Moeten we bij de hoge suïcidecijfers niet méér kijken naar hoe onze samenleving (mis)loopt dan naar de preventie van individuele problemen? (André Vansteenbrugge, Oudenaarde)

Gwendolyn Portzky: U maakt een zeer terecht punt. Het aanpakken is niet eenvoudig, maar we werken eraan. Suïcidepreventie verloopt volgens een internationaal model op drie niveaus: het geïndiceerde, voor personen die al suïcidaal zijn; het selectieve, voor mensen met een verhoogd risico, zoals psychiatrische patiënten en holebi's; en het universele niveau. Dat laatste is gericht op de algemene bevolking: het gaat bijvoorbeeld over projecten voor media en onderwijs, maar ook over begeleiding van mensen die hun ontslag hebben gekregen, of over de algemene versterking van onze veerkracht.
...

Gwendolyn Portzky: U maakt een zeer terecht punt. Het aanpakken is niet eenvoudig, maar we werken eraan. Suïcidepreventie verloopt volgens een internationaal model op drie niveaus: het geïndiceerde, voor personen die al suïcidaal zijn; het selectieve, voor mensen met een verhoogd risico, zoals psychiatrische patiënten en holebi's; en het universele niveau. Dat laatste is gericht op de algemene bevolking: het gaat bijvoorbeeld over projecten voor media en onderwijs, maar ook over begeleiding van mensen die hun ontslag hebben gekregen, of over de algemene versterking van onze veerkracht. Portzky: Uiteraard moet iedereen over zijn eigen leven kunnen beslissen. Wij praten daar ook openlijk over met onze suïcidale patiënten. Wie zijn wij om te zeggen dat zij móéten leven? Maar al te vaak zijn er ook mensen die nooit hulp hebben gezocht of gekregen: aan hen willen we op zijn minst zo veel mogelijk kansen op hulp bieden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat aan suïcide vaak een lang proces voorafgaat. Het kan jaren duren, en in die tijd kan de mate van suïcidaliteit sterk toe- en weer afnemen. Mensen die we daar uiteindelijk doorheen krijgen, zijn achteraf meestal dankbaar dat ze nog leven. We moeten blijven zoeken naar licht op het einde van de tunnel. Portzky: De eerste mediarichtlijnen, die verschenen zijn in 2007, kwamen van onze collega's van Werkgroep Verder. Zij richten zich vooral tot nabestaanden, mensen voor wie het woord 'zelfmoord' vaak zeer kwetsend is. Voor hen is hun kind, broer, zus of ouder natuurlijk geen moordenaar. Maar de meeste suïcidale patiënten gebruiken zelf wel het woord 'zelfmoord'. Daarom komt het vaak voor in preventie en zorg - denk maar aan De Zelfmoordlijn. Wat ons betreft mag iedereen dat woord dus gebruiken. Portzky: In algemene zin bestaat daarover geen wetenschappelijk onderzoek. Maar wanneer over zelfdoding wordt bericht, is er absoluut bewijs dat het aanzet tot copycatgedrag. Zeker wanneer het gaat om bekende mensen, wanneer er veel details worden gegeven en over de methode wordt bericht. In de drie weken na het overlijden van politicus Steve Stevaert in 2015 zagen we een kwart meer zelfmoordpogingen, en zelfs een stijging van 93 procent bij mensen uit zijn leeftijdscategorie. Let wel: het gaat dan om mensen die al in een suïcidaal proces zitten. Maar het blijft heel belangrijk dat de media daar voorzichtig mee omspringen. Vaak worden zeer hopeloze en eenzijdige verhalen gebracht, zoals: 'Jongen pleegt zelfmoord door sexting.' Terwijl er nooit louter één oorzaak is. Dan merk ik dat jonge patiënten ineens weer meer suïcidale gedachten hebben. Ze zien dat die ene jongen al zijn problemen 'heeft kunnen stoppen' en denken daar ook opnieuw aan. Wat helaas tot impulsieve daden kan leiden.Portzky: Uiteraard vind ik dat grove uitingen, zoals u ze schetst, strafbaar moeten zijn. Alleen is het een complex verhaal. Heel jonge mensen beseffen niet altijd wat ze aanrichten, er is niet altijd een bewuste intentie. Het mag dus geen heksenjacht worden. Zeker omdat elke zelfdoding een samengaan is van complexe oorzaken: er zijn sociale triggers, zoals deze, maar ook neurobiologische en psychologische oorzaken, en vaak ook psychiatrische problemen.