Sacha Dierckx

‘De Belgische indexering is een goedwerkend systeem’

Sacha Dierckx Wetenschappelijk medewerker van de progressieve denktank Minerva
Lars Vande Keybus (ABVV) Economisch adviseur federaal ABVV

‘Heel wat argumenten tegen het Belgische indexsysteem zijn op meerdere vlakken twijfelachtig’, schrijven Sacha Dierckx en Lars Vande Keybus van het ABVV. Ze reageren op het Knack-interview met professor Gert Peersman (UGent).

Belgische werknemers moeten verarmen, want anders zullen ze verarmen. Zo kunnen we de visie samenvatten die professor Gert Peersman vorige week voor Knack uiteenzette als reactie op onze ABVV-Barometer. Zijn voornaamste doelwit is de automatische indexering, die volgens hem tal van negatieve effecten heeft. Maar zijn argumenten zijn volgens ons op meerdere vlakken twijfelachtig.

Inflatie is een gevolg excessieve energieprijzen, niet van te veel koopkracht

Ten eerste vinden we dat Prof. Peersman op zijn minst een onvolledig verhaal verspreidt over de inflatie. Uit zijn verhaal lijkt het alsof de huidige prijsstijgingen het gevolg zijn van een veel te grote vraag naar goederen en diensten, die dan weer het gevolg zou zijn van een te hoge koopkracht. Dat is een simplistisch verhaal, en de realiteit is veel complexer. De inflatie is het gevolg van een “perfecte storm”, een aantal factoren die de wereld teisteren sinds het versoepelen van de coronamaatregelen.

De belangrijkste daarvan is natuurlijk de stijging van de energieprijzen, die zich ook doorzetten in een stijging van de voedselprijzen (waarbij energie een belangrijk kostenfactor is). Het is dan ook niet toevallig dat Frankrijk het enige land in West-Europa is waar de inflatie steeds duidelijk lager is gebleven. Met een grotendeels genationaliseerde energiesector en bijhorende prijscontrole controleert Frankrijk de energieprijzen.

Met het ABVV hebben we ons altijd verzet tegen de liberalisering van de energiemarkten, tegen de invloed van speculanten, en tegen prijsvorming door de markt. Het bedrijfsleven was echter tegen prijscontrole en andere ingrepen in de prijsvorming. Het gevolg is de inflatie die we nu zien, die samengaat met superwinsten voor de fossiele industrie en andere energiemultinationals zoals Engie.

(Lees verder onder het artikel.)

Een verkeerde diagnose – te veel koopkracht – leidt ook tot een verkeerde “remedie”, die door Prof. Peersman en orthodoxe economen verdedigd wordt: de koopkracht verminderen en de werkloosheid vergroten door het optrekken van de rentevoeten. Zoals andere economen en politieke economen stellen, is dat asociaal en contraproductief beleid.

De index is goed voor de Belgische economie

Dat brengt ons bij een tweede grote bedenking bij de visie van Prof. Peersman. Terwijl hij ironisch genoeg een monetaire politiek verdedigt die als doelstelling heeft om de werkloosheid te verhogen en de koopkracht te beperken, verwijt hij de vakbonden dat ze de index verdedigen en zo (op termijn) de koopkracht van werknemers aantasten. Wij zijn het niet eens met die analyse.

Laten we beginnen met de evolutie sinds 1999. In tegenstelling tot wat Prof. Peersman beweert, zijn de lonen sindsdien nooit meer buitensporig gestegen, integendeel zelfs. De gemiddelde inflatie in België lag in België in de periode 1996-2020 dan ook onder de ECB-doelstelling van 2%, en was lager dan bijvoorbeeld in Nederland. Als je de vermindering van de werkgeversbijdragen en de loonsubsidies mee in rekening neemt, zien we dan ook dat de “loonkosten” in de periode 1996-2021 5,7% lager lagen in België dan in de referentielanden. Wat we daardoor ook zagen, was een serieuze stijging van de bedrijfswinsten. Doordat de lonen de productiviteitsstijging niet volgden, zoals onze Barometer toont (zie figuur hieronder), ging er steeds minder naar de lonen en steeds meer naar de winsten.

Ook in de huidige inflatiecrisis wordt de index onterecht geviseerd. België kent geen substantieel hogere inflatie dan de buurlanden en andere West-Europese landen, met uitzondering van Frankrijk (dat dankzij prijscontrole lagere energieprijzen kent, zoals hierboven reeds gesteld). We zien wereldwijd tot nu toe dan ook eerder een “winst-prijsspiraal” dan een zogezegde loon-prijsspiraal. Daarnaast is ook de impact op de “concurrentiekracht” sterk te nuanceren. Te verwachten valt dat ook in de buurlanden de komende jaren loonstijgingen de verloren koopkracht zullen goedmaken, zodat gewone werknemers er niet verarmen. Bovendien vormen de lonen, zeker in exportgerichte sectoren, vaak maar een klein deel van de productiekosten. Tot slot is koopkracht natuurlijk ook belangrijk om Belgische bedrijven overeind te houden, zoals recent zowel vanuit de kleinhandel als vanuit de grootindustrie werd toegegeven.

Wie bezorgd is om de Belgische werknemers én vindt dat werknemers niet zomaar mogen verarmen, pleit dus best voor de “export” van de automatische indexering naar andere landen binnen (én buiten) Europa.

De index is een sociaal systeem

Ten derde valt Prof. Peersman de index aan omdat die de hoge inkomens zou bevoordelen en de lage inkomens zou benadelen. We zien in de praktijk dat dat pertinent onjuist is. De reden is eenvoudig: zonder index slagen de hoge lonen er vaak in zichzelf te beschermen, maar voor lage lonen is de index de enige garantie op het behoud van hun koopkracht. En doordat de indexatie voor iedereen geldt, kunnen we zorgen dat alle werknemers het gevecht gezamenlijk aangaan, waardoor kwetsbare werknemers met lagere lonen beter af zijn.

(Lees verder onder het artikel.)

We zien dat trouwens ook bij de loonnormwet, die de collectieve onderhandelingsmarge voor reële loonstijgingen sterk beperkt en daarvoor ook veroordeeld werd door de Internationale Arbeidsorganisatie. Ondanks die wet zullen bedrijven toch meer geven dan volgens de strikte loonnormwet zou mogen. Maar in plaats van reële loonsverhogingen die iedereen ten goede zouden komen, doen ze dat via individuele loonvoordelen zoals aandelenopties, salariswagens en andere extralegale voordelen. Die voordelen gaan in de eerste plaats naar de hoogste inkomens. Meer kwetsbare profielen blijven zonder collectief onderhandelde opslag in de kou staan.

Tegelijkertijd met de index verdedigen wij andere maatregelen die de lage inkomens en lagere lonen ten goede komen, zoals uitkeringen boven de armoedegrens, een hoger minimumloon, en een uitbreiding van de sociale tarieven voor energie. Door die combinatie van maatregelen zouden de lage inkomens er meer op vooruitgaan. En om nog meer solidariteit in te bouwen ijveren we voor een rechtvaardige fiscaliteit, waarbij de hoogste inkomensschijven opnieuw onderworpen worden aan tarieven van 52,5% en 55%. Samen met een hervorming van de loonnormwet om meer ruimte te creëren voor reële loonstijgingen, en met een beperking van de extralegale voordelen, is dat een mix van maatregelen die de lage inkomens wél ten goede zal komen, in tegenstelling tot een “hervorming” van de index zoals Prof. Peersman voorstelt.

Uiteindelijk zijn we het met maar ongeveer één uitspraak van Prof. Peersman eens: werknemers zullen het waarschijnlijk nog jaren moeten uitzweten. Maar de oorzaak is niet de indexering, wél de excessieve energieprijzen en bijhorende superwinsten van de energiesector, en de loonnormwet die nu al decennialang loonmatiging oplegt. Twee situaties waartegen het ABVV zich tegen verzet, en tegen zal blijven verzetten.

Sacha Dierckx is economisch adviseur bij het federaal ABVV.

Lars Vande Keybus is economisch adviseur bij het federaal ABVV.

Lees meer over:

Partner Content