Denktank Itinera: ‘Armoedeverenigingen varen vaak blind’

Filosoof en econoom Joël Van Cauter (UCL) en professor in de filosofie, medische filosofie en ethiek Ignaas Devisch. Respectievelijk zijn zijn fellow en CEO van denktank Itinera. © Itinera
Jeroen de Preter
Jeroen de Preter Redacteur Knack

In een lijvig rapport signaleert denktank Itinera een opvallende verschuiving binnen het armoedeprobleem. In plaats van ouderen worden vandaag vooral jongeren erdoor getroffen. Het goede nieuws: aan armoede valt te ontsnappen.

De denktank Itinera was tot voor kort gevestigd in de Brusselse Hertogstraat, in een statig herenhuis vlak bij de Wetstraat, op een boogscheut van het Koninklijk Paleis. Itinera werd geleid door advocaat Leo Neels, gewezen baas van VTM en de lobbygroep Pharma.be.

In de plaats van Neels kwam Ignaas Devisch, professor (medische) filosofie en columnist, het kantoor verhuisde hij naar het hart van Molenbeek. ‘We willen met Itinera wat meer met de beide voeten in de samenleving gaan staan’, zegt Devisch. Met hun nieuwste studie lijkt Itinera ook inhoudelijk die beweging te maken. Voor Duurzame aanpak van armoede, een recent, lijvig rapport, doorploegden ‘fellows’ Jean Hindriks (econoom) en Joël Van Cauter, filosoof en econoom (beiden UCL) de meest recente statistieken en rapporten in verband met armoede. Meer dan een jaar studiewerk en tientallen gesprekken met ervaringsdeskundigen uit armoedeorganisaties leidden tot een werkstuk dat minstens één belangrijke verdienste heeft: Hindriks en Van Cauter zeggen niet alleen wat fout loopt, ze zeggen ook heel duidelijk hoe het beter zou kunnen.

Hoge pensioenen

Eerste vaststelling uit het rapport: in 2020 leefde bijna 20 procent van de Belgen (meer dan twee miljoen mensen) met een risico op armoede en sociale exclusie. Dat percentage bleef de afgelopen twee decennia nagenoeg stabiel, maar achter die stabiliteit verschuilt zich een opmerkelijke, niet onbelangrijke tendens: terwijl het risico tijdens het eerste decennium van de eeuw het grootst was bij 60-plussers, maken vandaag de -25 jarigen de meeste kans om in de armoede te verzeilen.

Voor die ‘armoederisico-omkering’ bestaat volgens Van Cauter een vrij eenvoudige verklaring. ‘De oudere generatie wordt in belangrijke mate beschermd door de hoge pensioenen in ons land. Die liggen hier een stuk hoger dan in de ons omringende landen, en de bedragen ervan zijn de afgelopen decennia ook meer dan elders gestegen. Bovendien gaat het over een generatie die, algemeen gesproken, sterk heeft kunnen profiteren van de economische boom. Ze hebben in de meeste gevallen een huis kunnen kopen, in sommige gevallen zelfs meer dan één. Precies het omgekeerde zien we bij jongeren: huisvesting is veel duurder geworden. Dat is niet de enige maar wel een van de belangrijkste verklaringen voor het grote armoederisico bij jongeren. Het beleid zou zich dan ook meer moeten focussen op die groep. Zoals het beleid ook meer aandacht moet besteden aan de eenoudergezinnen. 35 procent van die gezinnen loopt risico op armoede. Een scheiding staat voor een gezin met kinderen in veel gevallen gelijk met een veroordeling tot armoede.’

Dat het armoederisico in ons land al decennia niet afneemt, zou ons volgens de auteurs tot nadenken moeten stemmen. Het armoedeprobleem is in ons land groter dan in de meeste omliggende landen, terwijl de Belgische sociale uitgaven op de Franse na de hoogste zijn. Die uitgaven stegen in twee decennia van 25 naar 29 procent van ons bruto binnenlands product, wat bijna 10 procent hoger is dan het gemiddelde in de OESO-landen.

‘Dat betekent dat we niet efficiënt zijn in het bestrijden van armoede’, zegt Van Cauter. ‘We moeten de methode veranderen. Onze analyse is dat het systeem te versnipperd is. De vele actoren die in de armoedebestrijding actief zijn, werken elk in een eigen hoekje, waar ze elk voor zich min of meer hetzelfde doen. Maar die uniforme aanpak werkt in veel gevallen niet, omdat de situaties verschillen van persoon tot persoon. In ons rapport geven we het voorbeeld van de monnik, de jongere in psychische nood en de vluchteling. Zelfs als ze alle drie dakloos zijn en dus in dezelfde context zitten, is hun situatie totaal verschillend. In plaats van één uniforme aanpak hebben we een gepersonaliseerde aanpak nodig.’

Mentale druk

Een belangrijk pijnpunt is volgens Van Cauter dat armoedeverenigingen vaak niet weten of hun inspanningen wel impact hebben. ‘Vaak zijn er geen concrete doelstellingen of evaluaties, en varen ze blind. Anders gezegd: de overheid pompt handenvol geld in een veelheid aan organisaties, zonder te weten of dat geld iets oplevert.’

Om armoede efficiënt te kunnen bestrijden, is het volgens de auteurs ook essentieel om het fenomeen goed te begrijpen. Van Cauter: ‘Nog te vaak wordt gedacht dat mensen in de armoede verzeilen omdat ze niet de juiste beslissingen nemen. Dat is behalve een neerbuigende ook een fatalistische visie. Mensen zijn niet arm omdat ze slechte keuzes maken, het is omgekeerd: ze maken slechte keuzes omdat ze arm zijn. Dat het zo moeilijk is om er weer uit te raken heeft onder meer te maken met de zware mentale druk die leven in armoede veroorzaakt. Uit onderzoek weten we dat iedereen onder grote druk slechte beslissingen neemt. Dat geldt zowel voor de chirurg in de operatiezaal als de dakloze. In feite is dat niet alleen slecht nieuws. Als je de oorzaak van de stress wegneemt, kunnen mensen beter denken en zullen ze betere beslissingen nemen. Aan armoede valt met andere woorden te ontsnappen.’

Volgens Van Cauter is dat inzicht een van de redenen waarom het innovatieve armoedebestrijdingsprogramma Housing First zo goed werkt. Daklozen krijgen in dat programma zonder voorwaarden of beperkingen in tijd een dak boven het hoofd. In veel gevallen blijkt het een eerste stap uit een spiraal die voorheen uitzichtloos leek. Bovendien leerde een eerste proefproject in ons land dat het programma behalve succesvoller ook een stuk goedkoper is dan de bestaande programma’s. De kostprijs voor één dag Housing first zou gemiddeld drie keer lager liggen dan een overnachting in een daklozencentrum en zeven keer lager dan een nacht in de gevangenis.

Maagverkleining

Programma’s als Housing first tonen ook volgens de nieuwe Itinera-directeur Devisch de juiste weg. ‘Housing first werkt onder meer zo goed omdat je een grote stressfactor wegneemt en mensen daardoor in staat stelt om betere beslissingen te nemen’, zegt Devisch. ‘Het sluit ook goed aan bij de essentie van wat we in dit rapport proberen te vertellen. Op armoede bestaan grosso mode twee visies. Volgens een eerste visie hebben mensen in armoede dat vaak aan zichzelf te danken. Daartegenover staat een tweede visie die zegt dat alles wel goed komt als je er maar genoeg geld in pompt. Dit rapport geeft redenen om daaraan te twijfelen, en zoekt tussen die twee visies in naar haalbare oplossingen die mensen kunnen bevrijden uit de vicieuze cirkel die armoede is. En zoals Joël zei: we zien dat de gepersonaliseerde oplossingen vaak het beste werken. Dat die oplossingen op maat vaak goedkoper zijn dan one size fits all-oplossingen, is minder vreemd dan op het eerste gezicht lijkt. In de gezondheidszorg is het vaak niet anders. Iemand die een maagverkleining ondergaat, vervalt soms al heel snel in het oude leefpatroon, waardoor de ingreep op de wat langere termijn een verspilling van middelen was. De ingreep heeft veel meer kans op slagen als hij gepaard gaat met intensieve, persoonlijke begeleiding. Dat inzicht kun je doortrekken naar het armoedebeleid. Te vaak komt dat beleid er vandaag op neer dat we er nog wat geld tegenaan gooien, waarna we vaststellen dat het niet helpt, en de schuld bij de onverbeterlijke mensen in armoede leggen.’

Als voorbeeld van een effectief programma wordt in het rapport ook Duo for a Job genoemd, een soort buddy-programma waarbij jonge mensen met migratieroots in de zoektocht naar een job begeleid worden door een 50-plusser met ervaring.

‘Ook dat is een programma op maat met impact die een opwaartse spiraal op gang brengt’, zegt Van Cauter. ‘Binnen de armoedesector zijn dat nieuwe spelers, met een heel nieuwe benadering. Vandaag zitten ze nog in de marge, maar ik ben er zeker van dat die marge straks de leiding zal nemen. Je zou die revolutie kunnen vergelijken met wat op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking is gebeurd de laatste dertig jaar. Ook de armoedebestrijding was dertig jaar geleden minder op efficiëntie afgestemd. Een nieuwe generatie actoren als Artsen zonder Grenzen of Handicap International heeft gezorgd voor een nieuwe, veel doeltreffendere methodiek.’

Voor hun rapport praatten Van Cauter en zijn collega met een twintigtal actoren uit de sociale sector. ‘Het gevoel dat het anders moet, is daar ook wel aanwezig. Ze beseffen dat hun methodes niet altijd effectief zijn. Uit onze rondvraag bleek trouwens een grote vermoeidheid. Veel armoedebestrijders zijn uitgeput. Het aantal burn-outs is er meer dan gemiddeld hoog.’

Gentrificatie

Eén, zo niet de belangrijkste factor bleef hier nog onbesproken: armoede heeft uiteraard ook te maken met de scholingsgraad. Bij laaggeschoolden is het armoederisico meer dan vier keer groter dan bij hooggeschoolden. En die mate van geschooldheid blijkt in belangrijke mate samen te hangen met het opleidingsniveau van de ouders. Ongeveer 30 procent van de Belgen wier ouders laaggeschoold zijn, heeft hogere studies afgerond. Bij de jongeren met hoger opgeleide ouders, ligt dat percentage op ongeveer 80 procent. Met andere woorden: armoederisico hangt in belangrijke mate samen met het opleidingsniveau van de ouders. Van Cauter: ‘De school slaagt er in ons land minder dan elders in om die verschillen weg te werken. En we weten uit recent onderzoek dat segregatie daarin een belangrijke rol speelt. We zijn een land met grote schoolongelijkheid. We weten dat gentrificatie hierin een belangrijke rol speelt. In een stad als Brussel heb je vandaag wijken met bijna uitsluitend armen. De scholen in die wijken worden geconfronteerd met problemen die het lesgeven veel moeilijker maken, waardoor de kwaliteit daalt. Dat probleem was vroeger minder groot. Boerenzonen en doktereszonen zaten samen in de klas. Het verschil tussen scholen onderling is veel groter geworden, vrees ik.’

Hoe dan ook heeft het onderwijs volgens Devisch een van zijn meest wezenlijke functies verloren. ‘De motor van sociale mobiliteit die het ooit was, is beginnen te sputteren. Wie studeert aan de universiteit? Grosso modo de kinderen van ouders die zelf een hogere opleiding hebben gehad. Dat was ooit anders. Mijn ene grootvader was landbouwer, de nadere vloerlegger. Ze leefden in armoede, ze hadden niks. Mijn vader heeft rechten gestudeerd, en ik ben hoogleraar. Dé cruciale vraag: hoe krijg je die motor weer aan de praat? Ik denk dat je dan niet alleen naar geld moet kijken. Het idee dat je dit enkel met studiebeurzen opgelost krijgt, is te eenvoudig gebleken. Dit gaat ook over cultureel en sociaal kapitaal. Als mijn zoon tijdens zijn studie problemen heeft, sta ik klaar met een netwerk om hem extra te ondersteunen. Als hij een foute keuze maakt, krijgt hij de kans om iets anders te proberen. Een zoon uit een arbeidersmilieu heeft dat netwerk en die keuzemogelijkheid meestal niet. Over gezondheidszorg wordt weleens gezegd dat het in all policies zit. Hetzelfde kan je van armoede zeggen. Om het doeltreffend te bestrijden, moet je ook ingrijpen in domeinen als onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting.’

Partner Content