Laurens De Brucker

‘Vergunning windturbines: politieke muizenissen houden juridisch geen steek’

Laurens De Brucker Doctoraal onderzoeker KU Leuven en advocaat milieu- en energierecht

‘Laten we hopen dat onze politici bij hun beleidskeuzes zich voortaan ook eerder zullen laten inspireren door maatschappelijke noodzaak, dan door partijpolitieke belangen’, schrijft advocaat Laurens De Brucker over de argumenten van regeringspartijen Open VLD en CD&V tegen de goedkeuring van een decreet dat voorzag in het faciliteren van windturbines in landschappelijk waardevol gebied.

Anno 2022 lijkt het Zuhal Demir, de Vlaamse minister van Energie, absoluut menens om de energietransitie versneld door te voeren. Meer bepaald lijkt zij in dat verband de molen naar de wind te keren. Met betrekking tot het optimaliseren van het vergunningverleningsproces voor windturbines, legde de minister immers een aantal uitstekende voorstellen op tafel, waarvan de inmiddels goedgekeurde bevoegdheidsoverdracht van de provincies naar de Vlaamse Regering voorlopig het orgelpunt vormt.

Binnen de schoot van de Vlaamse Regering konden jammer genoeg niet alle voorstellen het voorbije jaar op evenveel animo rekenen. Zo werd een voortreffelijk voorstel van decreet, dat onder andere voorzag in het faciliteren van windturbines in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het accelereren van de procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in de zomer van 2022 bijvoorbeeld volledig afgeschoten door de coalitiepartners van de N-VA.

Dat is jammer. Landschappelijk waardevol agrarisch gebied vormt immers een bestemmingszone die nagenoeg een derde van het Vlaamse windpotentieel vertegenwoordigt, maar omwille van zijn bijzondere voorschriften stelselmatig een struikelblok vormt in het vergunningverleningsproces voor grootschalige molenwiekers. Redenen te over waarom een ingrijpen van de decreetgever zich bijgevolg opdringt.

Middels het voorstel van decreet wilde de Vlaamse minister van energie voorzien in een decretale uitzondering voor windturbines op de bestemmingsvoorschriften in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en tezelfdertijd ook paal en perk stellen aan de oeverloos lange procedures bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Meer in het bijzonder werd een verplichte behandeling van windturbinedossiers binnen een ordetermijn van 7 maanden vooropgesteld.

Dat het voorstel uiteindelijk werd afgewimpeld, was vooreerst te wijten aan het feit dat Open VLD eerder heil zag in een verdere uitdieping van het concept bestemmingsneutraliteit voor hernieuwbare energie-installaties, dan te voorzien in een specifieke uitzondering voor windturbines in een welbepaalde bestemmingszone. CD&V stelde zich dan weer vragen bij het initiëren van een afwijking die exclusief voor windturbines zou gelden, terwijl landbouwbedrijven hierop geen aanspraak zouden kunnen maken.

Vanuit juridisch oogpunt houden de geformuleerde bezorgdheden evenwel hoegenaamd geen steek.

Dienaangaande moet in eerste instantie worden vastgesteld dat het voorstel van decreet op geen enkele manier in de weg staat aan een concretisering van het bestemmingsneutraal gedachtegoed. Beiden sluiten elkaar immers geenszins uit en zijn zelfs volkomen compatibel.

In tegenstelling tot wat de term doet vermoeden, vertrekt het concept bestemmingsneutraliteit niet vanuit de opvatting dat elk hernieuwbaar energieproject zomaar in elke zone kan worden vergund, maar wel van het uitgangspunt dat de bestemming as such geen belemmering voor de vergunbaarheid mag vormen. Ook indien er sprake zou zijn van bestemmingsneutraliteit, zal een aanvraag aldus steeds de toets aan de goede ruimtelijke ordening moeten doorstaan.

Dit is volledig gelijklopend met het voorstel van decreet dat door de minister werd aangedragen. In de hypothese waarin windturbines onder welbepaalde voorwaarden geacht zouden worden te voldoen aan de bestemmingsvoorschriften die gelden in landschappelijk waardevol gebied, zal dit namelijk evenmin ipso facto resulteren in een vergunning. Ook in dat geval zal een aanvraag immers nog steeds de diverse omgevingstoetsen, waaronder de goede ruimtelijke ordeningstest, moeten doorstaan. De bezwaren van Open VLD kunnen dan ook moeilijk worden bijgetreden.

Tot een gelijkaardige conclusie dient vervolgens ook te worden besloten met betrekking tot de bekommernis van CD&V dat het voorstel van decreet mogelijk aanleiding zou geven tot discriminaties, aangezien er een onderscheid gemaakt zou worden tussen wind- en landbouwprojecten. Zowel het Grondwettelijk Hof, als de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelden immers uitdrukkelijk dat het nastreven van nationale of Europeesrechtelijke klimaat- en hernieuwbare energiedoelstellingen niet alleen kadert in het algemeen belang, maar tevens een wettige verantwoording kan vormen voor welbepaalde keuzes van de decreetgever, die resulteren in een onderscheiden behandeling van diverse actoren. Aangezien het voorstel van decreet blijkens de parlementaire voorbereiding duidelijk kadert in het versneld realiseren van engagementen die op EU-niveau werden aangegaan, missen de ongerustheden van CD&V aldus elke juridische grondslag.  

Bovendien betreft de omstandigheid dat de versnelling van de procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen op heden nog niet werd goedgekeurd louter uitstel van executie. Rekening houdend met de inhoud een voorstel van richtlijn, waaraan thans op EU-niveau de laatste hand wordt gelegd, zal Vlaanderen in de nabije toekomst immers verplicht worden om het vergunningsproces aanzienlijk in te korten.

(Lees verder onder het artikel.)

In het licht van het juridisch weinig solide karakter van de muizenissen die Open VLD en CD&V ervan weerhielden het besproken voorstel van decreet goed te keuren, kan niet anders dan worden vastgesteld dat de werkelijke achterliggende weigeringsgronden louter van politieke aard moeten zijn.

Dienaangaande betreft het een uiterst jammerlijke zaak dat de landbouwachilleshiel van CD&V en een doorgedreven tunnelvisie bij Open VLD een rem plaatsen op maatregelen die zouden kunnen bijdragen tot een versnelde energietransitie en de omschakeling naar een klimaatneutrale samenleving. Zeker in de huidige klimaatcontext en actuele geopolitieke constellatie is deze vaststelling des te schrijnender te noemen.

Naar de toekomst toe kan ter zake enkel worden gehoopt dat onze Vlaamse politici wat meer verantwoordelijkheidszin aan de dag zullen leggen en zich bij hun beleidskeuzes voortaan ook eerder zullen laten inspireren door maatschappelijke noodzaak, dan door partijpolitieke belangen. Indien het besproken voorstel van decreet in een mogelijk enigszins aangepaste vorm opnieuw op de regeringstafel zou belanden, verdient het dan ook de aanbeveling dat de verschillende fracties in de Vlaamse Regering hun eerdere stadpunten heroverwegen en het voorstel louter door een klimaatbril bekijken.

Laurens De Brucker is advocaat bij Xirius Public en doctoraal onderzoeker aan het KU Leuven Centre for Public Law.

Partner Content