De federale regering werkt al een hele tijd aan een pandemiewet, die een aanvullende rechtsgrond moet vormen om verregaande maatregelen te kunnen nemen in gezondheidscrisissen. Dat moet dan weer een antwoord bieden op de kritiek van oppositie en grondwetsspecialisten op de huidige aanpak van de crisis, die via ministeriële besluiten verloopt. Ter herinnering: het voorontwerp voorziet dat de koning een pandemie moet afkondigen op basis van "wetenschappenlijke gegevens, na advies van de minister van Volksgezondheid en na overleg in de ministerraad en met de deelstaten". Dat koninklijk besluit wordt bij wet bekrachtigd en de noodtoestand duurt dan maximaal drie maanden, al kan ze wel telkens met drie maanden worden verlengd. In die periode kan de minister van Binnenlandse Zaken na overleg in de regering en mogelijk ook met de deelstaten in het Overlegcomité de nodige maatregelen nemen. Grosso modo gaat het om dezelfde soort maatregelen die nu van kracht zijn voor de aanpak van de coronapandemie. Het voorontwerp voorziet ook in een vorm van parlementaire controle, die erin bestaat dat het koninklijk besluit waarmee de pandemie wordt afgekondigd binnen de twee tot vijf dagen wordt bekrachtigd. Daarnaast komen de ministers maandelijks verslag uitbrengen aan de Kamer. Minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) bezorgde het voorontwerp van pandemiewet eind februari aan de Kamer. Een primeur, omdat het parlement gewoonlijk pas aan zet komt wanneer het volledige proces binnen de regering is afgerond. De Kamer organiseerde hoorzittingen met een twintigtal deskundigen en betrokkenen, en wijdde ook al een volledige plenaire vergadering aan het voorontwerp. Dat resulteerde in een zeshonderdtal pagina's aan opmerkingen. Intussen leverde ook de Raad van State een lijvig advies af. Dat bevestigt dat de mogelijke inperkingen van een aantal fundamentele rechten en vrijheden door de minister van Binnenlandse Zaken in geval van een pandemie in principe voldoen aan de legaliteits- en evenredigheidsbeginselen. De lijst van mogelijke maatregelen is voldoende precies omschreven, net als de omstandigheden waarin die maatregelen kunnen worden genomen, klinkt het, en het is duidelijk dat de maatregelen dienen om de volksgezondheid te beschermen. Daarnaast wordt ook het evenredigheidsbeginsel gerespecteerd, vindt de Raad van State. Maar de Raad stelt zich ook vragen bij enkele elementen in het voorontwerp. De verwerking van persoonsgegevens is er daar één van. Omdat het op dit moment niet mogelijk is om te voorspellen welke data nodig zullen zijn om een toekomstige pandemie aan te pakken, staan de details daarvan bewust nog niet in het voorontwerp. De Raad van State kan zich daardoor niet uitspreken over de proportionaliteit van de bepalingen, klinkt het. Eerder sprak de Gegevensbeschermingsautoriteit zich al erg kritisch uit over het voorontwerp van wet, dat volgens de privacywaakhond "geen wettelijke basis voor de behandeling van gegevens" voorziet en de "principes van wettelijkheid en voorspelbaarheid schendt". Daarnaast vraagt de Raad van State ook om een aantal verduidelijkingen. Zo is het niet duidelijk wie of welk orgaan verantwoordelijk zal zijn voor de risicoanalyse op basis waarvan de epidemische noodsituatie wordt afgekondigd. Er stelt zich ook nog een "lacune" op vlak van rechtsbescherming, stipt de Raad aan, omdat de bekrachtiging van de noodsituatie bij koninklijk besluit inhoudt dat het Grondwettelijk Hof en niet langer De Raad van State bevoegd is om de bepalingen te toesten. De omvang van de toetsing door beide rechtscolleges kan niet gelijkgesteld worden, stipt de Raad aan. Het advies biedt volgens minister Verlinden in elk geval een "helder en genuanceerd antwoord op een aantal specifieke en complexe rechtsvragen". De minister gaat nu aan de slag met de tekst en met het parlementaire debat om zo snel mogelijk een aangepast wetsontwerp voor te leggen aan de regering en daarna aan het parlement. "Het waarborgen van de rechtszekerheid, de parlementaire betrokkenheid en een zo groot mogelijke transparantie bij het beheren van een crisis blijven de fundamenten van de pandemiewet", zegt ze. Qua timing wordt het mogelijk wel nipt. De Brusselse rechtbank van eerste aanleg veroordeelde de Belgische overheid op 31 maart om binnen de dertig dagen een eind te maken aan de coronamaatregelen op straffe van een dwangsom, omdat de wettelijke basis waarop de ministeriële besluiten gebaseerd zijn volgens de Brusselse rechter ongeldig is. De regering is het daar niet mee eens ging in beroep, maar Verlinden en ook premier Alexander De Croo rekenen wel op de snelle behandeling van de pandemiewet in het parlement, klonk het de daags na de veroordeling in de Kamer. Alleen is het nog maar de vraag hoe lang de procedure daar duurt. Bovendien moet de pandemiewet mogelijk ook opnieuw naar de Raad van State voor advies. Dat is het geval als de regering het voorontwerp aanpast aan de opmerkingen van bijvoorbeeld het parlement of de Gegevensbeschermingsautoriteit, zonder dat die opmerkingen in het eerste advies van de Raad staan. (Belga)

De federale regering werkt al een hele tijd aan een pandemiewet, die een aanvullende rechtsgrond moet vormen om verregaande maatregelen te kunnen nemen in gezondheidscrisissen. Dat moet dan weer een antwoord bieden op de kritiek van oppositie en grondwetsspecialisten op de huidige aanpak van de crisis, die via ministeriële besluiten verloopt. Ter herinnering: het voorontwerp voorziet dat de koning een pandemie moet afkondigen op basis van "wetenschappenlijke gegevens, na advies van de minister van Volksgezondheid en na overleg in de ministerraad en met de deelstaten". Dat koninklijk besluit wordt bij wet bekrachtigd en de noodtoestand duurt dan maximaal drie maanden, al kan ze wel telkens met drie maanden worden verlengd. In die periode kan de minister van Binnenlandse Zaken na overleg in de regering en mogelijk ook met de deelstaten in het Overlegcomité de nodige maatregelen nemen. Grosso modo gaat het om dezelfde soort maatregelen die nu van kracht zijn voor de aanpak van de coronapandemie. Het voorontwerp voorziet ook in een vorm van parlementaire controle, die erin bestaat dat het koninklijk besluit waarmee de pandemie wordt afgekondigd binnen de twee tot vijf dagen wordt bekrachtigd. Daarnaast komen de ministers maandelijks verslag uitbrengen aan de Kamer. Minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) bezorgde het voorontwerp van pandemiewet eind februari aan de Kamer. Een primeur, omdat het parlement gewoonlijk pas aan zet komt wanneer het volledige proces binnen de regering is afgerond. De Kamer organiseerde hoorzittingen met een twintigtal deskundigen en betrokkenen, en wijdde ook al een volledige plenaire vergadering aan het voorontwerp. Dat resulteerde in een zeshonderdtal pagina's aan opmerkingen. Intussen leverde ook de Raad van State een lijvig advies af. Dat bevestigt dat de mogelijke inperkingen van een aantal fundamentele rechten en vrijheden door de minister van Binnenlandse Zaken in geval van een pandemie in principe voldoen aan de legaliteits- en evenredigheidsbeginselen. De lijst van mogelijke maatregelen is voldoende precies omschreven, net als de omstandigheden waarin die maatregelen kunnen worden genomen, klinkt het, en het is duidelijk dat de maatregelen dienen om de volksgezondheid te beschermen. Daarnaast wordt ook het evenredigheidsbeginsel gerespecteerd, vindt de Raad van State. Maar de Raad stelt zich ook vragen bij enkele elementen in het voorontwerp. De verwerking van persoonsgegevens is er daar één van. Omdat het op dit moment niet mogelijk is om te voorspellen welke data nodig zullen zijn om een toekomstige pandemie aan te pakken, staan de details daarvan bewust nog niet in het voorontwerp. De Raad van State kan zich daardoor niet uitspreken over de proportionaliteit van de bepalingen, klinkt het. Eerder sprak de Gegevensbeschermingsautoriteit zich al erg kritisch uit over het voorontwerp van wet, dat volgens de privacywaakhond "geen wettelijke basis voor de behandeling van gegevens" voorziet en de "principes van wettelijkheid en voorspelbaarheid schendt". Daarnaast vraagt de Raad van State ook om een aantal verduidelijkingen. Zo is het niet duidelijk wie of welk orgaan verantwoordelijk zal zijn voor de risicoanalyse op basis waarvan de epidemische noodsituatie wordt afgekondigd. Er stelt zich ook nog een "lacune" op vlak van rechtsbescherming, stipt de Raad aan, omdat de bekrachtiging van de noodsituatie bij koninklijk besluit inhoudt dat het Grondwettelijk Hof en niet langer De Raad van State bevoegd is om de bepalingen te toesten. De omvang van de toetsing door beide rechtscolleges kan niet gelijkgesteld worden, stipt de Raad aan. Het advies biedt volgens minister Verlinden in elk geval een "helder en genuanceerd antwoord op een aantal specifieke en complexe rechtsvragen". De minister gaat nu aan de slag met de tekst en met het parlementaire debat om zo snel mogelijk een aangepast wetsontwerp voor te leggen aan de regering en daarna aan het parlement. "Het waarborgen van de rechtszekerheid, de parlementaire betrokkenheid en een zo groot mogelijke transparantie bij het beheren van een crisis blijven de fundamenten van de pandemiewet", zegt ze. Qua timing wordt het mogelijk wel nipt. De Brusselse rechtbank van eerste aanleg veroordeelde de Belgische overheid op 31 maart om binnen de dertig dagen een eind te maken aan de coronamaatregelen op straffe van een dwangsom, omdat de wettelijke basis waarop de ministeriële besluiten gebaseerd zijn volgens de Brusselse rechter ongeldig is. De regering is het daar niet mee eens ging in beroep, maar Verlinden en ook premier Alexander De Croo rekenen wel op de snelle behandeling van de pandemiewet in het parlement, klonk het de daags na de veroordeling in de Kamer. Alleen is het nog maar de vraag hoe lang de procedure daar duurt. Bovendien moet de pandemiewet mogelijk ook opnieuw naar de Raad van State voor advies. Dat is het geval als de regering het voorontwerp aanpast aan de opmerkingen van bijvoorbeeld het parlement of de Gegevensbeschermingsautoriteit, zonder dat die opmerkingen in het eerste advies van de Raad staan. (Belga)