Naar aanleiding van de dossiers Chovanec en de Reuzegommers worden opnieuw vragen gesteld over de wijze waarop zowel een vooronderzoek als een strafproces moet verlopen. Het is de essentiële vraag die in de geschiedenis van het strafgerecht steeds terug komt en die gezorgd heeft voor verschillende wijzen van afhandeling. Het gaat daarbij niet enkel over principiële overwegingen. Ook de praktijk zorgt wel meer voor problemen.

Naar de principes is ieder onderzoek door het parket of de onderzoeksrechter voorlopig, en moet alles voor de strafrechter worden over gedaan. Daar is een erg belangrijke reden voor: openbaarheid is de beste garantie voor een eerlijk proces. De praktijk is echter van deze werkwijze weg gegroeid. De meeste dossiers worden enkel door het parket onderzocht in een opsporingsonderzoek en heel wat van die dossiers worden afgesloten met een sepot, een zonder gevolg. In deze wijze van afhandeling is er geen enkel toezicht op wat een parketmagistraat doet, noch door een rechter noch door de publieke opinie. Dat is reeds een ontkenning van het principe dat recht zichtbaar moet gebeuren. Dat zelfs grote en maatschappelijk belangrijke dossiers op die wijze worden afgehandeld is in grote mate de oorzaak van het gebrek aan vertrouwen van de burger. Niemand weet in dat geval op wat de eenzijdige en veelal summier gemotiveerde beslissing van een procureur, zonder enig tegensprekelijk en openbaar debat, steunt.

Recht moet zichtbaar gedaan worden.

Ook het afsluiten van een onderzoek door de raadkamer, een alleen zetelende rechter, mist de garantie van openbaarheid vermits daar met gesloten deuren wordt gehandeld. De vraag naar verantwoording wordt nog groter wanneer het onderzoek zo lang heeft aangesleept dat die rechter nog enkel de verjaring van de strafvordering kan vaststellen. Ook in dat geval weet, buiten de betrokkenen, niemand wat het onderzoek heeft opgeleverd, wat in het dossier staat, welke waarheid al of niet werd gevonden.

Ook de openbare behandeling voor de strafrechter is van de principes weg gegroeid. In vele gevallen wordt het debat daar beperkt tot de vraag of de vordering van het parket al dan niet moet gevolgd worden. Een strafrechter heeft niet het voorrecht van een assisenvoorzitter die uit zichzelf bijkomend onderzoek kan bevelen wanneer hij oordeelt dat het nuttig is. Bijkomend onderzoek wordt veelal door het parket afgewezen als tijdrovend.

Het wordt helemaal problematisch wanneer de verschillende oorzaken die een openbare en tegensprekelijke behandeling voor de strafrechter beletten worden aangewend om een dossier aan de openbaarheid te onttrekken. Uit de cijfers van het college van procureurs-generaal blijkt dat meer dan tienduizend strafzaken over geheel België al meer dan tien jaar aanslepen. Bovendien zijn er erg belangrijke dossiers bij zoals dat over de Bende-feiten die nooit meer tot een doenbare afhandeling kunnen komen. Daardoor leven wij in 'Het land van de Onbestrafte Misdaden'.

Om de openbaarheid te vermijden wordt ook meermaals misbruik gemaakt van de geheimhouding van het vooronderzoek. Dat was niet enkel het geval in het bendeonderzoek waarvan nu iedereen, de justitieminister en de procureur-generaal de Valkeneer incluis, heeft toegegeven dat er werd "gemanipuleerd". Dat gebeurt overigens niet enkel door de gerechtelijke overheden. Het parlementair onderzoek op de Kazachgate, de afkoopwet, toonde overvloedig aan dat alle machten daarbij tot op het hoogste niveau ernstig in de fout gingen. Maar ook dat onderzoek werd gemanipuleerd zodat de zwaarwichtige ontwrichting van justitie zonder gevolg bleef.

Dat onze justitie niet meer in staat is grote of politiek gevoelige dossiers voor de strafrechter te brengen is dus lang niet enkel het gevolg van de onderfinanciering of het tekort aan magistraten. Het is het gevolg van een falend strafrechtelijk beleid dat alle middelen heeft aangewend om de openbare en tegensprekelijke behandeling voor de strafrechter te vermijden. De afkoopwet was daar het sprekend voorbeeld van: de afkoop van schuld en boete gebeurde zonder rechterlijk toezicht in een achterkamertje. Dat die wet door het Grondwettelijk Hof werd afgekeurd belet niet dat er nog steeds groot gebruik wordt gemaakt van de minnelijke schikking.

Zoals advocaat-generaal Reneison in De Tijd van 5 september 2020 verklaarde gebeurt het systematisch: 'Het systeem van de minnelijke schikkingen is een positief middel om sneller tot een oplossing te komen. Een rechter moet zich daar telkens nog over uitspreken. Ook de onderzoeksrechters zijn niet meer tegen. Het is een meerwaarde als een goede minnelijke schikking wordt bereikt.' Indien de verplichting om er een rechter bij te halen wordt opgelost door de schikking voor te leggen aan de rechter van de raadkamer, die met gesloten deuren oordeelt, is echter niet voldaan aan de vereiste van openbaarheid.

Dat is wél het geval indien dossiers zoals de grote fraudezaak rond de textielgroep Beaulieu, die terug gaat naar 1990, of nog de Fortiszaak, die zelfs tot het ontslag van een premier en een eerste-voorzitter van het Hof van Cassatie leidde, in een openbaar debat voor de strafrechter zouden worden behandeld. Enkel in dat geval zou de publieke opinie inzicht verkrijgen in zowel de wijze waarop het onderzoek werd gevoerd als in de reden waarom het zo lang heeft geduurd of waarom veroordeling niet gepast is. De commissie-Franchimont dacht ook dat het vertrouwen in justitie kon behouden worden door de procureur toe te laten zelfs tijden een lopend onderzoek mededelingen te doen wanneer het openbaar belang dat vereist. Maar ook deze wetsbepaling wordt in de praktijk maar met mondjesmaat en met karige bewoordingen toegepast.

Daarentegen wordt het wapen van de geheimhouding van het vooronderzoek meermaals gebruikt wanneer het niet meer past. Dat was het geval in het dossier van de dood van Jonathan Jacob en dat dreigt opnieuw in dat van de dood van Schovanec. Dat dit het laatste middel is voor de familie om tot een eerlijk proces met een openbare behandeling te komen, ontgaat blijkbaar de gerechtelijke overheden die er reeds jaren mee bezig zijn.

Naar aanleiding van de dossiers Chovanec en de Reuzegommers worden opnieuw vragen gesteld over de wijze waarop zowel een vooronderzoek als een strafproces moet verlopen. Het is de essentiële vraag die in de geschiedenis van het strafgerecht steeds terug komt en die gezorgd heeft voor verschillende wijzen van afhandeling. Het gaat daarbij niet enkel over principiële overwegingen. Ook de praktijk zorgt wel meer voor problemen. Naar de principes is ieder onderzoek door het parket of de onderzoeksrechter voorlopig, en moet alles voor de strafrechter worden over gedaan. Daar is een erg belangrijke reden voor: openbaarheid is de beste garantie voor een eerlijk proces. De praktijk is echter van deze werkwijze weg gegroeid. De meeste dossiers worden enkel door het parket onderzocht in een opsporingsonderzoek en heel wat van die dossiers worden afgesloten met een sepot, een zonder gevolg. In deze wijze van afhandeling is er geen enkel toezicht op wat een parketmagistraat doet, noch door een rechter noch door de publieke opinie. Dat is reeds een ontkenning van het principe dat recht zichtbaar moet gebeuren. Dat zelfs grote en maatschappelijk belangrijke dossiers op die wijze worden afgehandeld is in grote mate de oorzaak van het gebrek aan vertrouwen van de burger. Niemand weet in dat geval op wat de eenzijdige en veelal summier gemotiveerde beslissing van een procureur, zonder enig tegensprekelijk en openbaar debat, steunt. Ook het afsluiten van een onderzoek door de raadkamer, een alleen zetelende rechter, mist de garantie van openbaarheid vermits daar met gesloten deuren wordt gehandeld. De vraag naar verantwoording wordt nog groter wanneer het onderzoek zo lang heeft aangesleept dat die rechter nog enkel de verjaring van de strafvordering kan vaststellen. Ook in dat geval weet, buiten de betrokkenen, niemand wat het onderzoek heeft opgeleverd, wat in het dossier staat, welke waarheid al of niet werd gevonden.Ook de openbare behandeling voor de strafrechter is van de principes weg gegroeid. In vele gevallen wordt het debat daar beperkt tot de vraag of de vordering van het parket al dan niet moet gevolgd worden. Een strafrechter heeft niet het voorrecht van een assisenvoorzitter die uit zichzelf bijkomend onderzoek kan bevelen wanneer hij oordeelt dat het nuttig is. Bijkomend onderzoek wordt veelal door het parket afgewezen als tijdrovend. Het wordt helemaal problematisch wanneer de verschillende oorzaken die een openbare en tegensprekelijke behandeling voor de strafrechter beletten worden aangewend om een dossier aan de openbaarheid te onttrekken. Uit de cijfers van het college van procureurs-generaal blijkt dat meer dan tienduizend strafzaken over geheel België al meer dan tien jaar aanslepen. Bovendien zijn er erg belangrijke dossiers bij zoals dat over de Bende-feiten die nooit meer tot een doenbare afhandeling kunnen komen. Daardoor leven wij in 'Het land van de Onbestrafte Misdaden'. Om de openbaarheid te vermijden wordt ook meermaals misbruik gemaakt van de geheimhouding van het vooronderzoek. Dat was niet enkel het geval in het bendeonderzoek waarvan nu iedereen, de justitieminister en de procureur-generaal de Valkeneer incluis, heeft toegegeven dat er werd "gemanipuleerd". Dat gebeurt overigens niet enkel door de gerechtelijke overheden. Het parlementair onderzoek op de Kazachgate, de afkoopwet, toonde overvloedig aan dat alle machten daarbij tot op het hoogste niveau ernstig in de fout gingen. Maar ook dat onderzoek werd gemanipuleerd zodat de zwaarwichtige ontwrichting van justitie zonder gevolg bleef.Dat onze justitie niet meer in staat is grote of politiek gevoelige dossiers voor de strafrechter te brengen is dus lang niet enkel het gevolg van de onderfinanciering of het tekort aan magistraten. Het is het gevolg van een falend strafrechtelijk beleid dat alle middelen heeft aangewend om de openbare en tegensprekelijke behandeling voor de strafrechter te vermijden. De afkoopwet was daar het sprekend voorbeeld van: de afkoop van schuld en boete gebeurde zonder rechterlijk toezicht in een achterkamertje. Dat die wet door het Grondwettelijk Hof werd afgekeurd belet niet dat er nog steeds groot gebruik wordt gemaakt van de minnelijke schikking. Zoals advocaat-generaal Reneison in De Tijd van 5 september 2020 verklaarde gebeurt het systematisch: 'Het systeem van de minnelijke schikkingen is een positief middel om sneller tot een oplossing te komen. Een rechter moet zich daar telkens nog over uitspreken. Ook de onderzoeksrechters zijn niet meer tegen. Het is een meerwaarde als een goede minnelijke schikking wordt bereikt.' Indien de verplichting om er een rechter bij te halen wordt opgelost door de schikking voor te leggen aan de rechter van de raadkamer, die met gesloten deuren oordeelt, is echter niet voldaan aan de vereiste van openbaarheid. Dat is wél het geval indien dossiers zoals de grote fraudezaak rond de textielgroep Beaulieu, die terug gaat naar 1990, of nog de Fortiszaak, die zelfs tot het ontslag van een premier en een eerste-voorzitter van het Hof van Cassatie leidde, in een openbaar debat voor de strafrechter zouden worden behandeld. Enkel in dat geval zou de publieke opinie inzicht verkrijgen in zowel de wijze waarop het onderzoek werd gevoerd als in de reden waarom het zo lang heeft geduurd of waarom veroordeling niet gepast is. De commissie-Franchimont dacht ook dat het vertrouwen in justitie kon behouden worden door de procureur toe te laten zelfs tijden een lopend onderzoek mededelingen te doen wanneer het openbaar belang dat vereist. Maar ook deze wetsbepaling wordt in de praktijk maar met mondjesmaat en met karige bewoordingen toegepast. Daarentegen wordt het wapen van de geheimhouding van het vooronderzoek meermaals gebruikt wanneer het niet meer past. Dat was het geval in het dossier van de dood van Jonathan Jacob en dat dreigt opnieuw in dat van de dood van Schovanec. Dat dit het laatste middel is voor de familie om tot een eerlijk proces met een openbare behandeling te komen, ontgaat blijkbaar de gerechtelijke overheden die er reeds jaren mee bezig zijn.