De trein ontspoorde op 18 februari 2017 net na vertrek uit het station van Leuven. De eerste wagon kwam 500 meter verder in de berm terecht. Daaronder kwam de 21-jarige Elric Pronce uit Grez-Doiceau om het leven. In de andere treinstellen vielen 27 gewonden. De machinist en de NMBS werden gedagvaard. De bestuurder stond zowel strafrechtelijk als burgerlijk terecht. De Belgische spoorwegmaatschappij moest zich alleen burgerlijk verantwoorden, als werkgever van de machinist. De rechtbank achtte de 33-jarige treinbestuurder Tom C. uit Wichelen schuldig aan de drie tenlasteleggingen: onopzettelijke doding, onopzettelijke slagen en verwondingen en het onopzettelijk veroorzaken van een treinongeval. Hij haalde 90 kilometer per uur, waar maar 40 toegelaten was. "De beklaagde heeft de signalisatie niet gevolgd", stelde de rechter. "Zowel het vertreksein als het volgende sein legde een snelheidsbeperking van 40 kilometer per uur op. Hij mocht dus niet optrekken tot 90 per uur. De bestuurder negeerde een lamp die dienst doet als herinnering. Hij heeft het vertreksein in groen-gele en horizontale stand wel degelijk gezien, ook al verklaarde hij het tegenovergestelde bij de verbalisanten. Het tweede sein na het bord dat het einde van de vertrekzone aangeeft en de snelheidsbeperking tot 40 per uur bevestigt, heeft hij niet eens opgemerkt." Volgens de rechter vertoonde de signalisatie geen tegenstrijdigheden en primeert het vertreksein. De rechter was niet mals voor de treinbestuurder. Hij verweet hem een "verregaand gebrek aan aandacht en voorzichtigheid", met catastrofale gevolgen. "Dit was niet het gedrag van een voorzichtige bestuurder. Hij kan zich onmogelijk beroepen op overmacht." Bij de straftoemeting hield de rechter rekening met "de ernst van de tekortkomingen en de niet te verrechtvaardigen wijze waarop de beklaagde het vertrouwen van de passagiers heeft geschonden". Het parket had op de zitting van 11 september een celstraf van twaalf maanden gevorderd, waarvan de helft effectief. De rechter verleende uitstel voor de hele straf van twaalf maanden gedurende drie jaar. De machinist kreeg ook een boete van 3.200 euro. De schadevergoedingen vielen opvallend lager uit dan de vorderingen. De machinist en de NMBS moeten 23 burgerlijke partijen vergoeden voor een totaalbedrag van 98.052 euro. Zeven verzekeringsmaatschapijen, Infrabel en de Belgische staat ontvingen elk 1 euro provisioneel. De moeder en de vader van het dodelijke slachtoffer kregen elk 25.000 euro en samen nog eens 7.456,79 euro. De broer heeft recht op 9.000 euro. "Het is onmogelijk om een prijskaartje te plakken op het hoofd van mijn zoon", had de moeder verklaard. De rechter ging daarin mee en stelde dat het moeilijk is om het verlies cijfermatig te begroten. "Men doodt mijn zoon een tweede keer als men zijn waarde beneden een geaccidenteerde wagen of designcanapé zou schatten", had de moeder ook gezegd. De rechter toonde begrip voor die uitspraak. "Maar de vergelijking is onterecht en gaat niet op." Elric Pronce werd door de ontsporing uit het raam geslingerd en kwam deels onder het treinstel terecht. Zijn ouders en broer blijven achter met vragen bij het overlijden. Zij kregen te horen dat hij op slag dood was. "Sommige tegenstrijdigheden verhinderen de moeder om te geloven dat er volledige afwezigheid was van extreem lijden en vreselijke angst voor de dood", stelde de rechter. "Dat blijft haar achtervolgen bij elk bezoek aan het graf. Een onderhoud met de wetsdokter bracht geen gemoedsrust." Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden werd aan de ouders en de broer een hogere vergoeding toegekend dan voorzien in de indicatieve tabel. Maar wel een stuk lager dan de vorderingen. Dat gold in het bijzonder voor de broer. Hij kon niet aantonen dat hij ten gevolge van een trauma meer inspanningen moet leveren bij zijn studies filosofie en zijn latere professionele carrière. (Belga)

De trein ontspoorde op 18 februari 2017 net na vertrek uit het station van Leuven. De eerste wagon kwam 500 meter verder in de berm terecht. Daaronder kwam de 21-jarige Elric Pronce uit Grez-Doiceau om het leven. In de andere treinstellen vielen 27 gewonden. De machinist en de NMBS werden gedagvaard. De bestuurder stond zowel strafrechtelijk als burgerlijk terecht. De Belgische spoorwegmaatschappij moest zich alleen burgerlijk verantwoorden, als werkgever van de machinist. De rechtbank achtte de 33-jarige treinbestuurder Tom C. uit Wichelen schuldig aan de drie tenlasteleggingen: onopzettelijke doding, onopzettelijke slagen en verwondingen en het onopzettelijk veroorzaken van een treinongeval. Hij haalde 90 kilometer per uur, waar maar 40 toegelaten was. "De beklaagde heeft de signalisatie niet gevolgd", stelde de rechter. "Zowel het vertreksein als het volgende sein legde een snelheidsbeperking van 40 kilometer per uur op. Hij mocht dus niet optrekken tot 90 per uur. De bestuurder negeerde een lamp die dienst doet als herinnering. Hij heeft het vertreksein in groen-gele en horizontale stand wel degelijk gezien, ook al verklaarde hij het tegenovergestelde bij de verbalisanten. Het tweede sein na het bord dat het einde van de vertrekzone aangeeft en de snelheidsbeperking tot 40 per uur bevestigt, heeft hij niet eens opgemerkt." Volgens de rechter vertoonde de signalisatie geen tegenstrijdigheden en primeert het vertreksein. De rechter was niet mals voor de treinbestuurder. Hij verweet hem een "verregaand gebrek aan aandacht en voorzichtigheid", met catastrofale gevolgen. "Dit was niet het gedrag van een voorzichtige bestuurder. Hij kan zich onmogelijk beroepen op overmacht." Bij de straftoemeting hield de rechter rekening met "de ernst van de tekortkomingen en de niet te verrechtvaardigen wijze waarop de beklaagde het vertrouwen van de passagiers heeft geschonden". Het parket had op de zitting van 11 september een celstraf van twaalf maanden gevorderd, waarvan de helft effectief. De rechter verleende uitstel voor de hele straf van twaalf maanden gedurende drie jaar. De machinist kreeg ook een boete van 3.200 euro. De schadevergoedingen vielen opvallend lager uit dan de vorderingen. De machinist en de NMBS moeten 23 burgerlijke partijen vergoeden voor een totaalbedrag van 98.052 euro. Zeven verzekeringsmaatschapijen, Infrabel en de Belgische staat ontvingen elk 1 euro provisioneel. De moeder en de vader van het dodelijke slachtoffer kregen elk 25.000 euro en samen nog eens 7.456,79 euro. De broer heeft recht op 9.000 euro. "Het is onmogelijk om een prijskaartje te plakken op het hoofd van mijn zoon", had de moeder verklaard. De rechter ging daarin mee en stelde dat het moeilijk is om het verlies cijfermatig te begroten. "Men doodt mijn zoon een tweede keer als men zijn waarde beneden een geaccidenteerde wagen of designcanapé zou schatten", had de moeder ook gezegd. De rechter toonde begrip voor die uitspraak. "Maar de vergelijking is onterecht en gaat niet op." Elric Pronce werd door de ontsporing uit het raam geslingerd en kwam deels onder het treinstel terecht. Zijn ouders en broer blijven achter met vragen bij het overlijden. Zij kregen te horen dat hij op slag dood was. "Sommige tegenstrijdigheden verhinderen de moeder om te geloven dat er volledige afwezigheid was van extreem lijden en vreselijke angst voor de dood", stelde de rechter. "Dat blijft haar achtervolgen bij elk bezoek aan het graf. Een onderhoud met de wetsdokter bracht geen gemoedsrust." Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden werd aan de ouders en de broer een hogere vergoeding toegekend dan voorzien in de indicatieve tabel. Maar wel een stuk lager dan de vorderingen. Dat gold in het bijzonder voor de broer. Hij kon niet aantonen dat hij ten gevolge van een trauma meer inspanningen moet leveren bij zijn studies filosofie en zijn latere professionele carrière. (Belga)