België heeft een dichter des vaderlands die taal- en cultuurgrenzen overschrijdt. Maar een theoloog met een soortgelijke titel? Moeilijk, moeilijk. God is niet langer populair en niet pluralistisch genoeg. Al zijn er in ons land wellicht meer mensen die belang stellen in God dan dat er gedichten lezen. Beide categorieën mogen groeien, dat vind ik echt.
...

België heeft een dichter des vaderlands die taal- en cultuurgrenzen overschrijdt. Maar een theoloog met een soortgelijke titel? Moeilijk, moeilijk. God is niet langer populair en niet pluralistisch genoeg. Al zijn er in ons land wellicht meer mensen die belang stellen in God dan dat er gedichten lezen. Beide categorieën mogen groeien, dat vind ik echt. Een Theoloog des Vaderlands is best een vrouw. Anders krijgt hij het verwijt een man te zijn. En dat is een slecht begin. Alsof het niet genoeg is dat God zelf worstelt met zijn mannelijkheid, hoewel het wat hem betreft ontbreekt aan doorslaggevende bewijzen. Religieuze leiders zijn wel bijna allemaal mannen. Niet overal waren er, zoals in het evangelische bisdom Lund, Zweden, twee vrouwelijke bisschoppen na elkaar tot het toch weer de beurt was aan een man. Kortom, liefst een vrouw als Theoloog des Vaderlands, anders krijg je geheid gedonder. Maar wat moet zo iemand precies doen om in een religieuze woestijn God zichtbaar te maken? Vijf wenken. Hen cliché, vandaag algemeen verspreid, maar eigenlijk afkomstig van Ludwig Andreas Feuerbach (1804-1872) luidt: niet de mens schiep God, maar God schiep de mens. Geen cafégesprek onder blitse intellectuelen of die dooddoener duikt op. Een mens hoeft niet nuchter te zijn om zich het zinnetje te herinneren. Toch is het te simpel. Zelfs als de mens hevig verlangt naar God, kan het dat God sowieso bestaat, los van elk menselijk verlangen. Wel valt op hoe antropomorf het beeld is dat we van God vaak hebben. Net als van onze huisdieren, die we zelfs romantische gevoelens toedichten. God als supermens, dus. Vooral wie zijn bestaan ontkent, heeft vaak een heel concreet beeld van hem. Typisch is atheïsme gebaseerd op Auschwitz: 'Als God zou bestaan, zou Hij de wreedheid van de Holocaust nooit hebben getolereerd.' De paradox is dat wie het bestaan van God ontkent, dat doet aan de hand van een aantal kenmerken die hij in ieder geval moet hebben om God te kunnen zijn. Zo is hij per definitie almachtig: hij is in staat de Holocaust te verhinderen als hij dat werkelijk wil. Bovendien is hij goed: als hij mensonterende concentratiekampen een halt kan toeroepen, doet hij dat ook. God is dus goed en almachtig. Is hij dat niet, dan is zijn bestaan onmogelijk. Almachtig, oneindig goed: concepten uit de christelijke traditie waarvan de afwezigheid leidt tot de ontkenning van Gods bestaan. Kortom, misschien blijft de gemiddelde atheïst te christelijk. Hier kan een Theoloog des Vaderlands iets doen. In plaats van God te ontkennen aan de hand van een traditioneel beeld waaraan hij niet blijkt te beantwoorden, is een ruimere visie mogelijk. Wanneer mensen denken de juiste beschrijving van God te hebben gevonden, is hij God niet, omdat hij meer, groter, anders is dan iemand zich kan voorstellen. De weg wijzen van een kleinburgerlijke God die in onze jaszak past naar een God die we nooit echt kunnen kennen maar op wie we niettemin onze hoop mogen stellen: ziedaar een prachtige taak voor een Theoloog des Vaderlands. Mag hij kritiek verwachten? Ongetwijfeld. Om zeker te zijn dat God niet bestaat, is immers een duidelijk beeld van hem nodig. Bij voorkeur een definitie, zoals van een cirkel of een hazelworm. Juist de discussie daarover, die ongetwijfeld met grote emotionele betrokkenheid plaats zal vinden, is razend interessant. Maak ruzie over God. En vermijd nooit de essentiële vraag: waarom is het voor u belangrijk dat hij bestaat? Of juist dat hij niet bestaat? Nemand bezit God. Geen georganiseerde godsdienst. Maar ook geen leger. Gott mit uns. Zo'n zinnetje geeft de indruk dat het opperwezen een exclusiviteitscontract heeft getekend. Dat hij zich voor de kar laat spannen van politieke leiders, veldmaarschalken en generaals. Merkwaardig is dat sommigen precies om die reden boos zijn op God. Alsof hij zich laat verleiden door de macht. Terwijl Jezus Christus bijvoorbeeld, tweede persoon van de drie-ene God, juist weerstand bood aan de wereldse bekoringen waarmee Satan hem in de woestijn probeerde te verleiden. Die toonde alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei: 'Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.' Maar Jezus joeg hem weg. Trouwens, Gott mit uns blijkt niet te werken. De Duitsers verloren er een paar oorlogen mee. Een eerdere Latijnse versie, Nobiscum deus, werd in het Byzantijnse Rijk aangewend. Vergeefs. Het bestaat niet meer. Dat komt ervan. Godsdiensten deden meer dan Gods naam misbruiken. Hij inspireerde ze net zo goed tot edelmoedigheid en zelfopoffering. Maar hem schaamteloos instrumentaliseren deden ze ook. Dat zegt meer over henzelf dan over God. Juist omdat God transcendent is, alles overstijgt, laat hij zich niet vangen. Niet door heerszuchtige lieden. Maar ook niet door bevlogen strijders voor gelijkheid die, hoewel ze vaak zelf niet religieus zijn, christenen graag vertellen wat Christus van hen - lees: lauwe slappelingen - zou vinden als hij nu zou hebben geleefd. Ze dwepen met zijn woorden om anderen terecht te wijzen: een moderne, pacifistische versie van Gott mit uns. Nogmaals, hier ligt een cruciale opdracht voor de Theoloog des Vaderlands: God is niemands eigendom. Hij werkt niet voor links, hij werkt niet voor rechts. Wij kunnen hem zoeken, maar als wij hem hebben gevonden en tot de onze maken, zijn we hem kwijt. Het is precies andersom: juist als hij niet is zoals we hem verwachten, kunnen we hem echt vertrouwen. Zoals de vraag aan God geformuleerd in psalm 25, prachtig bewerkt door Huub Oosterhuis: 'Houd mij in leven, wees Gij mijn redding, steeds weer zoeken mijn ogen naar U.'Vermijd abstracte beschouwingen over liefde en solidariteit, zou ik de Theoloog des Vaderlands adviseren. Probeer niet krampachtig een grootste gemene deler aan te reiken die alle godsdiensten van alle tijden met elkaar verbindt. Gewoon omdat God niet het resultaat is van een politieke of een intellectuele consensus. Respect voor andere godsdiensten, een dialoog met hen onderhouden, is iets anders dan op zoek gaan naar een door de wereldlijke politiek geïnspireerd compromis. Zo ben ik nooit een grote fan geweest van het project Weltethos waaraan theoloog Hans Küng, die ik nochtans erg waardeer, samen met anderen werkt sinds 1993. Het is een poging om een bestand op te bouwen van de ethische normen en waarden die zich uit de religieuze, culturele en gedeeltelijk ook filosofische tradities van de mensheid laten afleiden. Om twee redenen ben ik sceptisch. Om te beginnen omdat ethiek niet de kern uitmaakt van een religieuze houding. Op de eerste plaats komt openheid voor transcendentie. Mogelijke ethische keuzes volgen pas later en worden net zo goed gemaakt door mensen met geringe religieuze belangstelling. Vervolgens omdat het religieuze zeer concreet en persoonlijk is. Zoals de taal. Wie van haar houdt, leert verschillende talen en ijvert niet voor de verspreiding van het kunstmatige Esperanto, een communicatiemiddel zonder ziel, zonder inbedding in cultuur en traditie. Precies daarmee kun je een Weltethos vergelijken. Van een Theoloog des Vaderlands mag je het omgekeerde verwachten, namelijk dat hij uitgaat van de religieuze traditie die de zijne is en van daaruit gesprekken met anderen aanknoopt. Is hij katholiek? Mooi. Is hij gereformeerd? Ook goed. Komt hij uit een moslimtraditie? Fijn. Zolang hij maar niet probeert alles tegelijk te zijn, want precies dat staat haaks op waarachtige religieuze gevoelens. Aan een protestant uitleggen waarom je katholiek bent, is spannender dan de indruk wekken, als katholiek, dat je eigenlijk net zo goed protestant had kunnen zijn. Die duidelijke keuze voor de eigen religieuze positie heeft natuurlijk ook nadelen. Tegenstanders confronteren je onmiddellijk met de dieptepunten van de traditie die je aanhangt. Een katholiek krijgt op die manier te horen dat hij de kruistochten en de inquisitie op zijn geweten heeft. Als het er wild aan toegaat, wordt hij er bovendien van beschuldigd een heimelijke aanhanger of op zijn minst een goedprater van pedofilie te zijn. Dan komt het er voor de Theoloog des Vaderlands op aan helder het onderscheid te maken tussen het religieuze gedachtegoed en het misbruik ervan, omdat mensen nu eenmaal mensen zijn en alle instellingen vroeg of laat ontsporen. Ook een mens valt niet samen met zijn mindere punten. Het zou onrechtvaardig zijn om een groot man als Nelson Mandela te beschrijven als een ontrouwe partner die twee keer uit de echt scheidde. In onze samenleving, die in de wetenschap, zelfs in methodologisch vaak wankelmoedige maatschappijwetenschappen, een sluitende verklaring voor vrijwel alles probeert te vinden, is er van de weeromstuit weinig ruimte voor reflectie over het leven. Het lijkt wel tussen religie en wetenschap te gaan, het is het ene of het andere. Dat hoeft niet zo te zijn. Vele jaren luisterde ik naar het vrijzinnige radioprogramma Lekenmoraal en filosofie. Het bood plaats aan gedachten en bespiegelingen die weliswaar niet religieus waren in de strikte zin van het woord, maar evenmin een filosofische benadering van het leven verwierpen ten voordele van een allesoverheersend wetenschappelijk model. Leo Apostel (1925-1995) schreef over 'atheïstische spiritualiteit', een emotionele pendant van de intellectuele zoektocht naar redelijk inzicht. Het ging hem daarbij, als atheïst, om zelfoverstijging, niet om religieuze transcendentie. Natuurlijk bestaat die vrijzinnige reflectie met haar bewonderenswaardige traditie nog altijd, maar ze moet wel optornen tegen een sterk opgekomen wetenschapsfundamentalisme, met intellectuele vedetten zoals Richard Dawkins die met hun eenvoudiger boodschap de aandacht trekken. Dat leidt tot volgende vaststelling: niet alleen religie, en dan zeker het christendom, verloor de laatste decennia terrein, maar ook de vrijzinnige levensbeschouwing in de spirituele zin van het woord. En allebei ten voordele van een onwrikbaar geloof in de wetenschap. Anders uitgedrukt, gelovigen en ongelovigen staan op dit vlak dichter bij elkaar dan je zou denken, omdat ze beiden gehecht zijn aan spirituele reflectie over het leven, naast de zuiver wetenschappelijke benadering ervan, die natuurlijk heel belangrijk blijft. Een Theoloog des Vaderlands besteedt dus bij voorkeur niet enkel aandacht aan een of meerdere religies, maar ook aan levensbeschouwing tout court, of die nu al dan niet religieus is geïnspireerd. In de loop der jaren zijn de tegenstellingen in de samenleving geruisloos veranderd. Terwijl het een halve eeuw geleden tussen geloof en ongeloof ging, staat vandaag een andere vraag centraal: is er een specifieke ruimte voor levensbeschouwing, of moet ze zwichten voor geloof in de almacht van de wetenschap? Bij het blootleggen van deze verschuiving, en bij het opkomen voor het belang van levensbeschouwing in het algemeen, kan de theoloog een belangrijke en tegelijk merkwaardig verbindende rol spelen. Concrete levensverhalen zetten meer aan tot nadenken dan geïsoleerde filosofische gedachten. Vooral boeiend zijn denkers die de soms dunne grens tussen geloof en ongeloof durfden over te steken. En dat in beide richtingen. Charles Péguy (1873-1914), bijvoorbeeld, die atheïst was en gelovig werd maar in zijn oorlogszuchtige nationalisme niet altijd blijk gaf van wijsheid. Maar evenzeer Ernest Renan (1823-1892), die het strenge Bretoense katholicisme verliet en een briljant vertegenwoordiger van het sciëntisme werd. Paus Pius IX noemde hem de godslasteraar van Europa, omdat hij in zijn Vie de Jésus betoogde dat de Bijbel aan hetzelfde historisch onderzoek moest worden onderworpen als andere documenten uit de geschiedenis. Ook bij ons zijn er fascinerende verhalen. Albrecht Rodenbach (1856-1880) gaat door als Vlaams en katholiek. Maar op het einde van zijn leven flirtte hij met Franstalige schrijvers, waaronder zijn neef Georges, de auteur van de roman Bruges-la-Morte, en met het liberalisme. Hoe zou hij verder zijn geëvolueerd als hij niet op jonge leeftijd dood was gegaan? In Nederland was er de discussie tussen Menno ter Braak (1902-1940), calvinist van oorsprong maar niet langer gelovig, en de katholiek Anton van Duinkerken (1903-1968). Ter Braak kon niet begrijpen hoe een verstandig man als Van Duinkerken niet wilde aannemen dat er geen God was. Terwijl Van Duinkerken dan weer moeite had met mensen die zich op hun ongeloof beroemden. Hij vergeleek het met trots zijn omdat je geen piano kunt spelen. Dat wederzijdse onbegrip is prachtig, ook al dateren de discussies tussen Ter Braak en Van Duinkerken uit de jaren dertig. Maar ze zijn, in een andere, minder polemische vorm, niet voorbij. Recent verschenen in ons taalgebied twee uitstekend geschreven romans die elk een andere weg wijzen. De ene is van Charles Ducal, vooral bekend als dichter. In Kroniek van een verzonnen leven (2018) vertelt hij grotendeels autobiografisch hoe een katholieke jongen van het platteland als student in Leuven zijn geloof verliest, marxist wordt en het blijft. Het standaardverhaal van de laatste halve eeuw, behalve misschien dat blijvende marxisme, maar uitstekend verteld. De andere roman, Wormen en engelen (2017) , geschreven door Maarten van der Graaff, gaat over een gereformeerde jongen uit Middelharnis die, aan de universiteit van Utrecht, op het punt staat zijn geloof te verliezen maar dat toch niet helemaal doet en zich afvraagt wat de religieuze traditie vandaag kan betekenen. Minder gebruikelijk in onze tijd dan het meer traditionele verhaal van Ducal, maar juist daarom minstens even interessant. Een Theoloog des Vaderlands is geen apologeet. Hij hoeft niet mordicus zijn geloof te verdedigen, te bewijzen dat het bestaan van God redelijk, waarschijnlijk of zeker is. Wel is het zaak te laten zien dat reflectie erover verre van onnozel is en dat juist de grootste geesten zich eraan waagden, niet tevreden als ze waren met het simpele bestaan of het simpele niet-bestaan van God. Het is niet erg dat mensen ongelovig zijn. Dat ze de vraag naar God niet langer stellen, laat wel een leemte na. Hem op een slimme manier ter sprake brengen, ziedaar de taak van de Theoloog des Vaderlands. Of hij bestaat of niet, heeft daarbij minder belang. Dat is de verantwoordelijkheid van God zelf, waaraan wij mensen, door over hem te praten, niets kunnen veranderen.