Leo Neels

‘Het recht op leven van Belgische burgers telt ook’

Leo Neels Advocaat en Prof. (em.) Mediarecht KULeuven en UAntwerpen

‘Een land moet voor zijn burgers opkomen. Altijd’, schijft Leo Neels. ‘En zeker wanneer ze het voorwerp zijn van grove schendingen van hun fundamentele rechten in autoritaire regimes.’ Hij staat stil bij een recent arrest van het Grondwettelijk Hof over de zogenoemde Iran-deal.

Het Grondwettelijk Hof heeft op 8 december 2022 de instemmingswet geschorst van het Verdrag van 11 maart 2022 tussen België en Iran over de overbrenging van veroordeelde personen. Het is geen hoogtepunt in de jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof geworden.

Ook al werd dergelijk verdrag al langer voorbereid, de reële achtergrond is de beroerde situatie van een Belgisch burger, Olivier Vandecasteele, die in Iran willekeurig werd opgepakt en zonder eerlijk proces werd veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 40 jaar en 74 zweepslagen. Hij bevindt zich al meer dan 300 dagen in een isolatiecel. De instemmingswet werd – wat zeer uitzonderlijk is – aangevochten voor het Grondwettelijk Hof, wegens strijdigheid met het recht op leven en het verbod op folteringen of vernederende en onmenselijke behandeling of bestraffing, zoals gewaarborgd in de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Het Grondwettelijk Hof heeft de instemmingswet geschorst, in afwachting van de behandeling ten gronde van het vernietigingsverzoek; op een schorsing volgt vaak een vernietiging.

Het schorsings- en vernietigingsverzoek werd ingeleid door personen die burgerlijke partij waren in het proces tegen een Iraans diplomaat, Assadollah Assadi, die in 2021 België tot een gevangenisstraf van 20 jaar werd veroordeeld, wegens een poging tot een terroristische aanslag. Ze namen deel aan het evenement in Parijs waar Assadi zijn aanslag had willen plegen en waren dus destijds zijn potentiële slachtoffers. Het efficiënt optreden van de Belgische autoriteiten heeft de aanslag voorkomen, en zo hun leven gered.

Voor het Hof voerden ze aan in hun recht op leven te zijn geschaad, omdat ze de rechten die burgerlijke partijen kunnen doen gelden bij de  tenuitvoerlegging van een straf, niet meer kunnen uitoefenen wanneer de man naar Iran zou worden overgebracht.  Bovendien bestaat het vermoeden dat hij in Iran zijn straf niet verder zou moeten uitzitten, en de vrees dat hij het opnieuw op hun leven zou kunnen hebben gemunt.

(Lees verder onder het artikel.)

De tussenkomst van Olivier Vandecasteelde werd ontvankelijk verklaard, maar aan zijn recht op leven en zijn recht om niet onderworpen te worden aan vernederende en onmenselijke behandeling, gaat het arrest niet in. Nochtans werd ook in het parlement herhaaldelijk gewezen op de autoritaire aard van het bewind van Iran, dat geen respect voor mensenrechten kent, terwijl de aanhouding en de veroordelingen van de man internationaal worden aangemerkt als loutere drukkingsmiddelen om de vrijlating van de Iraanse diplomaat af te dwingen.

Het Hof heeft de kans gemist om te letten op de bescherming van het recht tot leven van een landgenoot die in het buitenland wordt mishandeld. Het heeft ermee volstaan de Europese rechtspraak over te nemen betreffende de theoretische bedreiging van het recht op leven van de Iranezen, die niet het slachtoffer werden van de aanslag omdat die door de Belgische veiligheidsdiensten werd voorkomen. In Straatsburgs jargon spreekt men dan van een virtuele schending van het procedurele luik van het recht op leven. De mensonterende behandeling van Olivier Vandecasteele is evenwel niet virtueel, doch reëel.

Mogelijk had de regering voor een gevangenenruil beter het pad gekozen van een Kamerresolutie tot overbrenging, die niet aanvechtbaar zou zijn geweest voor het Grondwettelijk Hof. Het Hof heeft zich in een carcan van formele bevoegdheden geacht, en zo de kern van de beschermingsplicht van een land van het recht op leven van zijn landgenoten in een autoritair regime gemist.

Het is te hopen dat het Grondwettelijk Hof met grote urgentie deze vraag ten gronde beantwoordt, op een wijze die de ruil meteen toelaat. Ja, het is moelijk kersen eten in de internationale diplomatie in een wereld met een land dat mensenrechten negeert, en dat burgers van andere staten gijzelt om zijn terroristische zendelingen vrij te krijgen.

Maar een land moet voor zijn burgers opkomen. Altijd. En zeker wanneer ze het voorwerp zijn van grove schendingen van hun fundamentele rechten in autoritaire regimes.

Dat is geen negatie van de rechtsstaat, maar een consequente toepassing op grond van waarden. Personen die geen enkel recht hebben om ons land binnen te komen en hier geen enkele aanspraak kunnen formuleren op enige vorm van verblijf, mogen we niet uitwijzen indien ze in hun land van herkomst een vernederende behandeling, foltering of doodstraf riskeren. Dat siert de rechtstaat.Het zou onze rechtsstaat ook sieren om op te komen voor élke landgenoot die met miskennig van zijn mensenrechten wordt gevangen gehouden in een ander land.

Lees meer over:

Partner Content