Vindt u zichzelf een racist? Weinig lezers zullen die vraag positief beantwoorden. De meesten onder ons geloven, in alle oprechtheid, dat racistische denkbeelden en sentimenten ons vreemd zijn. Maar wat als we diep van binnen toch racistisch zijn? Als je een paar minuten tijd hebt, kan je naar de website van de universiteit van Harvard surfen en de proef op de som nemen. Na enkele minuten plaatjes kijken en toetsen indrukken, krijg je een persoonlijke testscore te zien. Die, zo beweren de bedenkers van de test, ontsluiert hoe racistisch je diep van binnen bent. En dat is ook wat de meeste sociale psychologen (en de rest van de wereld) twee decennia voor waar aannamen.

Racisme is een te gewichtig onderwerp om over te laten aan slodderwetenschap.

De zogenaamde Impliciete Associatie Test (IAT) werd ontwikkeld door de sociale psychologen Anthony Greenwald en Mahzarin Banaji in 1998. Hier is hoe het werkt. Eerst krijg je een reeks foto's te zien van zwarte personen en blanke personen. Als je een zwarte persoon ziet moet je één bepaalde toets intikken, bij een blank persoon een andere. De computer meet je reactiesnelheid en het aantal gemaakte fouten (verkeerde toets). Een makkie. Daarna moet je hetzelfde doen met woorden: de ene toets voor positieve woorden (knap, goed, slim), de andere voor negatieve (lelijk, dom, slecht). Maar dan komt de kat op de koord. In de volgende rondes krijg je een reeks met zowel foto's en woorden te zien. Nog steeds moet je kiezen tussen twee toetsen, dus nu worden woorden en personen gekoppeld. Bijvoorbeeld: één toets dient voor zwarte personen en negatieve woorden, de andere voor blanke personen en positieve woorden. Daarna moet je het omgekeerde doen: alle blanken en negatieve woorden aan de ene kant, alle zwarten en positieve woorden aan de andere.

Het resultaat: ons brein raakt in de war. En uit die verwarring, zo menen Greenwald en Banaji, kan je afleiden welke onbewuste, impliciete attitudes we koesteren over witte en zwarte mensen. Iemand met racistische vooroordelen zal vlotter negatieve woorden met 'zwart' verbinden en positieve woorden met 'wit' dan andersom, omdat hij onbewust associaties legt tussen blank en goed, en tussen zwart en slecht. Een racistisch brein dat positieve woorden met 'zwart' moet verbinden, en negatieve met 'wit', moet wat harder nadenken: dat gaat trager en je maakt meer fouten.

De associatietest wordt ook gebruikt voor een waaier aan andere toepassingen, maar verwierf vooral faam als graadmeter voor onbewuste racistische vooroordelen. Die hypothese achter de test is op zich zo gek niet: we weten dat mensen attitudes en denkbeelden hebben waarvan ze zichzelf niet bewust zijn. Vreemd is wel dat veel zwarte mensen volgens de test dezelfde impliciete associaties delen als witte mensen. Dat wijst er volgens de ontwerpers op dat zwarte mensen negatieve stereotypen over zichzelf hebben 'geïnternaliseerd'. Ook tussen linkse en rechtse mensen bleek er weinig verschil. Eigenlijk wordt zowat iedereen door de test ontmaskerd als (een beetje) racistisch.

Gebrekkig onderzoek

Dat had tot nadenken moeten stemmen, maar dat gebeurde niet toen de test in 1998 in de media werd gelanceerd. Wat ook niet ernstig werd onderzocht, is de betrouwbaarheid van de test bij herhaalde afname. Dat is nochtans cruciaal: als je een weegschaal gebruikt, wil je ook dat ze telkens ongeveer hetzelfde gewicht geeft. Inmiddels weten we dat de betrouwbaarheid van de associatietest erg laag ligt. Wie de test vandaag aflegt en morgen opnieuw, of binnen twee weken, kan een sterk afwijkende score krijgen. Het grootste probleem is echter dat de testscore weinig of niets zegt over je gedrag in de echte wereld. Psychologen spreken van aan 'lage validiteit'. Als je een hoge score krijgt op de test, wil dat niet zeggen dat je discrimineert op het werk of geen zwarte vrienden maakt. De rasechte racisten, waarvan we weten dat ze discrimineren en uitsluiten, worden er door de test ook niet uitgehaald. Dat noopt tot de vraag: wat meet die test eigenlijk, behalve minieme verschillen in reactietijden (enkel tienden van een seconde) bij het categoriseren van woorden en foto's?

Om een lang verhaal kort te maken: de impliciete-associatietest is waardeloos, zoals de ontwerpers inmiddels hebben toegegeven (zij het knarsetandend). De belangrijkste vraag is waarom de test niettemin zo'n daverend succesverhaal was. De oorspronkelijke studies waren niet bijster sterk, de betrouwbaarheid werd nooit onderzocht, de link met gedrag in de echte wereld werd gewoon voetstoots aangenomen. Alternatieve verklaringen werden twintig jaar geleden al door critici geopperd: misschien meet de test niet zozeer racistische vooroordelen, maar vertrouwdheid met culturele stereotypen, ongeacht of je die stereotypen zelf omarmt of niet. Een andere hypothese gaat radicaal in tegen die van de bedenkers: misschien meet een hoge score wel empathie voor zwarte mensen, in plaats van racisme. Iemand die sociaal bewogen is en vaak stilstaat bij de vooroordelen waarmee zwarte mensen te kampen hebben, kan een hogere testscore krijgen dan iemand die daar onverschillig bij blijft. Niettemin werd de associatietest al snel op de buitenwereld losgelaten, met allerlei onbewezen beweringen over haar toepassingen. En met succes: media pikten de associatietest overal op, er volgden populaire boeken, artikels en documentaires. De bedenkers bereikten academische sterrendom en werden graag genode sprekers.

Morele intimidatie

Nu is de associatietest niet het enige paradepaardje van de psychologie dat recent van haar voetstuk is gevallen. Wetenschappers spreken van een heuse 'replicatiecrisis'. Beroemde en baanbrekende experimenten, die duizend keer werden geciteerd en in alle handboeken prijken, blijken bij nader onderzoek niet repliceerbaar. Dat wil zeggen: als je probeert om nog eens hetzelfde te doen, onder precies dezelfde omstandigheden, dan krijg je nul op het rekest. Volgens mij legt de onverdiende faam van de associatietest echter ook een probleem bloot waar ik al eerder over schreef: een gebrek aan ideologische diversiteit in academia. Er is een vorm van links eenheidsdenken binnengeslopen in bepaalde vakgebieden, en dat begint zich te wreken.

Er is een vorm van links eenheidsdenken binnengeslopen in bepaalde vakgebieden, en dat begint zich te wreken.

Onder sociale psychologen - het vakgebied van de bedenkers van de associatietest - situeert 89 procent zichzelf links, tegenover 3 procent rechts. Dat grote onevenwicht verklaart mede het succes van de associatietest, die een eenvoudig verhaal vertelt dat met name linkse mensen aanspreekt: iedereen is (een beetje) racist. De test beloofde tot een grotere bewustwording te leiden over een groot maatschappelijke probleem, en zo bij te dragen aan een betere samenleving. Academici die de strijd tegen racisme genegen zijn, lieten na om methodologische fouten en gebreken te zoeken, of zelf tests uit te voeren. Iemand die teveel kritische vragen stelt, leek al snel verdacht. Tot op vandaag insinueren de bedenkers dat de kritische scherpslijpers gedreven zijn door onfrisse ideeën, en dat ze de ogen sluiten voor racisme in onze samenleving. Dat soort morele intimidatie bevestigt enkel het probleem. Het verklaart waarom een waardeloze test als deze het überhaupt zo ver kon schoppen in de academische wereld.

Diversiteitstrainingen in de VS en bij ons maken tot op vandaag veelvuldig gebruik van de associatietest, die mensen bewust zou maken van hun onbewuste vooroordelen. Miljoenen mensen hebben de test zelf afgelegd op de website van Harvard, waar ze ondanks alle kritieken nog steeds online staat. Voor velen was het afleggen van de associatietest zelfs een emotionele ervaring, alsof ze plots een duister geheim over zichzelf te weten kwamen. Bij sommige witte mensen werd het bekendmaken van hun persoonlijke score een publiek ritueel van zelfkastijding, waarmee ze deemoedig hun raciale erfzonde bekenden. Maar het vertrouwen van activisten in wetenschap werd beschaamd, en dat is jammer. Racisme is een te gewichtig onderwerp om over te laten aan slodderwetenschap. Academici moeten zich bezinnen hoe het zover is kunnen komen.

Maarten Boudry is als wetenschapsfilosoof verbonden aan de UGent. Hij is auteur van Illusies voor gevorderden (2015) en Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat (2019). Hierin trekt hij ten strijde tegen zwartkijkers en doemdenkers. Het pessimisme over islamisering, klimaatopwarmingen racisme lijdt volgens niet tot oplossingen maar tot fatalisme.

Tijdens het filosofiefestival Nacht van de Vrijdenker op 9 november in de Vooruit (Gent) gaat Maarten Boudry in debat met auteur Naima Charkaoui en socioloog Pieter-Paul Verhaeghe over racisme in onze samenleving. Die avond staan er nog meer dan dertig denkers uit binnen- en buitenland op het programma, met o.m. Susan Neiman, TomᨠSedlá?ek, Sarah Bakewell, Philippe Van Parijs, Donald Robertson, Diana Fleischman, Ludo Abicht, Tinneke Beeckman en Francesca Minerva. De avond is uitverkocht. Alle info: nachtvandevrijdenker.be