Minister Frank Vandenbroucke heeft eindelijk ook een sprankeltje licht en lucht gezien. Hij wil nu net als onze Onderwijsminster Ben Weyts de schoollokalen ventileren. Groot gelijk. Ramen open, dikke truien aan en covid buiten. Het kan verkeren. Als Vlaams minister van Onderwijs (van 2004 tot 2009) was Vandenbroucke nochtans voorstander van passiefscholen, hermetisch afgesloten blokkendozen. Alles rond de woorden ecologie, klimaat, duurzaam en hernieuwbaar kreeg toen al een haast goddelijke status. De manie was al zo groot dat er al een soort klimaatblindheid optrad bij de subsidieverstrekkers omdat het groen jasje electoraal netjes staat, zo ook voor de bouw van passiefscholen.

Vermits nagenoeg 40% van het totale energieverbruik in België afkomstig is van gebouwen, werden er in 2006 al energienormen opgelegd voor de renovatie en de bouw van woningen, kantoren, bedrijfsgebouwen en scholen. Het betrof de normering Energie Prestatie en Binnenklimaat (of kortweg EPB). Begin 2007 werd in het Vlaams Parlement beslist om voor de nieuwbouw van scholen een E-peil van E100 op te leggen. Hoe lager het E-peil, hoe energiezuiniger het gebouw. Voor het halen van de Kyotonorm werd eind 2007 beslist om die norm voor scholen te verstrengen naar een E-peil van E70.

Ramen open en dikke truien aan in de klas.

Het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION) en het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!) startten vervolgens samen met de Vlaamse Overheid het pilootproject passiefscholen. De Vlaamse regering gaf 235 euro per m² bijkomende subsidie indien een passieve school volgende doelstellingen realiseerde: een netto energiebehoefte voor verwarming ≤ 15kWh/m².jaar, een netto energiebehoefte voor koeling ≤ 15 kWh/m².jaar, een luchtdichtheid (n50-waarde) ≤ 0,6h-1 en een maximaal E-peil van E55. Deze extra subsidie kwam eigenlijk neer op een 100% dekking van de meerkosten voor passief bouwen. In opdracht van AGION ontwikkelde het Onafhankelijk Kenniscentrum Energieneutraal Bouwen (PIXII) de rekentechnische randvoorwaarden. Het werd meteen ook aangesteld voor trajectbegeleiding, voor het afleveren van het certificaat, voor de analyse van de energiemonitoring en de controle na gebruik. PIXII is het uithangbord van de vzw Passiefhuis-Platform dat onderdak geeft aan 160 bouwverenigingen. In feite een "passief bouwen lobby" die een monopolie kreeg van de overheid.

Volgens rapporten van AGION uit 2015, 2017 en 2019 zou het energieverbruik in passief gebouwde scholen tussen 48% en 82% lager liggen dan in gewone scholen, maar de kostprijs zou weliswaar 14% duurder zijn dan bij klassiek bouwen. Onderwijsminister Hilde Crevits verdedigde de visie van AGION door te stellen dat de terugverdientijd relatief kort is, nl. tussen 5 en 14 jaar. Een masterproef van Ann-Sofie Plasschaert (UGen): 'Is duurzaamheid synoniem voor rendabiliteit'? (2019-2020), met als promotor professor Dr. Rudy Aernoudt, kwam echter tot een andere conclusie. Ze onderzocht de relatie tussen duurzaamheid en rendabiliteit bij de passiefbouw van scholen. Meer bepaald werd een vergelijking gemaakt tussen een passiefbouwschool en een school die van geothermische warmtepompen gebruik maakt. Uit de studie kwam duidelijk naar voor dat geothermie beter scoort dan passief bouwen en dat geothermie in combinatie met zonnepanelen veruit de hoogste rendabiliteit heeft. De studie betwist de energiewinst bij passief bouwen niet, maar legde wel bloot dat er creatief werd omgesprongen met de cijfers om een rooskleuriger beeld van het klimaatbewustzijn door passief te bouwen weer te geven. Haar eerste besluit is dat de rendabiliteit van een passieve school een terugverdienperiode kent van 38 jaar, een school met geothermie één van 18 jaar, en een school die geothermie combineert met zonnepanelen één van 6 jaar. In de bestudeerde case betrof het een bouwmeerkost van respectievelijk 705.100 euro, 121.891 euro en 242.746 euro. Het terugverdieneffect in het laatste scenario is het hoogst omdat de energievoorziening volledig hernieuwbaar is waardoor we spreken over een volledig CO2-neutraal gebouw.

Wat de CO2-uitstoot betreft is volgens de cijfers van PIXII het energieverbruik lager bij passiefbouw dan bij geothermie. Alleen baseren de cijfers zich enkel op de energievraag van de verwarming en niet op de energievraag van koeling en van sanitair warm water. Zo wordt volgens een interne bron bij het bepalen van de energievraag verwarming rekening gehouden met de lichaamswarmte van de aanwezigen, maar wordt deze niet in rekening gebracht bij de energievraag koeling. Mochten deze variabelen wel in beschouwing genomen worden, dan is passief bouwen in geen geval duurzamer.

Ann-Sofie Plasschaert staat niet alleen met dit besluit. In 2016 liet Paul Vandenbussche, de architect van één van de passiefscholen in De Tijd ook al zijn twijfel blijken: '...alles draait om beslissingen en aannames in de berekeningsmodellen. Ik heb nu sterk de indruk dat er eerder politieke beslissingen genomen worden dan beslissingen met het gezond verstand...' Geothermie in combinatie met zonnepanelen maakt passief bouwen overbodig, en zelfs bij een extra ventileringsnorm is het in covid-tijden het duurzaamst en meest rendabel. De reden dat de cijfers voor koeling niet werden opgenomen in het rapport heeft alles te maken met het feit dat in 2007 het zomercomfort niet werd opgenomen in de decretaal vastgelegde criteria voor de passiefscholen. Zo werd er bij de bouw dan ook geen rekening mee gehouden. Na de ingebruikname van de eerste passiefscholen bleek de kans op oververhitting in de klas een majeur probleem. Zelfs na extra investeringen in zonnewering liep de temperatuur in de klasjes nog op tot 25 graden met als gevolg extra energiekosten voor afkoeling. Zo moeten passiefscholen tijdens warme dagen 's nachts drie uur lang koude lucht naar binnen pompen in plaats van één uur bij gewone schoolbouw.

Dirk Vanstappen, directeur Bestuur en Organisatie bij Katholiek Onderwijs Vlaanderen voegde daar in een artikel in De Standaard 2017 nog aan toe dat klaslokalen niet alleen 's avonds en in de weekends leeg staan, maar ook tijdens de schoolvakanties. Dat heeft een belangrijke impact op de terugverdieneffecten van de investeringen. En zeker al wanneer je in rekening brengt dat bij passiefbouw het van groot belang is dat schommelingen in de temperatuur zo veel mogelijk vermeden worden. Een temperatuur van zeventien graden aanhouden gedurende de zomervakantie is een dure aangelegenheid welke niet in rekening werd gebracht, aldus Vanstappen. Omdat bij de berekening van de terugverdieneffecten en de CO2-uitstoot bovenvermelde cijfers niet werden opgenomen krijgen we een vertekend beeld, die de passiefscholen veel duurzamer voorstellen dan ze in werkelijkheid zijn.

Professor Rudy Aernoudt berekende dat er 29,61 miljard euro nodig zal zijn om het 18 miljoen m² scholenpatrimonium van het leerplichtonderwijs passief te bouwen. (De financiële norm die gehanteerd wordt voor passiefbouw is in februari 2019 gelijk aan 1645,05 €/m²). De vraag is evenwel hoeveel nodig is om via passief bouwen het patrimonium CO2-neutraal te maken. De studie van mevr. Plasschaert toon in elk geval aan dat dit driemaal duurder is dan geothermie in combinatie met zonnepanelen.

Het beleid van minister Ben Weyts voorziet in een Masterplan Scholenbouw die zich focust op renovatie en nieuwbouw volgens de nieuwe normen Bijna-EnergieNeutraal (BEN). Hij investeert 3 miljard euro, maar is net als zijn voorganger Hilde Crevits misleid door de lobby van het passief bouwen, met als tool PIXII, terwijl geothermie efficiënter, goedkoper en rendabeler is. De bouwsector duwt ons om doorgeschoten redenen van profijt richting passiefbouw, en laat de belastingbetaler 20 miljard euro meer betalen. Bovendien is de besparing op CO2-uitstoot door onvolledige berekeningen onjuist. Passiefscholen bouwen blijkt in de praktijk vooral duur en weinig duurzaam. Maar dat deert de groene deugpronkers niet, want een groen jasje is een politiek correcte elevatie van hun status.

Het zal u verbazen maar ik besluit vandaag met een quote van Greta Thunberg: "Don't listen to me. Listen to the scientists"

Minister Frank Vandenbroucke heeft eindelijk ook een sprankeltje licht en lucht gezien. Hij wil nu net als onze Onderwijsminster Ben Weyts de schoollokalen ventileren. Groot gelijk. Ramen open, dikke truien aan en covid buiten. Het kan verkeren. Als Vlaams minister van Onderwijs (van 2004 tot 2009) was Vandenbroucke nochtans voorstander van passiefscholen, hermetisch afgesloten blokkendozen. Alles rond de woorden ecologie, klimaat, duurzaam en hernieuwbaar kreeg toen al een haast goddelijke status. De manie was al zo groot dat er al een soort klimaatblindheid optrad bij de subsidieverstrekkers omdat het groen jasje electoraal netjes staat, zo ook voor de bouw van passiefscholen. Vermits nagenoeg 40% van het totale energieverbruik in België afkomstig is van gebouwen, werden er in 2006 al energienormen opgelegd voor de renovatie en de bouw van woningen, kantoren, bedrijfsgebouwen en scholen. Het betrof de normering Energie Prestatie en Binnenklimaat (of kortweg EPB). Begin 2007 werd in het Vlaams Parlement beslist om voor de nieuwbouw van scholen een E-peil van E100 op te leggen. Hoe lager het E-peil, hoe energiezuiniger het gebouw. Voor het halen van de Kyotonorm werd eind 2007 beslist om die norm voor scholen te verstrengen naar een E-peil van E70. Het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION) en het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!) startten vervolgens samen met de Vlaamse Overheid het pilootproject passiefscholen. De Vlaamse regering gaf 235 euro per m² bijkomende subsidie indien een passieve school volgende doelstellingen realiseerde: een netto energiebehoefte voor verwarming ≤ 15kWh/m².jaar, een netto energiebehoefte voor koeling ≤ 15 kWh/m².jaar, een luchtdichtheid (n50-waarde) ≤ 0,6h-1 en een maximaal E-peil van E55. Deze extra subsidie kwam eigenlijk neer op een 100% dekking van de meerkosten voor passief bouwen. In opdracht van AGION ontwikkelde het Onafhankelijk Kenniscentrum Energieneutraal Bouwen (PIXII) de rekentechnische randvoorwaarden. Het werd meteen ook aangesteld voor trajectbegeleiding, voor het afleveren van het certificaat, voor de analyse van de energiemonitoring en de controle na gebruik. PIXII is het uithangbord van de vzw Passiefhuis-Platform dat onderdak geeft aan 160 bouwverenigingen. In feite een "passief bouwen lobby" die een monopolie kreeg van de overheid. Volgens rapporten van AGION uit 2015, 2017 en 2019 zou het energieverbruik in passief gebouwde scholen tussen 48% en 82% lager liggen dan in gewone scholen, maar de kostprijs zou weliswaar 14% duurder zijn dan bij klassiek bouwen. Onderwijsminister Hilde Crevits verdedigde de visie van AGION door te stellen dat de terugverdientijd relatief kort is, nl. tussen 5 en 14 jaar. Een masterproef van Ann-Sofie Plasschaert (UGen): 'Is duurzaamheid synoniem voor rendabiliteit'? (2019-2020), met als promotor professor Dr. Rudy Aernoudt, kwam echter tot een andere conclusie. Ze onderzocht de relatie tussen duurzaamheid en rendabiliteit bij de passiefbouw van scholen. Meer bepaald werd een vergelijking gemaakt tussen een passiefbouwschool en een school die van geothermische warmtepompen gebruik maakt. Uit de studie kwam duidelijk naar voor dat geothermie beter scoort dan passief bouwen en dat geothermie in combinatie met zonnepanelen veruit de hoogste rendabiliteit heeft. De studie betwist de energiewinst bij passief bouwen niet, maar legde wel bloot dat er creatief werd omgesprongen met de cijfers om een rooskleuriger beeld van het klimaatbewustzijn door passief te bouwen weer te geven. Haar eerste besluit is dat de rendabiliteit van een passieve school een terugverdienperiode kent van 38 jaar, een school met geothermie één van 18 jaar, en een school die geothermie combineert met zonnepanelen één van 6 jaar. In de bestudeerde case betrof het een bouwmeerkost van respectievelijk 705.100 euro, 121.891 euro en 242.746 euro. Het terugverdieneffect in het laatste scenario is het hoogst omdat de energievoorziening volledig hernieuwbaar is waardoor we spreken over een volledig CO2-neutraal gebouw.Wat de CO2-uitstoot betreft is volgens de cijfers van PIXII het energieverbruik lager bij passiefbouw dan bij geothermie. Alleen baseren de cijfers zich enkel op de energievraag van de verwarming en niet op de energievraag van koeling en van sanitair warm water. Zo wordt volgens een interne bron bij het bepalen van de energievraag verwarming rekening gehouden met de lichaamswarmte van de aanwezigen, maar wordt deze niet in rekening gebracht bij de energievraag koeling. Mochten deze variabelen wel in beschouwing genomen worden, dan is passief bouwen in geen geval duurzamer. Ann-Sofie Plasschaert staat niet alleen met dit besluit. In 2016 liet Paul Vandenbussche, de architect van één van de passiefscholen in De Tijd ook al zijn twijfel blijken: '...alles draait om beslissingen en aannames in de berekeningsmodellen. Ik heb nu sterk de indruk dat er eerder politieke beslissingen genomen worden dan beslissingen met het gezond verstand...' Geothermie in combinatie met zonnepanelen maakt passief bouwen overbodig, en zelfs bij een extra ventileringsnorm is het in covid-tijden het duurzaamst en meest rendabel. De reden dat de cijfers voor koeling niet werden opgenomen in het rapport heeft alles te maken met het feit dat in 2007 het zomercomfort niet werd opgenomen in de decretaal vastgelegde criteria voor de passiefscholen. Zo werd er bij de bouw dan ook geen rekening mee gehouden. Na de ingebruikname van de eerste passiefscholen bleek de kans op oververhitting in de klas een majeur probleem. Zelfs na extra investeringen in zonnewering liep de temperatuur in de klasjes nog op tot 25 graden met als gevolg extra energiekosten voor afkoeling. Zo moeten passiefscholen tijdens warme dagen 's nachts drie uur lang koude lucht naar binnen pompen in plaats van één uur bij gewone schoolbouw. Dirk Vanstappen, directeur Bestuur en Organisatie bij Katholiek Onderwijs Vlaanderen voegde daar in een artikel in De Standaard 2017 nog aan toe dat klaslokalen niet alleen 's avonds en in de weekends leeg staan, maar ook tijdens de schoolvakanties. Dat heeft een belangrijke impact op de terugverdieneffecten van de investeringen. En zeker al wanneer je in rekening brengt dat bij passiefbouw het van groot belang is dat schommelingen in de temperatuur zo veel mogelijk vermeden worden. Een temperatuur van zeventien graden aanhouden gedurende de zomervakantie is een dure aangelegenheid welke niet in rekening werd gebracht, aldus Vanstappen. Omdat bij de berekening van de terugverdieneffecten en de CO2-uitstoot bovenvermelde cijfers niet werden opgenomen krijgen we een vertekend beeld, die de passiefscholen veel duurzamer voorstellen dan ze in werkelijkheid zijn. Professor Rudy Aernoudt berekende dat er 29,61 miljard euro nodig zal zijn om het 18 miljoen m² scholenpatrimonium van het leerplichtonderwijs passief te bouwen. (De financiële norm die gehanteerd wordt voor passiefbouw is in februari 2019 gelijk aan 1645,05 €/m²). De vraag is evenwel hoeveel nodig is om via passief bouwen het patrimonium CO2-neutraal te maken. De studie van mevr. Plasschaert toon in elk geval aan dat dit driemaal duurder is dan geothermie in combinatie met zonnepanelen. Het beleid van minister Ben Weyts voorziet in een Masterplan Scholenbouw die zich focust op renovatie en nieuwbouw volgens de nieuwe normen Bijna-EnergieNeutraal (BEN). Hij investeert 3 miljard euro, maar is net als zijn voorganger Hilde Crevits misleid door de lobby van het passief bouwen, met als tool PIXII, terwijl geothermie efficiënter, goedkoper en rendabeler is. De bouwsector duwt ons om doorgeschoten redenen van profijt richting passiefbouw, en laat de belastingbetaler 20 miljard euro meer betalen. Bovendien is de besparing op CO2-uitstoot door onvolledige berekeningen onjuist. Passiefscholen bouwen blijkt in de praktijk vooral duur en weinig duurzaam. Maar dat deert de groene deugpronkers niet, want een groen jasje is een politiek correcte elevatie van hun status. Het zal u verbazen maar ik besluit vandaag met een quote van Greta Thunberg: "Don't listen to me. Listen to the scientists"