn, maar de strijd met Indianen bonden ze nooit aan. Juist het afnemen van het logo, zonder te begrijpen waarom, zou tot gevoelens van vervreemding kunnen leiden. Al is de zaak tegelijk wat dubbel: een voetbalclub die vandaag wordt opgericht zou aarzelen vooraleer ze een enigszins karikaturale beeltenis van een Indiaan in haar logo opneemt.Mensenrechten moeten universeel blijven, lokale detailverschillen mogen het beginsel zelf niet ondergraven. Maar er zijn ook dingen die als universeel worden voorgesteld en het niet zijn. Ze weerspiegelen vooral de macht van de heersende cultuur. Dat is het geval - vreemd genoeg misschien - voor de schijnbaar objectieve wereld van de universitaire rankings. Steevast staan de Britten en de Amerikanen erin op kop. Op hun eentje domineren zij de top 100. Vreemd, want mochten de Amerikanen superieur intelligent zijn, dan hadden ze Donald Trump niet tot president verkozen. En als de Britten intellectueel iedereen zouden overklassen, waren er minder brexiteers. Onder de slimste academici die ik ken, bevinden zich Italianen en Spanjaarden, wier universiteiten volgens de rankings nauwelijks enige kwaliteit bieden. Hoe komt dat? Italianen publiceren weleens een boek, terwijl om in rankings te scoren het beter is korte, gortdroge en stilistisch wankelmoedige artikelen in internationaal gereviewde tijdschriften te schrijven. Toen ik rector van de KU Leuven was, bleek elk jaar weer dat de meeste kandidaten die voor een eredoctoraat werden aanbevolen, uit de Angelsaksische wereld of invloedssfeer kwamen. Ik drong aan op eredoctoraten voor schrijvers als Philippe Claudel en Alessandro Barrico om het moordende monopolie van de heersende cultuur, al was het maar even, te doorbreken. Er zijn momenten dat ik heel erg veel van Frans of Italiaans hou, gewoon om van het eeuwige Engels af te zijn. Hunkering naar regionalisme is niet altijd door politieke motieven ingegeven. Bang dat Catalonië navolging krijgt, ben ik niet. Tja, even wilde Californië zich van Donald Trump afscheiden, maar niet van de Verenigde Staten. Wel zie ik een mooie toekomst voor emotioneel en cultureel regionalisme, omdat het twee essentiële dingen recht doet die in de kieren van het zuiver rationele denken en de globalisering verloren dreigen te gaan: geborgenheid en intelligentie. Geborgenheid betekent dat het ook voor wie zich overal thuis voelt, niet helemaal onverschillig is waar hij zich bevindt of waar hij woont. De plicht om wereldburger te zijn, het hoge aanzien dat zo'n wat protserig begrip geniet, houdt in dat mensen overal ter wereld zoeken naar wat wij met elkaar delen, wat ons verbindt. Terwijl onze liefde voor personen, dieren, dingen, niet is gebaseerd op de gelijkenis maar op het verschil. Inwisselbaarheid leidt tot oppervlakkigheid. Lokale bieren, taarten, augurken en jenevers smaken beter dan de grote merken, ook wanneer ze eigenlijk slechter zijn. Wanneer zij een gebrek vertonen, is het precies dat wat ons raakt. Zelf word ik, als liefhebber van bittere bieren, vaak ontroerd door een lokale tripel die net iets te zoet smaakt. Zou ik niet willen missen. Zoals een kind dat zijn oude, wat afgeleefde knuffel kwijtspeelt, ontroostbaar blijft nadat het een nieuwe heeft gekregen, exact dezelfde, splinternieuw, maar zonder de geliefde gebreken. Kortom, regionalisme schept geborgenheid. Maar het scherpt ook ons verstand, leidt tot meer verfijnde analyses, toch wanneer we de regio niet enkel zien als het middelpunt van ons dagelijks leven, maar ook als het centrum van onze afwezigheden. Je kunt heel ruime gedachten ontwikkelen vanuit een zeer regionale uitvalsbasis. Dan denk ik aan de Franse filosoof Gustave Thibon (1903-2001). Geboren in Saint-Marcel-d'Ardèche en daar overleden. Klinkt minder flashy dan New York. En toch was Thibon een bijzonder originele denker, die het lokale ruimschoots oversteeg. Het tegendeel bestaat ook: een internationale captain of industry die meteen weet hoe de samenlevingsproblemen in Brussel aan te pakken. Zijn oplossing zal altijd de nodige verfijning missen, omdat zij onvoldoende variabelen in rekening brengt.