Op zes maanden van de Europese verkiezingen van mei 2019 maken we een verrassende omkering van sociaal-economisch beleid mee. Plotseling gaat het debat over de levensduurte, de trage en ongelijke loongroei, de indirecte belastingen die armere burgers harder treffen. Plotseling blijken de gemiddelde stijgingen van inkomen en koopkracht te verbergen dat heel wat mensen moeite hebben om de facturen te betalen tegen het eind van de maand nadat de dure huur of hypotheek al een flinke hap uit het budget nam.

Nu haasten regeringen zich om besliste maatregelen terug te trekken, uit te stellen en af te zwakken. Maar tot voor kort waren loonmatiging, factuurverhogingen en verschuiving van lasten naar accijnzen en BTW precies het standaardbeleid van de centrumrechtse regeringen die de EU domineren. Die omkering heeft verstrekkende gevolgen voor de volgende jaren. Want als het doel is om het inkomen van de gezinnen te versterken en de rekening van de overheid moet in evenwicht zijn, dan is het onvermijdelijk dat de vennootschappen meer gaan moeten bijdragen. Europese afspraken over de belasting op winst is de kwestie waar de Europese Unie niet aan kan ontsnappen in de volgende tien jaar. In de vorige crisis is het bankgeheim gesneuveld. In de volgende crisis moeten de postbusprivileges van multinationals er aan geloven.

Protest tegen de levensduurte heeft de Europese Ministers van Financiën duidelijk nog niet bereikt.

Dat vraagt een bocht van 180° in vele landen van de EU. In de voorbije jaren kozen de centrum-rechtse regeringen immers voor een 'starve the beast'-strategie: verlaag de belastingen op vennootschappen en vermogens nu zodat besparingen in de overheidsuitgaven (lees: sociale zekerheid) later onvermijdelijk worden.

De miljarden lastenverlagingen op de winsten van de vennootschappen komen in de volgende vijf jaar op kruissnelheid. In Frankrijk schafte president Macron de vermogensbelasting af en besliste hij om de vennootschapsbelasting te verlagen van 33,3% naar 25% voor de grote ondernemingen tegen 2022. In Nederland wordt die vennootschapsbelasting in diezelfde periode verlaagd van 25 tot 21,5% en had minister-president Rutte het plan om de dividendbelasting af te schaffen. In België besliste de regering Michel I een verlaging van de vennootschapsbelasting van 33,99% tot 25% zoals in Frankrijk.

België verliest zo op kruissnelheid bijna 5 miljard euro per jaar, een vierde tot een derde van de opbrengst van de vennootschapsbelasting. Officieel doen deze regeringen dat om de investeringen aan te zwengelen, een populair argument wanneer de economie kwakkelt. In de feiten blijkt de impact op investeringen marginaal en draait het vooral uit op hogere winst.

Deze beslissingen zijn onhoudbaar. Zeker nu de regeringen noodgedwongen de strategie bijsturen van 'starve the beast' naar 'money in the pocket'. Want jarenlang verhoging van facturen en onderdrukking van de loongroei hebben de lagere middenklasse onder druk gezet. Er zijn niet alleen meer mensen arm, meer werkende mensen hebben het moeilijk om rond te komen, laat staan te sparen.

De woningprijzen zijn voor veel mensen sneller gestegen dan het inkomen. Regeringen zullen moeten geld vrij maken om de koopkracht te ondersteunen. Maar wie gaat dat betalen? De verschuiving van lasten op arbeid naar indirecte belastingen (BTW en accijnzen) betaald door diezelfde mensen is stukgelopen op de gele hesjes. Dat laat maar twee keuzes voor de regeringen: ofwel worden de Europese begrotingsregels losgelaten ofwel moet men het geld elders halen. Beide keuzes verleggen het debat naar het Europese niveau.

Want de belofte van Macron, Michel en collega's was om Duitse hervormingen door te voeren in eigen land in ruil voor grotere investeringen en meer solidariteit in Europa. Dat is mislukt, niet in het minst omdat de Duitsers niet over de brug zijn gekomen. Macrons Europese plannen vakkundig verwaterd in een akkoord over de hervorming van de eurozone. Het dominante beleid blijft 'besparen en hervormen' en elke poging tot Europese belasting van multinationals, via een digitax of een financiële transactietaks, is afgeblokt. Het protest tegen de levensduurte heeft de Europese Ministers van Financiën duidelijk nog niet bereikt. Vooral de Nederlandse regering als leider van de zogenoemde Hanze-liga, een groep van acht Scandinavische en Angelsaksische landen, bleef mordicus vasthouden aan nationale besparingen en hervormingen als recept voor elke EU lidstaat.

En ook in eigen land is het signaal niet doorgedrongen: in het eerste weekend van het gele hesjes protest uitte ondertussen ex-Minister van Financiën Johan Van Overtveldt een zekere wroeging over zijn beleid: niet over de hogere accijnzen maar over de verhoging van de roerende voorheffing op dividenden.

Die toondoofheid op Belgisch en Europees niveau heeft bredere politieke gevolgen. Want de ongelijkheid tussen de hogere facturen van burgers en de belastingprivileges van multinationals is de tweede motor die de populisten voortstuwt, naast migratie. Als het verzamelde Europese politieke centrum niet voor doorbraken kan zorgen, dan zullen de populisten het proberen, ten koste van vreemdelingen en van de begroting, niet van de multinationals.

In Italië doet de nieuwe populistische regering niets aan de kwakkelende banken maar wil het wel een basisinkomen - in feit een soort leefloon - van 800 euro invoeren met geleend geld. In Hongarije overleeft de economie met 5% Europees geld en een slavenwet die multinationals moet paaien, maar steekt premier Viktor Orban voor de rest wel zijn middelvinger op naar de EU, onder andere met een ultralage vennootschapsbelasting van 9%. Populisten willen wel de eerste stap zetten, zorgen voor money in the pocket van burgers, maar de tweede noodzakelijke stap, multinationals laten bijdragen, gaat met hen nooit lukken. Integendeel, populisten zijn weerloos tegen de verdeel-en-heers tactieken van multinationals net omdat ze de nodige internationale samenwerking afwijzen.

Het huidige, hardvochtige Europese beleid eindigt in populisme. Maar het populistisch beleid eindigt in een race to the bottom van lonen, arbeidsvoorwaarden en winstbelastingen. Daarom moet er een alternatief zijn dat tegelijkertijd radicaal en redelijk is. Het manifest van Piketty en collega's geeft de voorzet. De strijd tegen de levensduurte en voor hogere lonen, voor een grotere bijdrage van multinationals en investeringen in welzijn voor deze en volgende generaties moet de kern zijn van het programma van de Europese sociaaldemocraten voor de verkiezing van 2019. Als wij het verschil niet maken, zullen populisten het in onze plaats doen.